Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90

BADSTOOF

 

1 De badstoof als bordeel en rendez-vous-plek

 

Jacques Rossiaud, Dame Venus – Prostitution im Mittelalter, 1989, pp. 13-14, signaleert dit gegeven voor de Bourgondische en Provençaalse steden in de vijftiende eeuw. Eigenaars van het badhuis (aestuarium in het Latijn, Frans: étuve, Duits: stube) waren vaak belangrijke wereldlijke en zelfs geestelijke personen (Rossiaud vermeldt een bisschop en een abt). ‘Die Badehäuser, um es zusammenzufassen, waren der Ort offener und ständiger Prostitution, aber auch eine Art von Stundenhotel und Schauplatz kupplerischer Aktivitäten’ [p. 14].

 

Gilbert Degroote, Jan van den Dale – Gekende werken met inleiding, bronnenstudie, aanteekeningen en glossarium, 1944, pp. 27-28: ‘Tot het bonte middeleeuwsche vermakelijkheidsleven hoorden de openbare badhuizen of stoven, die in de late middeleeuwen nog vrij talrijk waren. De gelegenheid tot baden had dan echter weinig van een kleurig-bewogen, moderne zwemkom. Omdoezeld door de fijne geuren van welriekend lavendelwater en vaak meegesleept door een zachte muziek, kon de bezoeker er, bij het donker glinsteren van een edelen dronk, zijn geluk even in een vochtigen blik meenen te lezen. Zoo kwam het dat de stoven over het algemeen in een verdacht licht stonden en soms in één adem genoemd werden met bordeelen.’

 

F. Vanhemelryck, De criminaliteit in de ammanie van Brussel van de late middeleeuwen tot het einde van het ancien regime (1404-1789), 1981, p. 131: ‘Het verkeer met lichtekooien gebeurde in de XVe eeuw onder andere in de badhuizen, “de stoven”, “les estuves”. Volgens sommige costuimen was het verboden dat mannen en vrouwen samen naar de stoven gingen, behalve op zaterdag. Deze reglementeringen werden niet in acht genomen en de plaatsen groeiden uit tot tonelen van ontucht. Mensen uit hogere kringen belegden er afspraken. De hertog van Brabant, Wenceslas, zou een geregeld bezoeker geweest zijn van de stoven.’ In een voetnoot citeert Vanhemelryck Eustache Deschamps (rond 1400): Adieu, Bruxelles, où les bains sont jolys, / les étuves, les fillettes plaisants! / Adieu, beauté, liesse et tous délits, / belles chambres, vin du Rhin, mols lits. Dit citaat ook in Pleij 1988: 379 (noot 11).

 

Coen van Emde Boas, Geschiedenis van de seksuele normen oudheid – middeleeuwen – 17de eeuw, 1985, pp. 98-100: ‘In de meeste seksuologische geschriften worden de middeleeuwse bordelen en badhuizen in één adem genoemd en als praktisch identieke instellingen beschouwd. Naar mijn mening doet deze gelijkstelling onrecht aan de publieke badhuizen, althans in de eerste fase van hun bestaan. (…) De publieke badhuizen in de middeleeuwen moeten aanvankelijk (…) vooral in de behoefte hebben voorzien waarvoor ze primair bedoeld waren: aan de minder gegoede burgers, die niet zoals de rijken over een eigen bad beschikten, de gelegenheid te geven zich op de ouderwetse wijze lichamelijk te verzorgen. Pas in de late middeleeuwen ontstaan de toestanden die tot een vereenzelviging van badhuis en bordeel hebben geleid. (…) Maar een verval kon op den duur niet uitblijven. De eigenlijke diensten, zoals het vullen van de kuipen, het wassen, afdrogen en frotteren, werden door vrouwen verricht. Toen die begonnen de gasten ook gezelschap te houden op de rustbedden na het bad, vervaagden de grenzen tussen de bad- en vrouwenhuizen hoe langer hoe meer. De badhuizen ontaarden tot echte rendez-vous-huizen. De eisen van de kerk doen zich steeds sterker gelden. De scheiding tussen mannen- en vrouwenbaden wordt strenger doorgevoerd en iedere sekse krijgt personeel van hetzelfde geslacht. Het totaal naakte baden wordt verboden: badbroeken voor de mannen, badcostuums voor de vrouwen doen hun intrede. (…) Maar het uitbreken van de syfilisepidemie in het laatste decennium van de 15de eeuw betekende de definitieve ondergang. Toen de badhuizen als voorname bron van besmetting waren onderkend, besloot de overheid ze te sluiten. In de loop van de 16de eeuw kwam een eind aan dit instituut. Naast het gerechtvaardigde hygiënische motief, droegen ook de ascetische tendenzen van de reformatie er het hunne toe bij.’

 

F.P. van Oostrom, Het woord van eer – Literatuur aan het Hollandse hof omstreeks 1400, 1987, p. 123. Over Albrecht van Beieren, graaf van Holland rond 1400: ‘Verder bezoekt Albrecht, al dan niet in het gezelschap van zijn oudste zoon, nog geregeld stoven, dubieuze badhuizen in het dorp Die Haghe, die voor de hoge heren wel als een soort massagehuis zullen hebben gefungeerd – als ze alleen maar in bad wilden, hoefden ze per slot het Binnenhof niet af, al helemaal niet sinds daar in 1401 onder architectuur van meester Engebrecht (…) een luxueuze badkamer was bijgebouwd.’

 

Herman Pleij, De sneeuwpoppen van 1511, 1988, pp. 94-95 (over het beschavingsoffensief in Brussel rond 1500): ‘Dit offensief uit zich in de stad op allerlei manieren. Zo is er rond 1500 een algemene beweging tegen de plaatselijke badstoven, een in de middeleeuwen zeer gewaardeerd instituut waarvan elke stad er menigeen kende. Het baden had een sterk sociaal karakter dat zeer erotisch was gekleurd, zelfs in die mate dat een typering van nette bordelen meer op zijn plaats is, hoezeer men daarbij ook rondplensde, at en muziek maakte. Deze gewapende badcultuur is een bijzonderheid van de grote Brabantse en Vlaamse steden. De Portugese koopman Pero Tafur weet blijkens zijn reisverslag uit de jaren 1435-1439 niet wat hij ziet in Brugge. Hij is stomverbaasd over de seksuele uitspattingen van keurige burgers in de Waterhalle, een van de plaatselijke badstoven. Op strikte belofte van het respecteren van hun incognito staan vrouwen daar alles toe aan mannen, terwijl iedereen zich even gemakkelijk daarheen begeeft als zou het om gezamenlijk kerkbezoek gaan. Vooral welgestelden en de intelligentsia bezochten deze eroscentra, die niet zelden de weelde van hofvermaak probeerden te imiteren.Maar het badhuis is ook een intellectueel trefcentrum – zonder dat daarbij van de bestaande attracties afstand werd gedaan – onder humanisten, ongetwijfeld naar klassiek voorbeeld. Daarom kan Erasmus zo’n decor kiezen voor een van zijn colloquia over het huwelijk, nagevolgd in De Stove van de Brusselse rederijker Jan van den Dale, geschreven vóór 1522. Maar ondanks de populariteit van deze badstoven in de betere kringen krijgt de oprukkende schaamtecultuur toch de overhand, zodat van stadswege in de loop van de vijftiende eeuw steeds meer bedrijfsbeperkingen en sluitingen worden gelast.’ En op p. 97: ‘In de stedelijke ordonnanties te Brussel beginnen al vanaf 1360 de verbodsbepalingen toe te nemen tegen overspel en het geven van gelegenheid daartoe. Bovendien worden ook hier de badstoven een steeds groter punt van zorg. Er wordt bepaald dat men er niet de nacht mag doorbrengen en er ook niet slapend mag worden aangetroffen.’

 

Raymond Van Uytven, “De ledige vrouwen van de middeleeuwen”, in: Kathleen Devolder (red.), Van badhuis tot eroscentrum – Prostitutie en vrouwenhandel van de middeleeuwen tot heden, 1995, p. 14: ‘Naast de één of meer publiek erkende bordelen boden ook sommige badstoven hun bezoekers de diensten van prostituées aan. De stoven waren zeker niet uitsluitend publieke badinrichtingen, maar boden gelegenheid tot sociaal vertier en ontspanning. Pas in 1487 splitste men te Luik wegens de opspraak en schandalen de gemengde badstoven in gescheiden inrichtingen voor mannen en vrouwen. De interieurs van dergelijke stoven zijn met alle gewenste details afgebeeld op miniaturen en houtsneden: in een ruimte zitten paarsgewijs naakte mannen en vrouwen in kuipen te baden onder het drinken van wijn en het verorberen van kersen, fruit en hapjes vlees. Aan de zijkant liggen verliefde koppels in bed. De voorstelling is volledig in eenklank met wat de Franse dichter Eustache Deschamps (+ 1406/1407) zich herinnert van de Brusselse badstoven: Adieu Bruxelles où les bains sont jolys, / Les étuves, les fillettes plaisantes. / Adieu beauté, liesse et tous délits, / Belles chambres, vin du Rhin, mols lits, / Connins, plouviers et capons et fesans, / Compagnie douce et courtoises gens.’

 

Guy Dupont, Maagdenverleidsters, hoeren en speculanten – Prostitutie in Brugge tijdens de Bourgondische periode (1385-1515), 1996, p. 39: ‘Een belangrijk deel van de prostitutie-activiteiten speelden zich dus buiten de muren van de stadsbordelen af. De gelagkamers in drink- en badgelegenheden bijvoorbeeld waren geliefkoosde plekjes om klanten te verleiden en ze naar de intimiteit van achterkamers te loodsen, die ze huurden in winkelpanden, herbergen en badhuizen. De gemengde badhuizen – er bestonden ook aparte vrouwen- en mannenbaden – verwierven hiermee een hardnekkige reputatie als verkapte bordelen. Een gedeelte van de badhuizen of “stoven” had zijn oorspronkelijke functie – het aanbieden van badmogelijkheden aan de overgrote meerderheid van de stadsbewoners die niet over een eigen bad beschikte – inderdaad al helemaal verloren in de 14de eeuw en beschikte soms niet eens meer over een badinfrastructuur. Dit was met name het geval voor de “oneerbare” stoven in tal van Franse steden, die er duidelijk onderscheiden werden van de “eerbare” badhuizen.’ Over de situatie in Brugge, p. 51: ‘Op het frequenteren van bordelen werd niet zo nauw gekeken. Enkel de nieuwe eed van het Jonghof van de Sint-Jorisgilde, de jonge kruisboogschutters dus, maakte hier een uitzondering op. Deze verbood aan gildenbroeders “met hem hebbende de paruere van den voorseiden ghilden” om in bordelen of stoven te overnachten. Hierop stond een boete van 5 gr., een vol dagloon van een ambachtsgezel.’ Ook p. 55: ‘Gedurende een korte periode (1447-52) beboetten stad en schout ook ‘stoefheren’ en ‘stoefvrauwen’ die klanten lieten overnachten in de badstoof. Dit kon niet getolereerd worden aangezien het “contre la deffence et ordonnance de la dit ville” was.’ Zie ook pp. 156-157: een lijst van Brugse badstoven, met hun naam, adres en de periode waarin zij beboet werden voor bordeelexploitatie.

 

Michael Camille, Middeleeuwse minnekunst – Onderwerpen en voorwerpen van begeerte, 2000, pp. 85-86: ‘Fonteinen van jeugd voor de lagere klassen waren te zien in de badhuizen van de middeleeuwse steden, zoals in Parijs en Brugge; zij werden door het volk in verband gebracht met bordelen. De kunstenaar van een rijk verluchtigd handschrift van de Roman d’Alexandre schilderde in één van zijn honderden pikante randscènes een dergelijke estuve (badhuis), dat minder doet denken aan de rituele meibaden van het platteland dan aan de commerciële baden in de stad. Een naakt stel staat links op het punt een kleine hut binnen te gaan en omhelst elkaar in het hete bad rechts. Deze personen volgen niet de elegante gedragscode van de traditionele liefdesscènes, maar ze zijn levendig en onbeholpen zoals in het dagelijks leven. Beide houden een hand voor hun geslachtsdelen, de man verbergt wat Augustinus noemde zijn “weerspannig lid” terwijl de vrouw hem volgt.’

 

Zie ook Fabiola van Dam, Het middeleeuwse openbare badhuis: fenomeen, metafoor, schouwtoneel, 2020. Deze auteur blijkt echter een blinde vlek te hebben wanneer het gaat over de bordeelfunctie van sommige middeleeuwse badstoven: zij ontkent het gegeven weliswaar niet, maar besteedt er nauwelijks aandacht aan en beschouwt het als een projectie van negentiende-eeuwse en twintigste-eeuwse auteurs. Zie bijvoorbeeld p. 64: ‘In de legende van het badhuis-dat-bordeel-is, komen we de badbaas vooral tegen als louche bordeelexploitant en het personeel als hoeren en pooiers. Het zal zeker een deel van de werkelijkheid geweest zijn, gezien de karikaturen van de badhuisbaas als een lelijke, louche dronkenlap die zijn klanten oplicht en schrik aanjaagt, en van badmaagden die “Frau Fisherin” genoemd worden, waar fishen dan staat voor seksueel verkeer hebben. Maar de badhuisberoepen hebben zeker ook kunnen rekenen op maatschappelijk aanzien en waardering voor hun werk, zoals de bijgaande serie portretten van badhuisbazen en hun personeel laten zien.’

 

Die Rose ed. 1976 (circa 1300)

  • 163 (verzen 9485-9499). Allegorische rijmtekst. Vrouw Rijcheide (Richesse) beschrijft de losbandige levenswijze van haar volgelingen: Alsi sijn moede gaen si met staeden / Te gadre in die stove baden, / Die sie daer hebben al bereet, / Want elc daer sine camere weet / In die herberge, daer vrouwe af es / Sotte Meltheit, sijt seker des, / Die hen rekent van herbergien / Ende die morsele van leckernien, / Ende hen vercoept alsoe diere / Hare feeste ende hare beleciere, / Dat si vercopen al hare lant, / Ende hen no blijft no gelt noch pant. / Ic bringse daer met groter eren, / Mar Ermoede doetse wederkeren: / Ic hebbe dat ingaen ende si dat ute. Handschrift C heeft hier: Als si sijn van speelne moede, / In die camere met groten goede, / Daer die baden sijn ghemaect, / Ende gaenre binnen al moedernaect / Met feesten ende met groter ioyen, / Ende doen de herberghe hem verfroyen, / daer Zotte Miltheit vrauwe af si, / Die hem rekenen gaet so bi, / Als eene vrauwe die niet ontfarmt, / Maer quetse so ende veraermt, / Dat sijs ghenesen niet en connen.
  • Het originele Oudfrans (circa 1270) van deze passage luidt: Puis revont entr’eus as estuves / Et se baignent ensemble en cuves / Qu’il ont en chambres toutes prestes, / Biau chapelés de flors en testes, / Dedenz l’ostel Fole Largesse / Qui si les apovroie et blece / Que puis pueent envis garir; / Tant lor set chier vendre et merir / Son servise et son ostelage / Et em prunt si cruel paage, / Ains que tout le li puissent rendre / Il lor convient lor terre vendre. / Je les convoie a mout grant joie / Et Povreté les raconvoie, / Froide, tramblant, tretoute nue, / J’ai l’entrée, et elle l’issue [Roman de la Rose ed. 1974: 285-286 (verzen 10.099-10.114)]. Een modern-Franse proza-hertaling: De là, couronnés de fleurs, ils se rendent à l’hôtel de Folle Largesse où ils trouvent des cuves toutes prêtes et se baignent ensemble. Folle Largesse leur vend cher son hospitalité et ses services; elle lève sur eux un si lourd tribut qu’ils sont contraints à vendre leurs terres pour le payer; et en ce mauvais point où elle les met, ils peuvent difficilement guérir. Je les y conduis à grande joie, mais Pauvreté qui grelotte toute nue les accompagne au retour: j’ai l’entrée et elle l’issue [Roman de la Rose ed. 1984: 175]. De Nederlandse vertaling van Ernst van Altena: Dan gaan ze samen naar het zweetbad / en baden daar van ach-wie-weet-wat, / hun hoofd omkranst met bloemenkronen, / wijl ze bij Dwaze Spilzucht wonen, / die ze daarvoor zozeer laat bloeden, / ze zoveel kosten laat vergoeden / voor al haar diensten en gastvrijheid, / dat ze aan ’t einde van hun meitijd / verarmd zijn, even triest als wezen, / gekneusd en haast niet te genezen; / dan moeten zij hun grond verkopen / om al hun schuld weer in te lopen. / Ik voer ze binnen vol verblijden, /maar Armoede geleidt hun scheiden, / die zit te rillen, koud en naakt, / daar zij de uitgangen bewaakt [Roman van de Roos ed. 1991: 274 (verzen 10.069-10.084)].

Decamerone ed. 1989 (1349-53)

  • 200-208 (dag III, verhaal 6). Italiaans proza. Samenvatting van het verhaal: Ricciardo Minutolo is verliefd op de vrouw van Filipello Sighinolfo; als hij hoort dat zij jaloers van aard is, maakt hij haar wijs dat haar man de volgende dag zijn – Ricciardo’s – vrouw in een badstoof rendez-vous heeft gegeven. Op Ricciardo’s aanraden gaat ze zelf naar de plaats van afspraak en komt daar na een poos tot de ontstellende ontdekking dat ze de hele tijd in de armen van haar aanbidder heeft vertoefd, terwijl ze ervan overtuigd was, met haar echtgenoot te maken te hebben (de kamer waarin zij zich bevinden is namelijk vensterloos en aardedonker).
  • 556-566 (dag VIII, verhaal 10). In Palermo ontfutselt een Siciliaanse vrouw een koopman de goederen die hij ontscheept heeft. De eerste maal ontmoeten ze elkaar in een badstoof, afgehuurd door de vrouw. Zij stappen naakt in bad met twee dienstmeiden, worden gewassen, gedroogd en geparfumeerd, waarna zij gebak eten en wijn drinken. Als de dienstmaagden verdwijnen, bedrijven zij de liefde met elkaar.

Achte personen wensen ed. 1992 (circa 1408)

  • 29 (verzen 111-120). Een wensdicht en standensatire uit het Hulthemse handschrift. De monnik over zijn wensen: Ic wenschen om mijn ghevoech / Van spisen ende van wine, / Ende alder tieren wiven, / Om ghelt ende om abijt [mooie kleren], / Soe woudic altoes driven / Met hem mijn delijt: / Baden ende stoven / Altoes ende banckenteren, / Springhen, dansen, hoven, / Dobbelen, goet verteren. Hier dus: naar de badstoof gaan als onderdeel van een reeks losbandige handelingen…

Willemyns ed. 1979 (1413)

  • 115. Uit de ‘Verordeningen van Amsterdam betreffende de bordelen’ (1413): Item, want men veel confuselike maren ende smadeliker woirde horende is binnen der stede en verre buten in vreemden landen van den leliken ende oneerzamen, zundeliken daden, die in den stoven binnen der stede gheschien van mannen ende vrouwen, die niet te gader en behoeren ende onwittelike mit malcandere dairin gaen; hierom is ghewilcoirt, dat en ghien man of wijf en sullen noch en moeten te gader in die stove gaen, noch wesen, noch slapen, by III p(ond) Hollans, denghenen, die de stove ophilde, ende den man ende twijf, die mit malcandere in die stove quamen, elix op die selve bueten; anders dan die dienstmagheden, die in die stoven behoiren ende om hoir loen dair dienen. Dit sal staen tots gherechts pruevinghe.

Sint-Patricius’ Vagevuur ed. 1919 (1387 / circa 1450)

  • 19-20. Stichtelijk traktaat, visioen. Over de 8ste straf in het vagevuur: Ende si togenen van dan voert ende trecten den ridder mit hem tot enen groten huys wart dat eyselicken roecten. Ende et was zeer wijt ende lanck dat men dat eynde daer niet af gesien en conde. Ende doe sy noch een dele daer af waren, soe blef die ridder staen om die grote hette die daer uut quam ende hy ontsach om voert te gaen. Hier om spraken die duvelen: Wat verbeidstu? Dit is een bade huys. Dattu wilste of en wilste, du salte daer in gaen en mitten anderen daer in baden. Ende men begonde uut den huys te horen weynen ende screyen. Ende doe hy int huys gebracht was, doe sach hi enen wyer [vijver, onjuiste vertaling van het Latijnse ‘visionem’] ende verveerlicken ende eyselicken van ansien. Want die dele vanden huys was vol ronder putten die an malcanderen stonden also dat men daer nauwe tusschen of niet gaen en mocht. Ende ellic put was vol van metael daer een grote scare van mannen ende van wiven van alden ende van jongen in stonden gesoncken, somige totten oge brouwen, somighe totten ogen, somighe totten lippen, somige tot den halse, somige totter borst, somighe totten navele, somige totten dien, somige totten knyen, somige totten benen, somige mit enen voet alleen, ende somige mit beyden handen of mit eenre alleen. Ende si weynden al van groter pinen ende riepen. Ende die duvelen spraken: Mit desen saltu baden. Doe hieven si den ridder op en pijndenen te werpen in enen put. Mer als si den naem jhesus horden soe en mochten sijs niet doen.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 217 (refrein 108, verzen 18-20). Zot rederijkersrefrein, waarin de ik bekent dat hij zijn geld verkwist aan drank, vrouwen en kansspelen, maar tegelijk stelt dat dit zijn eigen zaken zijn: Al machic in stouen in bordelen slinderen [rondhangen] / daer gelt, scat en goet by mach minderen / moetic daer by tvuylste kint vander scolen syn?

Aerm inde Buerse ed. 1920 (1529)

  • 287 (verzen 89-92). Allegorisch rederijkersspel. Elckerlyc (een personage dat staat voor de gezeten burgerij) zegt over zichzelf: Altemets dat jc ooc douckachtich [gesteld op vrouwen] zy. / Somtyts met vrauwen, omden gheest te verfrayene / Pleghic jnt stoue meest te labayene. / Dit en mocht ghy nyeuwers voor scande roeren.
  • 290 (verzen 196-198). Arm inde Buerse (een arme knecht) spreekt verwijtend tot Elckerlyc: Want diet Ghebruuc Couuer [= de welvaart] duer tvoordeellen hooppen / Siet men meest jn stouen jn boordeelen looppen / Ende met Venus dieren danssen rellen.

Colloquia familiaria ed. 1947 (1533)

  • 31. In het colloquium Diversoria (Herbergen) van Erasmus (definitieve versie gepubliceerd in 1533) vertellen twee vrienden, Bertulfus en Wilhelmus, elkaar over hun ervaringen in Franse en Duitse herbergen. Op een bepaald moment zegt Wilhelmus: Atqui ante annos viginti quinque nihil receptius erat apud Brabantos quam thermae publicae: eae nunc frigent ubique. Scabies enim nova docuit nos abstinare. In de vertaling, in 1634 gepubliceerd door Dirk Pietersz Pers te Amsterdam: Nochtans voor 25 jaren was by de Brabanders niet aengenamers als de openbare badt-stoven, maer die worden nu niet ghebruyckt, want de nieuwe lempten hebben wel geleert ons daervan te onthouden. Met ‘scabies nova’ / ‘nieuwe lempten’ (de nieuwe kwaal) wordt blijkbaar verwezen naar syfilis. Zie ook Colloquia familiaria ed. 2001: 174-181.

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 82 (nr. 71, strofen 5-8). Lied. Een overspelige vrouw verleidt een visser om met haar naar de badstoof te gaan: Vriesen v handen ende voeten / Doet v hooft so wee / So gaet al inder stouen / daer en vrieset nemmermeer. // Mer doen die loose visscher / Al inder stouen quam / Doen bestont hi haer te vragen / Na haren getrouden man // Wat hebt ghi mi te vragen / Na mijnen getrouden man / Mijn man is al inder kercken / Hi bidt gods heylighen an. // Is v man al inder kercken / Oft inden coelen wijn / So laet ons eten ende drincken / Ende laet ons vrolijck zijn.
  • 174 (nr. 152, strofe 2, verzen 5-7). Lied. Over een edeldame die haar man bedriegt met haar schrijver-klerk. De man zegt: Mi is ter ooren ghecomen / Hoe dat ghi metten scrijuer gaet spaceren inden wijn / Ende te samen boeleren gaet inder stouen.

Bijns ed. 1902 (XVIA)

  • 307 (nr. XXX, strofe B, verzen 1-8). Vroed rederijkersrefrein (vermoedelijk van Anna Bijns) dat de lezer vermaant om zich af te keren van zondig gedrag en zich te bekeren: Al hebdy, in voerleden stonden, / Ghestoeft, ghebaadt, ghedanst, ghemomt, / U selven verworpen in stricken van sonden, / Mids goede gheselscappe ongenomt, / Al hebdy u ziele dicwils verdomt, / Tot alder quaetheyt zynde lustich ende groen, / Ick rade u, eer den dach van rekeninghe compt: / Verkeert [= bekeert u], dat mueghdy met eeren doen. Naar de badstoof gaan (‘stoven’) is hier dus een onderdeel van een opsomming van zondige handelingen.

 

2 Badstoof: andere negatieve geluiden

 

Le Trésor de la Cité des Dames ed. 1985 (1405)

  • 153 (deel 3, hoofdstuk 2). Oudfrans proza, moraliserend traktaat voor vrouwen. Christine de Pisan vertelt hoe voorname dames in de stad zich moeten gedragen: Also the warm baths and the gossip sessions and other get-togethers that women frequent too much without need or good cause are only a waste of money, and no good can come of them.

Cloen van Armoe ed. 1967 (XVIA)

  • 57-58 (verzen 174-177). Rederijkersspel. Gesprek tussen Pover Geselle (een arme ambachtsman) en Wel Bedegen (een rijk geworden ambachtsman): [Pover Geselle:] Maer dickwils gingtdij inder stoven, / Als ghij doort sloven moe gewrocht waert? / [Wel Bedegen:] Neen neen, dat gelt docht mij was best bespaert, / Mijn vrient vermaert, t viel maer eens tsjaers. Naar de badstoof gaan wordt dus gezien als geldverkwisting.

 

3 Badstoof: neutrale gegevens

 

De Bouc vanden Ambachten ed. 1998 (XIVB)

  • 23. Nederlands-Frans leerboekje. Natalie, de scone vrouwe, houd goede stove: de vorbaertste vander stede gaenre stoven. Soe woend bachten der frere [de minderbroeders, zie de Franse versie] muer. Dit leert ons dat ook de stadsnotabelen de badstoof bezochten. Het epitheton ‘scone vrouwe’ doet vermoeden dat daar meer gebeurde dan alleen maar baden, maar dit moet onzeker blijven in deze passage.

De Stove ed. 1944 (XVIa, vóór 1522)

  • In dit gedrukt strofisch rederijkersgedicht van Jan van den Dale luistert de ik-persoon een gesprek af tussen twee vrouwen in een badstoof. Het gesprek gaat over het huwelijk van de beide vrouwen, en zoals Degroote (de tekstbezorger) noteert: ‘Prikkelende beelden te suggereeren was niet de bedoeling van van den Dale’. De tekst vertoont een aantal overeenkomsten met een colloquium van Erasmus, namelijk Uxor mempsigamos, maar deze laatste tekst speelt zich niet af in een badstoof.

Colloquia familiaria ed. 2001 (1533)

  • 220. Latijnse gesprekken (Erasmus), het gesprek ‘Franciscani’. Conradus zegt: Het is namelijk veel eerlijker om naakt te zijn, zoals we in het badhuis zien, dan om iets doorschijnends te dragen.

 

[explicit 5 maart 2021 – Eric De Bruyn]

 

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram