Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90

BEEST (vee)

 

Vergelijk ook bij DIER.

 

1a Beest (vee) = de zondige of ketterse mens

 

Robert Muchembled, De uitvinding van de moderne mens, Amsterdam, 1991, p. 35: ‘Voor Jacques de Voragine en binnen het christelijke gedachtengoed in het algemeen is dierlijkheid de directe oorsprong van de zonde. De kunstenaars uit de middeleeuwen die het lichaam afbeelden als de voornaamste vijand van de heilige, wisten dat maar al te goed.’

 

Sancti Hieronymi Epistulae ed. 1991 (403)

  • 340-341 (Brief CVII, paragraaf 2). Latijnse brief. Nabuchodonosor, king of Babylon, recovered his human understanding after he had been made like an animal in body and heart, and had lived with the beasts (beluae) in the wilderness.

De consolatione philosophiae ed. 1990 (524)

  • 153 (boek IV, 3p). Filosofisch traktaat, Latijn. De slechte mens ontaardt tot een beest Maar zoals alleen rechtschapenheid iemand boven mensenmaat kan doen uitstijgen, even onontkoombaar zal de ontaarding die iemand van zijn menselijke status heeft beroofd, hem beneden mensenniveau doen afdalen. Het resultaat is dat je iemand van wie je ziet dat hij door zijn ondeugden een wezensverandering heeft ondergaan, niet langer als een mens kunt beschouwen. (…) Zo zie je dat men met de rechtschapenheid in feite zijn status als mens opgeeft: niet in staat om het niveau van een god te bereiken, verwordt men tot een beest. In het stuk tussen haakjes worden menselijke ondeugden vergeleken met een wolf, een hond, een vos, een leeuw, een hert, een ezel, een vogel en een varken.
  • 154-155 (boek IV, 3m / 4p). Het versgedeelte 3m geeft een allegorische duiding van het gif van Circe dat Odysseus’ gezellen deed veranderen in evers, leeuwen, wolven, tijgers en varkens. De geestelijke betekenis van dat gif zijn de driften en de ondeugden. Het hierbij aansluitende vierde prozagedeelte begint dan als volgt: Waarop ik: ik erken en zie ook duidelijk in dat volkomen terecht wordt gezegd dat ontaarde mensen, ook al handhaven ze hun menselijke uiterlijk, geestelijk in beesten veranderen.

Dialogus miraculorum I ed. 2003 (1219-23)

  • 365 (afdeling 5, hoofdstuk 50). Stichtelijke prozatraktaat, Latijn. Naar aanleiding van mensen en monniken die door de duivels bespot worden, ofschoon ze naar Gods beeld en gelijkenis geschapen zijn: Hierover klaagt de psalmist wanneer hij zegt: ‘Hoewel de mens in ere stond, begreep hij dat niet. Hij werd gelijk aan de dieren die geen verstand hebben; hij werd zoals zij. Vergelijk Psalm 49 (48), 13.

Spiegel Historiael I ed. 1982 (circa 1285)

  • 94 (I Partie, boek II, hoofdstuk 50, verzen 13-25). Didactisch rijmtraktaat. In daniels tiden wart nochtan / beeste gemaect van enen man / Nabugodonosor, ende bequam mede / hier af bi daniels bede. / Beeste en wart hi niet van live, / maer gelijc eenen keytive / so verloes hi sinen zin, / ende hem dochte meer no min, / dan dat hi voren ware een stier / ende achter een leuwe fier. / VII maende hadde hijt dus zwaer; / doch was hi al vul VII jaer / in penetencien ende in gebede.

Lucidarius ed. 2005 (circa 1300)

  • 431 (verzen 3910-3911). Vers-Lucidarius, Stichtelijk rijmtraktaat. Dat sijn die so beestich sijn van sinne / dat sij gene doecht hebben inne.

Sidrac ed. 1936 (circa 1320)

  • 88-89 (vraag 98). Artestekst. Ende die valsche ende die quade die hem beroemt, hy en es gheen mensche maer hy es ene beeste alsi vertelt sine scande ende sine sonde ende sine scamelheit, alse een beeste die haer selven niene scaemt voir dandere beesten te doene hare ghevoech. Sy en heves doch en ghene blame want sy en heves sins niet dat sy dade hare ghevoech bedectelike; sy en mach ghene sonde doen want sy es ene beeste sonder ziele. Maer die ghene die hem beroemt van sinen sonden die hy gedaen heeft ende hem verhoecht inde sonden, die sal met rechte sijn gehouden over ene beeste ende over genen mensche.

Der Leken Spieghel III ed. 1848 (1325-30)

  • 225-226 (Boek III, hoofdstuk 27, verzen 25-30 / 39-42). Didactisch rijmtraktaat. Over hen die noch goed noch kwaad doen: Maer die quaet en doen noch goet, / leven alse die beeste doet, / ende noch argher haer leven es; / want wiste die beeste, sijts ghewes, / welc goet of quaet waer ghedaen, / sine zoude gheen quaet anevaen. / (…) Vallen ende opstaen dats menschelijc, / goet noch quaet doen dats veelijc; / altoos quaet doen dats duvelheit, / altoos wel doen dats ynghelheit.

Dat Rijcke der Ghelieven ed. 1978 (circa 1330)

  • 70. Mystiek prozatraktaat. Over soorten zondaars, onder meer zij die hem afkeren ende der werelt ende den viandt ende haers veeleker [vee-achtige] ghelost dienen.

Jans Teesteye ed. 1869 (vóór 1334)

  • 228 (verzen 2692-2693). Moraliserend rijmtraktaat. Over ijdele vrouwen en hun hoornkapsel: Ende maken hoerne twee / ghelijc enen stommen vee.
  • 228 (verzen 2696-2699). Naar aanleiding van de hoornkapsels en de lange slepen van de vrouwen: Dits wonder boven alle saken / dat aenschijn aldus maken / beestelike vorme aen haren lichame / menscheliker naturen te blame.
  • 276-277 (vers 30). Gedicht: ‘Noch meer vanden wiven’. Naar aanleiding van de hoornkapsels van vrouwen in de kerk en op feesten: Ghehorent ghelijc stomme beesten.
  • 278 (verzen 73-74). Ibidem. Naar aanleiding van de lange slepen die vrouwen dragen: Si hebben liever beesten ghedane / dan menschelicheit te draghene ane.

Nieuwe Doctrinael ed. 1915 (XIV)

  • 228 (vers 897). Stichtelijk rijmtraktaat. Naar aanleiding van de hoofdzonde Nijd, over rijke vrouwen die hun hoofd, haar en gelaat versieren: Het scinen bet ghehornde beesten.

Orloy der Ewigher Wysheit ed. 1926 (XIV)

  • 126 (regels 8-12). Stichtelijk prozatraktaat. Over schijnheilige kloosterlingen: Die ghene doelt alte seere, die waent dat die navolgheren der onderworpender secten die sorge des vleeschs hebben in der begeerten omdatse dageliicx blickendeleec leven, salich acht, dan allene mit beesteliker salicheit, den welken si ongeliic niet en siin.
  • 163 (regels 6-9) / 168-169 (regels 21-23 / 1-15). Discipel heeft een visioen van een arme pelgrim buiten een vervallen stad (Wijsheid Gods, staat voor het kloosterleven). In de stad wordt de pelgrim verstoten door ‘zeebeesten in menselijke vorm’: kloosterlingen die uiterlijk vroom leven, maar van binnen op de wereld gericht zijn. Zij leven als beesten en zijn ‘ongheciert’ van buiten en van binnen en lijken daarom op de lelijke zeebeesten. Bedoeld zijn onder meer kloosterlingen die vrouwen in hun huis verleiden. Ende hier omme, want si soe beesteliken siin ende soe ongheciert beide van binnen ende van buiten, soe en siin si niet herde onghelike den leeleken zeebeesten [169 (regels 2-3)].

Spiegel der Sonden ed. 1900 (XIV)

  • 51 (III Gierichede, hoofdstuk 35, verzen 3967-3976). Stichtelijk rijmtraktaat. Over de woekeraar: Der beeste gelike is hi geset, / diemen svleyschouwers boef maect vet: / al etet si zijn hoy ende ooc sijn coren, / die vleyschouwer denct wel te voren / velemeer te beterne up hare: / al ne levet die beeste in gheenen vare, / met haer selven moet si betalen, / als hi zinen cost up haer wil verhalen. / Dus guf is die vracke vul keytijf, / want hi verteert ziele ende lijf.

Reis van Jan van Mandeville ed. 1908 (XIVB)

  • 118 (regels 17-21). Reisverhaal. Over mensen die op kerkelijke feestdagen liederlijk leven: dan gaen si ter taruernen [sic] ende ter leckernien te sine nacht ende dach etende ende drinckende als beesten, soe dat si niet en weten, wanneer si sat sijn ofte ghenoech hebben.

De Spiritualibus Ascensionibus ed. 1988 (XIVB)

  • 275 (hoofdstuk 27). Stichtelijk prozatraktaat, Latijn. But let the animal in us beware lest it touch this mountain, let the impure still not approach, for the beast that touches this mountain will be stoned.

The Canterbury Tales ed. 1987 (XIVd)

  • 290 (Fragment X, Group I, regel 138). ‘The Parson’s Tale’. En nog onreiner bent u omdat u zolang voortgegaan bent te zondigen en door uw zondige gewoonten, waardoor u verrot in uw zonde gelijk een beest (beest) in zijn drek [The Canterbury Tales ed. 1995: 572].

Gruuthuse-handschrift I ed. 2015 (circa 1400)

  • 771 (III.10, verzen 1-6). Stichtelijk gedicht. Ach, moeder van ontfaermicheden, / hoe beseghet tvolc den dach van heden / sinen gheleenden tijt! / Beesten, van redenen ombesneden, / houden bet regle van zeden / dan tvolc ter werelt wijt.

Hildegaersberch ed. 1981 (circa 1400)

  • 2 (nr. I, verzen 139-140). Leerdicht. Mer die beestelike leven / dien wort beestelijc loen gegeven.
  • 161 (nr. LXXIX, verzen 393-398). Leerdicht. Gheloefden wy niet int wederrysen, / soe mochte ons wel voer sterven grisen, / want dan bleven wy als een beest / dat weder siel en heeft noch gheest, / alst der aerden wort ghelijc.

Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 177-178 (Winterstuc, hoofdstuk 25, regels 213-215). Theologisch compendium. Over de 10de dochter van Gula: Die tiende is ebetudo sensus, dat hiet domheit van synnen, als hi so beestelic wert, dat hi synre reden uutgaet, niet en vernymt, noch en verstaet.
  • 236 (Winterstuc, hoofdstuk 32, regels 788-790). Over het negende gebod: Wye dat niet den armen te hulp coemt, mer laten voor hem verderven, die en heeft niet an hem menscheit mer beestelicheit.

Tafel van den Kersten Ghelove IIIb ed. 1938 (1404)

  • 473 (Somerstuc, hoofdstuk 38, regels 103-105). Theologisch compendium. De duivel probeert de stervende mens te bekoren: Mit dusent consten hi bestaet den mensche te bewisen, dat hi moet als een beest sterven, want die mensche ghien onsterflike siel en soude hebben.

Des Coninx Summe ed. 1907 (1408)

  • 338 (paragraaf 219). Stichtelijk prozatraktaat. In desen luden is alle reden doot, daer om leven si beesteliken sonder reden, want al hoor sin is beestelic worden.
  • 346 (paragraaf 237). Dit sijn des duvels eyghen beesten / al heten si hem selven die vrye gheesten.
  • 354 (paragraaf 253). Och god van hemelrike, hoe sot sijn si ende hoe beestigher veel dan beesten.
  • 355 (paragraaf 255). Den beesten, dat is den luden die beesteliken leven.
  • 441 (paragraaf 471). Mer hi is als een beest, die sin noch reden en heeft, als david inden souter seit.

Leven Ons Heren Ihesu Cristi ed. 1980 (1409)

  • 94 (hoofdstuk 17). Jezusleven. Naar aanleiding van de duivels die in 2000 varkens gedreven worden: Het en si, dat die mensche levet ghelike eenre beesten, dat die viant gheen macht in hem en heeft.
  • 102 (hoofdstuk 18). Over de heiligen: Hoe veel verduldicheit si ghetoent hebben in pinen haers lichaems, so veel onthoudinghen [zelfbeheersing] laet ons bewisen in den passien, die ons in onsen vieliken crachten aen vechten, als teghens toern, teghens ghiericheit ende teghens begheerlicheit ydelre glorien, ende aldus ghewapent mit godliker vreden onse sinnen wederstriden ende den raet des viants te breken in ons. ‘Vieliken’ (vee-achtig): het Latijnse origineel heeft hier ‘irrationalibus’. Bedoeld wordt dus: redeloze zondigheid.

Spieghel vander Menscheliker Behoudenesse ed. 1949 (circa 1410)

  • 145 (hoofdstuk 24, verzen 144-151). Stichtelijk rijmtraktaat. Voort zeide de inghel dese dinc, / dat nabugodonosor die coninc / zoude noch in den foreeste / zijn ghespijst als een beeste. / Tbediet merkic wel hier af: / dat was, als men onsen here gaf / enen onmenscheliken dranc, / ende was aysijn met gallen ghemanc.
  • 145-146 (hoofdstuk 24, verzen 152-163). Voort sprac dinghel, verstaet den sijn, / dat des coninx herte noch zoude zijn / van menscheliken herte ghemuteert / ende vander menscheit of ghekeert, / ende dat hem zoude zijn ghegheven / een beestelijc herte bin zinen leven. / Ende daer bi es wel bediet, / dat die iueden onsen here niet / als enen mensche wilden antieren, / maer als een beeste in alre manieren / ghinghen zine handelen ende verduwen / ende in zijn helighe ansicht spuwen.

Wiesbadense handschrift ed. 2009 (circa 1410)

  • 292 (regels 18-21). Stichtelijke prozatekst (Jean Gerson, Miroir de l’ame). In verband met de opstandige engelen die overmids haren zonden sijn worden viande ende sijn ghevallen vanden hemele hier nedere, metten welken sullen sijn verdoemt die ghene die leven of si beesten waren zonder ziele ofte viande in mensceliken vleesche.

Boeck vander Voirsienicheit Godes ed. 1930 (circa 1410-20)

  • 112 (regels 8-10). Stichtelijk prozatraktaat. Och wat blintheit ende beestelicheit is dat, dat die mensche der werelt, ende der duuel dienen mach.
  • 128 (regels 3-5). (…) die ouermits dese corte ende verganckelike, boese, ydele, sondighe ende beestelike ghenoechte (…).
  • 134 (regels 9-12). De zondaars gaan naar de hel als een onredelike beeste tot enen vleeschuyse daer mensen dooden sal.
  • 135 (regels 20-21). Over het lichaam van de zondaar: Daer om ist inder hellen alsoe onweten ende beestelic dat het alle dync ynt quaetste keert.
  • 138 (regel 1). (…) clyne ende beestelike ghenoechte (…).
  • 138 (regel 16). (…) ouermits dynre beesteliker verstandelicheit (…).
  • 149 (regels 2-4). Mer leyder, si sijn veel dwaser ende ombekender ende beesteliker, die ouermidts dese aertsche ghenoechte hem seluen dat leuen hoerre ewigher salicheit benemen.
  • 160 (regels 12-13). Over de toornigaards: die sijn inder hellen alsoe verwoet als of si beseten beesten waren.
  • 182 (regels 7-9). Over de duivels die hem [de mensen] in dese corte tijt die onsuver beestelike ghenoechte soete maecten op dat si se aldus iammerliken sonder eynde quellen mochten.
  • 188 (regels 23-24). O duuelike woerde der beesteliker ende onredeliker menschen.
  • 213 (regels 12-14). (…) dese verganckelike ende valsche ende lose werelt (…) mit al hoer beestelike, corte ghenoechte.
  • 219 (regels 8-10). Ende die oec niet te gader gheleuet hebben als beesten in onsuuerheit.
  • 223 (regels 10-11). Och wat groter beestelicheit ende ombekentheit is dat.
  • 228 (regels 10-12). Over de gulzigaards: die mit werscappen ende mit ouereten ende drincken hoer onreyn lichaem veruullen als varken ende beesten.
  • 232 (regels 16-17). Hoe beestelijck sijdi gheworden.
  • 233 (regels 14-16). (…) dese valsche werelt mit al hoer corte ende beestelike leuen ende ghenoechte (…).
  • 243 (regels 22-25). Waer om heeft god dat hemelrijc ghemaect, om dat hi daer beesten in stallen ende setten sel? O blinde consciencie. O beestelike ende onredelike verstandenisse.
  • 248 (regels 24-28). Over hovaardige zondaars met hoofdbedekkingen. Christus droeg een doornenkroon, ende du meenste mit dijn ghecierde hoeft, daer du di seluen oec den beesten mede ghelikeste, ten ewighen leuen te comen.
  • 250 (regels 5-10). Minne dyn ewighe salicheit ende heb ontfermnisse ouer di seluen te tide, ende en minne dese corte ende cleyne ghenoechte niet die di in ewicheit pînen sel ende versmade die werelt ende alle hoer beestighe ende duuelachtighe ghenoechte op dattu ewelike ghenoechte mogheste vercrighen.

Blome der deuchden ed. 1904 (XVa)

  • 100 (hoofdstuk 34). Stichtelijk prozatraktaat. Over Nabugodonosor: Als die ghenen god en kent soe sprac hij beestelijc ende daer om plachden god als voer staet ghescreven dat hij vij jaer inder wildernisse was als een beeste.

Fili accedens ed. 1988 (XVa)

  • 234 (regels 760-762). Stichtelijk prozatraktaat. (…) so wort die mensce ongeweldich syns selues ende verliest syn toekeer tot gode ende valt in een beestelic leuen sonder volbrenghen der werken.

Die besessene Schwester Agnes ed. 1996 (XV)

  • 29 (regels 162-163). Stichtelijk prozatraktaat. Een duivel spreekt: Hi seide oec dat onghelatenheit is beestelicheit. Den ghenen die onghelaten sijn, brenghen wi tot alre beestelicheit.

Spiegel der Maechden ed. 1995 (XV)

  • 302 (boek 9, regels 10-13). Stichtelijke prozatekst. End als deser de ynwendige schoenheit der reynre conciencien ontogen wort end versumet te merken, wat si is, volget si de voetstappen der cudden. Dat is der veeliker menschen, de [lees: die] na harre beestlicheit leuen.

Navolginghe Ons Heren Jhesu Cristi ed. 1954 (XVA)

  • 121 (Boek III, hoofdstuk 12, regel 17). Stichtelijk prozatraktaat. Nochtan en verstaen sijs niet van dronckenscap ende van blintheit, mer als stomme beesten lopen si in den doot hore sielen om een luttel wellusten des ghebrecliken levens.
  • 133 (Boek III, hoofdstuk 23, regel 20). Ende vecht starckelike voer mi, ende uutvechte die quade beesten, die onsuver begheerlicheden.
  • 164 (Boek III, hoofdstuk 53, regel 9). Mer die sijn hert also gefondeert hevet van allen dinghen, dat sieke gemoede en begrijpt dat niet noch die beestelike menschen en kennen niet die vryheit des inwendighen menschen.

Sint-Patricius’ Vagevuur ed. 1919 (circa 1450)

  • Stichtelijk prozatraktaat. Die grote patricius, die men seecht den anderen na den apostel Sunte pauwels, doe hi dat woert gades predicten in ijrlant ende veel myrakelen daer dede, soe pijnden hi om die beestelicke herten der menschen te trecken vanden sunden mitten anxte der pinen der hellen, ende mitter belaeften der blijtscoppen des paradijs vast te maken in goede werken. Want die dit vertelden, die seide dat hi dat volc ondervant beestelic te wesen.
  • Ende doe hi [Adam] in ongehorsamheit gevallen was van dus groter zalicheit, soe verloes hi oeck dat licht sijnre ghedachten, daer mede hi verlucht was. Ende daer om doe hi in eren was ende dat niet en verstont, soe was hi gherekent mitten onwisen beesten ende wart hem ghelick.

Handschrift-Jan Phillipsz. ed. 1995 (circa 1473-circa 1481)

  • 63 (nr. 40, verzen 46-47). Astrologisch gedicht. Over ‘die scutter’ (Sagittarius) die bovenaan mens en beneden beest is en de zon doet dalen: Ende leert ons dat sy alle dwalen / die menschen sijn ende beestelic leuen.
  • 117 (nr. 107, vers 47). Vroed rederijkersrefrein. Wat de duivel het meest verdrijft: Geen sonde dootlic in ons doot comen te sijnde een beest.

Drie blinde danssen ed. 1955 (1482)

  • 97. Moraliserend prozatraktaat. Acteur, in verband met hebzuchtige personen: Och lasen het is een beestelic leuen.

Tvoyage van Mher Joos van Ghistele ed. 1998 (circa 1490)

  • 17 (boek I, hoofdstuk 4). Reisverslag. Over het huwelijksritueel bij de mohammedanen: (…) met meer anderen onabelen ende beestelicken serimonien, hier achter ghelaten te scrivene.
  • 24 (boek I, hoofdstuk 4). Over Mohammeds visie op het Paradijs: (…) ende vele meer andere diverssche sotte ende beestelicke redenen stelt hij in zijne boucken, te lanc om sciven (lees: scriven).

Wesseling ed. 1993 (XVB)

  • 118 (Psalm 37, 5). Middelnederlandse vertaling van een boetepsalm: ende myn beestelic [sic] is te bouen ghegaen die redelicheit ende heeft my neder gedruct als of ic onder eenen swaren last laghe.

Elckerlijc ed. 1979 (XVd)

  • 4 (verzen 26-28). Moraliteit. God over de zondige mens: Want liet ic dye werelt dus langhe staen / in deser leven, in deser tempeesten, / tvolc souden werden argher dan beesten.
  • 6 (verzen 59-60). De Dood over Elckerlijc: hi leeft so beestelic / buten Gods vreese ende alte vleeselick.

Jan van Beverley ed. 1903 (XVIa)

  • 26. Volksboek. De penitentie die de zondige hoofdpersoon zichzelf oplegt: Dat ick sal cruypen als een dier / op handen op voeten als een beeste.
  • 31. Idem: Ic hebbe ghegaen als een beeste / op handen op voeten wel seven iaer.

Wesseling ed. 1993 (XVIa)

  • 128 (Psalm 101, 5). Middelnederlandse vertaling van een boetepsalm: Want mijn redelicheit van binnen heeft al onder ghewelt ende heeft ghehoersam geweest der beestelicheden van buten.
  • 128 (Psalm 101, 8-9). Idem. Ick bleef in mijn huus ende mijn camer ende meende mijn beestelicheit onder mijn redelicheit te doen. Die mijn vrienden plaghen te wesen in mijn beestelick leuen ende die mi plaghen te prisen, die begonden mi quade smadelike woerden te gheuen.

Maria hoedeken ed. 1920 (1509)

  • 13 (vers 233). Rederijkersspel. Inwendeghe Wroughynghe over de zondige mensen: Ondancbaerder vele / dan beesten of honden.

Uure vander Doot ed. 1944 (circa 1516)

  • 128 (verzen 1456-1457). Strofisch rederijkersgedicht. Ghi ghierighe menschen weerlijck gheestelijck / sonder ontfermen leuende beestelijck.

Robrecht die duvele ed. 1980 (1516)

  • 110 (regels 1243-1244). Gedrukte prozaroman. Robrecht leefde seven jaer gelijc een wilt man, sonder spreken gelijc een stomme beeste. Uit de context wordt duidelijk dat dit gebeurde als boete voor zondig gedrag.

Broeder Russche ed. 1950 (circa 1520)

  • 4. Volksboek. De monniken in een klooster geven zich over aan gula, luxuria, verkwisting en gebrek aan naastenliefde: aldus leefden si sonder regel als beesten dye sonder verstant sijn.
  • 14. Russche over diezelfde monniken: Ende leuen als beesten sonder tomen.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 209 (nr. 105, vers 32). Vroed rederijkersrefrein. Nabugodonosor ontzag God niet en werd daarvoor gestraft: waer om hy seuen iaer ghinck als een beeste.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 67 (nr. 166, verzen 110-112). Vroed rederijkersrefrein. Over de zondige mensheid: die waren gemoueert / tot dolinghe nae der beesten seden / duer Adams ouertreden.

Bijns ed. 1875 (1528)

  • 13 (boek I, refrein 4, strofe c, vers 12). Vroed rederijkersrefrein. Waarschuwing om de leer van Luther te vermijden: Elc scou dees dwalinge, leeft niet als een beeste.
  • 68 (boek I, refrein 18, strofe a, verzen 4-6). Vroed rederijkersrefrein. Waer de lutherianen comen ter feesten, / sij roepen al den geest, maer leven als beesten, / contrarie God en der heyliger kercken.
  • 75 (boek I, refrein 19, strofe g, vers 7). Vroed rederijkersrefrein. Over de lutheranen: Sij verachten Gods wet, sij leven als beesten.
  • 83 (boek I, refrein 22, strofe d, vers 3). Vroed rederijkersrefrein. Over Luther: Die eens waren geestelijc, maect hij beestelijc.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 169 (nr. 44, strofe e, verzen 10-12). Vroed rederijkersrefrein. Hebic van eerdtscher weelden te vele gesopen, / levende beestelijck, / wilt mijn herte met uwer gratien noopen.
  • 286 (nr. 78, strofe d, verzen 1-2). Vroed rederijkersrefrein. Nabugodonosor, als beeste bedeghen, / heeft duer penitentie verstandt ghecreghen.
  • 334 (nr. 91, strofe w, vers 2). Vroed rederijkersgedicht. Beestelijc zondaren vallen wij clachtich.
  • 342 (nr. 93, strofe f, vers 4). Vroed rederijkersrefrein. Elc sondich beestelijc dier.

Zeuen bloetsturtynghen ed. 1920 (1530)

  • 457 (verzen 166-167). Rederijkersspel, tafelspel. De koning mag eten en drinken sonder ghulsich zynde te gheenen keere / als beesten diet vutworppen.

Wynghaert ed. 1920 (1534)

  • 516 (vers 637). Rederijkersspel. Die als noch jn sonden leuen ghelyc als beesten.

Aluta ed. 1995 (1535)

  • 82-83 (verzen 343-346). Neolatijnse schoolkomedie. Quid foedius quam promere, / quo inebrient se reprobi / reddantque mentis impotes. / Immo ex hominibus bestias? (Een schurk is wie te drinken geeft / aan wie geen cent te makken heeft. / Want hij wordt in zijn geest geraakt, / ja van een mens een beest gemaakt).

Loo: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 524 (vers 292). Rederijkersspel. Staervende Mensche zegt: Zo ben ic weder duer tleven beestelic.

Bijns ed. 1875 (1548)

  • 138 (boek II, refrein 10, strofe h, verzen 15-16). Vroed rederijkersrefrein. Over de lutheranen: sij lesen de scriftuere, ghelijck als Beerte / den souter las, duer haer beestelijck pleghen. Wie was die Beerte?
  • 151 (boek II, refrein 15, strofe d, verzen 9-13). Vroed rederijkersrefrein. In verband met de actuele wantoestanden in de maatschappij, vooral met de corrupte justitie: Om dat justitie moet inden torfhoeck woonen, / want twee die een ghelijck feyt hebben bedreven, / deen gaet vrij, mach hij wel duymcruyt toonen, / en dander moet sterven, mach hij niet gheven / (hoe coemt dat de menschen dus beestelijck leven?).
  • 167 (boek II, refrein XIX, strofe d, vers 14). Vroed rederijkersrefrein. Over Luther die den menschen leert een beestelijck leven.

Der Sotten Schip ed. 1981 (1548)

  • o1v (hoofdstuk 47). Moraliserend prozatraktaat. Die hier in welden als beesten leuen / sullen int eynde van vreesen beuen.
  • x1v-x2r (hoofdstuk 76). Want vele lieden beestelick levende / en dromen noch en dencken niet dan om leckerlic te leuen.
  • C2v (hoofdstuk 105). Vanden gulsighen menschen die beestelijc leuen / is voor genoech ghesproken gheweest.
  • E2r (hoofdstuk 112). Dus edele siele nae die goddelijc beelde / van gode ghemaect vliet beestelijcke weelde.

Bijns ed. 1902 (XVIA)

  • 219 (nr. 2, strofe B, vers 9). Vroed rederijkersrefrein. Over de lutheranen: Elc wilt sonder wet leven, al waert een beeste.
  • 256 (nr. 14, strofe B, verzen 7-9). Vroed rederijkersrefrein. Over gulzigheid: Sinlike scientie en wysheyt ghevelt es, / in hem die tot ghulsicheden ghehelt es, / schynende bat beeste dan mensche ient.

Werck der Apostolen ed. 1903 (XVIA)

  • 318 (verzen 3-4). Rederijkersspel. Valsch Propheet tot Schoon Ypocrijt: Wi twee hebben de waerheyt aen tcruyce geknocht. / Wie soude dan moghen ons beestelicheyt crancken.

Rijckeman ed. 1941 (1550)

  • 197 (vers 617). Rederijkersspel. Een neefke raadt Rijckeman aan zijn geweten te sussen en te denken dat God zich niets van de mensen aantrekt: Hij zal ’t niet aanschouwen, al leefd’ ick als een beest.

Vanden .X. Esels ed. 1946 (1558)

  • 4 (regels 47-48). Volksboek. Over de quade en beestelijcke manieren der mannen.
  • 38 (regels 18-20). Maer wanneer hy sinen buyck gheuult heeft met eten ende drincken / ende is vol en droncken ghelijckerwijs als een beeste.

Meestal die om paijs roepen ed. 1941 (1559)

  • 36 (vers 132). Rederijkersspel. Uw loze praktijken, uw leven beestelijk.

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 39 (fol. 335v, verzen 14-17). Vroede rederijkerslyriek. Tot de gulzigaard: Hoort wat ons een heydensch philosophe leert / tes wel een beeste zeght hy tdien stonde / de ghuene die de wille volght van zynen monde.
  • 40 (fol. 336r, verzen 12-13). Idem. Wacht dat huwe herten niet worden bezwaert / met ghulsicheyt en dronckaerts beesteghen aert.
  • 40 (fol. 336v, verzen 11-12). Vroede rederijkerslyriek. Over de dronkaards: huwer gheesteghe vyf zinnen beestelick ontleidt.
  • 40 (fol. 336v, vers 17). Idem. Beesten zonder name inder eerden ghescreuen.
  • 45 (fol. 339r, verzen 17-19). Vroede rederijkerslyriek, over dronkenschap: Pyttacus Mytilenus een vanden zeuen wysen / van griecken willende dronckenschap mesprysen / die beesteghe conditie.
  • 58 (fol. 347r, vers 18). Vroed rederijkersrefrein over dronkaards: van spyte zy beestich in deerdsche braecken braecken.
  • 68 (fol. 353r, vers 10). Vroed rederijkersrefrein over dronkaards: ghulpende tulpende beestelick versmoort.
  • 148 (fol. 402v, verzen 7-8). Vroede rederijkerslyriek. Wilt hu niet beestich tooghen / in welcken es gheen verstandt. Bedoeld is: tegenover God.

Der Fielen Vocabulaer ed. 1914 (1563)

  • 61. Volksboek. Dronckaerts die haer goet onnuttelijc verdrincken, haer leven corten, ende haer werck versuymen, dese zijn argher dan beesten, die boven haer natuere niet en drincken.

Meestal verjaecht Neering ed. 1941 (circa 1564)

  • 78 (vers 72). Rederijkersspel. Neering tot Meest Al over uw ongestadige zinnen, uw leven beestelijk.

Cooren ed. 1985 (1565)

  • 45 (verzen 224-225). Rederijkersspel. Het Cooren over de korenopkopers en hun hebzucht: Maer dees groote catten, die elcxs als een beest / nimmermeer te versaen zijn.

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 295 (boek III, refrein 22, strofe d, verzen 1-2). Vroed rederijkersrefrein. Besnijt u selven, ghij vrecke eerdige beesten, / die de arme plucken en inde eerde delven ghelt.
  • 357 (boek III, refrein 39, strofe f, vers 13). Vroed rederijkersrefrein. Al heb ic onredelijc geleeft als een beeste.
  • 408 (boek III, refrein 55, strofe d, verzen 1-2). Vroed rederijkersrefrein. Dat tvolc nu alomme dus ongevreest leeft, / compt door valsche opinie, diese verbeest heeft. Kritiek op de lutheranen.
  • 414 (boek III, refrein 56, strofe d, verzen 1-3). Vroed rederijkersrefrein. Het menschelijc geslachte is schier dommer jaet / dan de beesten, want so lang so crommer gaet / elckerlijc, recht oft wij God verachten.

Meij ed. 1996 (vóór 1568)

  • 59r (verzen 692-693). Rederijkersspel. Onbedochte Jonckheijt zegt: mijn leven was arger dan een beest / doen ick was bij sondige conversacij.

Goetheijt, Lijefde en Eendracht ed. 1994 (1579)

  • 164r (verzen 1436-1439). Rederijkersspel. Tweede Buerman zegt: Nabuchodonosor die met zijn tanden / seven jaer gras at, gelijck als een beest, / doen hij godt aenriep quam hij weer in sijn landen / en werden oick coninck als hij oick oijt hadt geweest.

De Bruyne I ed. 1879 (1579-83)

  • 98 (refrein 22, strofe 2, verzen 11-12). Vroed rederijkersrefrein. Over de onrechtvaardige koopman: den beesten gelyc levende op de crucke / des vergancklycheyts: ten mach niet blyven staen.

De Bruyne III ed. 1881 (1579-83)

  • 20 (refrein 93, strofe 2, verzen 11-12). Vroed rederijkersrefrein. Daer om en laet ons niet wesen als een beest / sonder geloove, als de Capharnieten bevonden.
  • 27 (refrein 95, strofe 1, verzen 5-6). Vroed rederijkersrefrein. Veel menschen die triompheren gesondelyck / die in sonden leven als beesten hondelyck.

Verlooren Zoone ed. 1941 (1583)

  • 120 (verzen 708-709). Rederijkersspel. Het sinneke Quaden Wille zal de Verloren Zoon verleiden tot drankzucht: Dat hy hem dryncken sal, voor minste ende meeste / als onredelicke beeste.
  • 167 (verzen 186-188). Nempt met u Nabugodonozor, zonder te bevene, / die de jaren zevene, als onredelicke beeste / leefde ten foreeste. Als straf voor zijn hoogmoed.
  • 168 (verzen 212-214). De Psalmist zegt naar verluidt: Den mensche voortyts zynde in eeren / en heeft gheen verstant ghehadt in zyn doen blyckelick, / maer es den onredelicke beesten ghelyckelick.
  • 168 (verzen 222-223). Een sinneke over de Verloren Zoon: Nu moet hy hem houden ten wilden foreeste / als onredelicke beeste.

Coninck Proetus Abantus ed. 1992 (1589)

  • 8r (verzen 28-29). Rederijkersspel. Over de drie dochters van koning Proetus Abantus die in beesten veranderden tsijn vreemde maeren / door haer quaet leven twelck elcken most mishaegen. In verzen 25-35 wordt dit ‘kwaad leven’ dan geassocieerd met hovaardij, nijd en ongehoorzaamheid aan de vader.
  • 8v (verzen 70-73). Al schijnt dit een fabel en niet autentijckelijck / nochtans machmen hier geestelijck door leeren / hoe dat hem elck van sonden tot deucht moet bekeeren / indien hij niet wil in beestelijckheijt verstijven. In de verzen 74-84 wordt deze ‘beestigheid’ dan verbonden aan dronkenschap, hoereren, hovaardij en andere zonden.
  • 11r (verzen 355-361). Over de hovaardij en rebellie van de drie dochters: want ghij noch dus voortgaet ick moettet u verclaeren / so salmen haest een beestelickheijt aen u sien openbaren / als eertijts aan Coninck Proetus dochters is gebleecken / die door haer hovardije en rebellige treecken / van Juno worden verandert in koeijen / dies sij int velt als beesten liepen loeijen.
  • 11v (verzen 374-376). Idem: als coninnck Proetus dochters hebben gedaen / die door haar beestelijcke schenisse / gecomen sijn tot der sonden kennisse.
  • 12r (verzen 440-443). Idem: Beestelijck so haer natuere bewijst / leven sij sonder regel of mate / versmadende d’edelheijt van state / daer vileijnich leven causij aff sij.
  • 16r (verzen 861-865). Idem: van Juno dat sij so diffameerden / den staet der deuchten en hem regeerden / in sonden daerom sijn sij vervloeckt / elck in een beest dat geen eer en soeckt / want tis al beestelijck wat sij bedrijven.
  • 17r (verzen 987-993). Idem: Diet niet en ondersoeckt / oft goet oft quaet is dat sij hantieren / die verkeren in beestelijcke manieren / daer Juno de maledictie aff geeft. / Die contrarij der deuchden beestelijck leeft / sijn leven compt selden ten goeden ende.
  • 17v (verzen 1024-1027). Over de Nijd: Dats een quae beestelijcke forme / want Circe vrou der Jitaliaenscher zee / dede Ulisses boden tot haeren wee / bij nijdicheijt in verckens en honden verkeeren.
  • 19v (verzen 1215-1225). Over het leven in zonden: Maer waer salmense leijen? / Ter fonteijnen van kennisse / daer mach haer beestelijckheijt ontsincken. / Ter fonteijnen… / Jae daer moeten sij drincken / waeter der berou met penitencije / so comen sij ter menschelijcker obidientie / laetende haer beestelijck leven onreijn.
  • 20v (verzen 1303-1309). Over de Nijd: peijnst hoe nijdicheijt heeft tondergebracht / Lichaon tirannich vol ongenaden / die den ephesiaen deden braden / des werdt hij in een wolff verkeert / dus is u menschelijckheijt oock onteert / en sijt beestelijck geworden te saemen / door u Nijdicheijt.
  • 21v (verzen 1401-1404). Inden stoel van eeren sult ghij gestelt sijn / als Nabugodonosor die beestelijck liep / inder woestijnen tot dat hem riep / den voijs der overster majesteijt.
  • 23r (verzen 1553-1554). Eén van de dochters zegt: dies ick als een ondanckbaer beest ben geraeckt / inden affgront der sonden door mijn hovaerdicheijt.
  • 23r (vers 1582). Een andere dochter zegt: mijn beestelijck leven in sonden verstijfft.

Ghenaede Goodts ed. 1996 (vóór 1598)

  • 173r (verzen 821-823). Rederijkersspel. Des Gheests Inspiratie over de hoogmoed van Nabugodonosor: Maduchodonosor [sic] verblent wouden geert [lees: geern?] sijn als die meeste / maer godt verneerden hem met alsulck torment / dat hij in elent seven jaer gras at als een beeste.

Minckijsers ed. 1992 (XVIB)

  • 114r (vers 815). Rederijkersspel. Volck wordt door Goet Ingeven beschuldigd verblind te volharden in zonden. Daarom is hij die aldersnootste slimste (kwaadste) beeste der aerden.

Avont, Nacht ende Morgenstont ed. 1992 (XVIB)

  • 40v (vers 525). Rederijkersspel. Ipocrijsie over Nabogodonosor: so dat hij seven jaeren liep als een beest gelijck.

Die Propheet Jonas ed. 1993 (XVIB)

  • 56r (verzen 844-846). Rederijkersspel. Hooch Geacht Voor Die Werrelt tot God: niet als schaepen hebben wij gaen dwaelen / maer als wilde beesten getiert daer mee wij haelen / vrij sonder faelen u gramschap niet slecht.

Vruechde en Vreetsaemichghe Liefde ed. 1998 (XVIB)

  • 14v (vers 935). Rederijkersspel. Al leevet volck vrolick gheveijnst en beestelick.

 

1b De zondige mens is erger dan een beest (waarbij beest = positief)

 

Sidrac ed. 1936 (circa 1320)

  • 62 (vraag 48). Artestekst. Die goet noch quaet en doet hy leit leven van beesten ende arger dan beesten, want hadde de beeste verstannesse in hare sy soude goet doen; entie sonde doet hy doet quaet ende de tgoede laet te doene hy doet sonde.

Nieuwe doctrinael ed. 1915 (XIV)

  • 245 (verzen 1414-1418). Stichtelijk rijmtraktaat. Naar aanleiding van Gulzigheid, meer bepaald te veel eten en drinken: Soe wel den beesten, die water drincken, / want si nature niet en vermincken, / die God in hem ierst brochte; / mer die mensch set sijn ghedochte / alleene om te sine versaet.

Hildegaersberch ed. 1981 (circa 1400)

  • 6-7 (nr. IV, verzen 50-74). Leerdicht. Nu wort die mens meer ontweget / dan wilde dier of ander beest; / want menschen hebben sullic volleest / in hoeren redelikene sinnen, / dat si doecht ende archeit kennen: / dat en is den beesten niet bevolen. / Nochtan leven si sonder dolen / recht als hoer natuer bewijst. / Wanneer hem dat lichaem is gespijst / van des si vynden opter eerden, / soe en isser geen die anders geerden / dan elc te rusten sinen tijt, / tot dattet honger weder lijdt / of dorst, die bi naturen coemt. / Nu wil die mensche sijn genoemt / redelijc, alst wel betaemt, / die hem bi tiden luttle scaemt, / dat hi boven reden leeft, / oec wat hem natuer geeft. / Si keren die hoer redelicheit / in overvloedich ombesceit, / dat nergent maet en helt no reden; / in gulsicheit ende in bosen seden / breken si hoers selfs natuere / ende Gods gebot ter meniger ure.

 

1c Beest (vee) = de zondige, onkuise mens

 

De Civitate Dei ed. 2014 (412-426)

  • 575-576 (boek XII, hoofdstuk 22). Stichtelijk prozatraktaat, Latijn. Met de mens deed Hij anders. Hij schiep hem met een natuur die om zo te zeggen het midden hield tussen de engelen en de dieren. Indien deze mens zijn Schepper als zijn werkelijke Meester onderdanig zou zijn en zij gebod in vrome gehoorzaamheid in acht zou nemen, zou hij tot het gezelschap der engelen overgaan en zonder eerst te sterven de zalige onsterfelijkheid, die geen einde zou nemen, verkrijgen. Indien hij echter de Heer zijn God met vrije wil in hoogmoed en ongehoorzaamheid zou beledigen, zou hij, tot de dood veroordeeld, een leven leiden als een dier; hij zou de slaaf zijn van zijn lusten en na zijn dood bestemd zijn voor een eeuwige bestraffing.

De consolatione philosophiae ed. 1990 (1524)

  • 120 (boek III, 7p). Filosofisch traktaat, Latijn. Vrouw Filosofie erg negatief over zinnelijk genot: Als het in staat is mensen gelukkig te maken, is er geen enkele reden om niet ook het vee in de wei gelukkig te achten, dat maar op één ding uit is: het gat in het lijf te dichten.

Legenda aurea II ed. 1993 (circa 1260)

  • 255 (hoofdstuk 157). Stichtelijk prozatraktaat, verzameling heiligenlevens, Latijn. Chrysanthus, however, prayed God not to let him be overwhelmed by that wild beast, namely, carnal concupiscence.

Spiegel Historiael I ed. 1982 (circa 1285)

  • 38 (I Partie, Boek I, hoofdstuk 35, verzen 7-13). Didactisch rijmtraktaat. In Indien, Ethyopen, Persen mede, / sijn lande van groter moghenthede, / bi na ghelijc den Roemschen rike, / die leveden so beestelike, / dat si haerre moeder namen te wive, / ja die dochtren van haren live, / ende haerre oudermoeder mede.

Fasciculus morum ed. 1989 (XIVa)

  • 714-715 (pars VII, cap. xix, regels 11-13). Latijns hoofdzondentraktaat. Naar aanleiding van de gezellen van Odysseus die in dieren veranderd werden. Alleen dankzij een van Mercurius gekregen bloem ontsnapt Odysseus hieraan: Morally interpreted this flower can be said to represent virginity; people who do not have it often become like animals (fiunt frequenter bestiales) through unlawful thoughts, words, and deeds.

Sidrac ed. 1936 (circa 1320)

  • 118 (paragraaf 161, regels 13-19). Artestekst. Ende die lichamelike ghenoechte van der werelt dats ene maniere van beesten die hem niet en hoeden no scamen alsi sijn met haren wive, maer dat hare wille sy ghedaen soe duncket hem al goet. Wet dat dit es quade ghenoechte ende verlies der zielen ende des lichamen: die dit doet leit sijn leven alse een beeste ende hy doet teghen tgebod sijns sceppers.

Dat Rijcke der Ghelieven ed. 1978 (circa 1330)

  • 68-70. Mystiek prozatraktaat (Ruusbroec). Over drie soorten mensen die openbaar in doodzonde leven: Die derde dat sijn die traghe ende gulsighe ende die oncuysche menschen, die volghen hare ghelost ghelijc den beesten ende sijn plomp ende grof ende onvercleert van goddelijcken lichte.

De Spiritualibus Ascensionibus ed. 1988 (XIVB)

  • 300 (hoofdstuk 57). Stichtelijk prozatraktaat, Latijn. You must order your ascent, second, toward conquering lust. It also has its seat in the concupiscent forces. Anyone completely possessed by it will not be able to ascend in his heart, but will rather rot in his own dung like a beast.
  • 301 (hoofdstuk 57). Over onkuisheid: Thus, the more you fill your heart with fear, concern, and remorse, the less you are tempted. This is why during sleep, whent he soul’s powers are at rest, this beast rises up all the more.

Tafel vanden Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 150 (Winterstuc, hoofdstuk 23, regels 40-41). Theologisch compendium. Over de gevolgen van de Erfzonde voor de mens: also dat hi sijn kinder wan in beestliker ghenuechten.
  • 225 (Winterstuc, hoofdstuk 32, regels 538-539). De ‘zonde tegen de natuur’: si gluyet dat vier ende verwandelt den mensch boven beesteliker naturen, also dat een mensche diese doet, en is niet waerdich inder aerden te vulen, noch inder galge te drogen.

Middelnederlandse Boerden ed. 1957 (circa 1405-08)

  • 62 (nr. XI, verzen 11-14). De boerde ‘Dits vanden tanden’. Een ruiter ontdekt een copulerende begijn en beggaard: In wiste niet wat beesten het waren; / der weert namic minen vaert. / Ene baghine sagic haer baren [vertonen] / ende op hare enen bogaert. Het betreft hier slechts een vluchtige associatie met beesten.

Der Minnen Loep II ed. 1846 (1411-12)

  • 6 (Boek III, vers 153). Berijme ars amandi. De tweede categorie van ‘ongeoorloofde minne’ (bestialiteit): Want het is een beestelic leven.
  • 10 (Boek III, verzen 244-246). Over de heidenen en hun bestialiteit: Want si sijn doch beestelic, / ende van beesten moetmen wael / spreken beestelike tael.

Boeck vander Voirsienicheit Godes ed. 1930 (circa 1410-20)

  • 170 (regels 8-11). Stichtelijk prozatraktaat. Over de onkuise zondaars in de hel: Hoer omhelsen, hoer cussen ende hoer onsuuer ende oncuuske tastinghe ende handelinghe ende ander menighe lelike ende beestelike wisen werden verwandelt in onlidelike pine.
  • 184 (regels 6-10 / 17-22). Och hoe salich is die mensche die hem te tyde van deser beesteliker, onreynen ende corte ghenoechte wachtet want voirwaer, oncuyscheit verderuet den menschen in dit leuen ende verdoemtse hier na ewelike. (…) Si dodet die siele ende maect van een redelic mensche een beeste. Ia, menich mensche is onreynre dan een beeste. Want ghien dier en begheert mit sinen gade te menghen nae dattet vrucht ontfanghen heuet dan allen die meerien paerden ende die menschen.

Navolginghe Ons Heren Jhesu Cristi ed. 1954 (XVA)

  • 172 (Boek III, hoofdstuk 58, regel 23). Stichtelijk prozatraktaat. Daer om so moeten die vleyschelike ende beestelike mensen swigen vanden staet der heiligen te spreken.

Drie blinde danssen ed. 1955 (1482)

  • 27. Moraliserend prozatraktaat. Acteur, naar aanleiding van het dwaze gedrag van verliefden en wellustelingen: Och wat beesteliker leuen.

Leven van Liedwy ed. 1994 (XVd)

  • 64-66 (hoofdstuk 24). Stichtelijke prozatekst, heiligenleven. Soldaten van Filips de Goede komen ‘s nachts Liedwy in Schiedam bespotten en mishandelen: Daer na begonnen sij smadelike te sprekene toter heilegher maghet ende sieden, dat sij des nachts gulselijc plach te hoveren ende also oncuuschelijc te leven ende dat sij XIIII kinderen hadde ghewonnen. Ende sonderlinghe die ghene die de kerse hielt die seide, dat sy een beeste was.

Der Byen Boeck ed. 1990 (XV)

  • 85 (deel II, hoofdstuk 11, regels 31-34). Stichtelijk prozatraktaat. Twe walluste des smakens ende des rustens sint ghemene den menschen ende den beesten ende hijr omme sal men de menschen onder de beesten tellen de em beestlike to den wallusten gheuen.

Wesseling ed. 1993 (XVIa)

  • 126 (Psalm 6, 4). Middelnederlandse vertaling van een boetepsalm: Mine genoechte des vleysch gaet bouen. Hoe langhe sal mijn beestelicheit bouen gaen bouen mijn ziele.

Vigelie ed. 1920 (1526/27)

  • 81 (vers 154). Rederijkersklucht. Wyf tot haar knecht Cnape: Jae lieue bloote beeste. Nergens wordt duidelijk dat de vrouw met haar knecht copuleert (uit wraak omdat haar man seks weigerde). Het wordt echter wel metaforisch gesuggereerd, onder meer in dit vers: waarom is het namelijk een bloot beest? Verder geeft zij de knaap geld en een stuk vlees (!). De term ‘beest’ fungeert hier dus wel in een erotische context, maar is toch eerder positief bedoeld, als troetelnaam: ‘Lieve jongen’.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 191 (nr. 51, strofe a, verzen 4-5). Vroed rederijkersrefrein over de gevaren van de liefde, meer bepaald over mannen die zich wellustig gedragen: Die in groene foreestkens loopen wildekens, / onbedwongen als beestkens tot vruechden gewent sijn.

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 156 (nr. 83, vers 58). Vroed rederijkersrefrein. Een hoer wordt aangespoord tot beter leven: Keertomme roepic, noch leeft niet als beesten.

Asotus Evangelicus ed. 1988 (1537)

  • 168 (verzen 623-630). Neolatijns Bijbeldrama over de Verloren Zoon. Het koor zingt: Vana est iuventus et vaga, / salax, petulca, lubrica. / A pecude, ni coerceas, / post paululum nil differet. / Sola est voluptas cui studet, / sola est libido quam cupit; / scortari, inebriarier / noctes diesque nititur (Verwaand en verward is de jeugd, / stoeis, stoots en labiel. / Als men haar geen grenzen stelt, / is zij weldra als een beest. / Alleen naar genot gaat haar aandacht, / alleen naar wellust haar verlangen, / hoereren en zich bezatten / is haar streven dag en nacht).
  • 192 (verzen 1139-1144). Asotus pleit voor wellust: Quorsum enim os, ventrem et alia / haec corporis natura membra condidit, / si non sub hac aetate iis fruendum erat? / Frondescit omne nemus, volucres incubant / ovis, pecus lascivit et solus homo erit / solatii exors atque laetitiae? Absit (Waartoe immers heeft de natuur ons / een mond, een buik en andere lichaamsdelen verleend / als we daar op onze leeftijd niet van mogen genieten? / Elk woud krijgt loof, vogels broeden op hun / eieren, het vee is dartel en alleen de mens zal / geen deel hebben aan vertroosting en blijdschap? Geen sprake van).

Verloren Sone ed. 1985 (1540)

  • C3v. Volksboek. De Verloren Zoon zit bij de zwijnen en vervloekt de onkuisheid en zijn slecht gezelschap: Om u leve ick ghelijc eender beesten.

Bijns ed. 1875 (1548)

  • 137 (boek II, refrein 10, strofe g, verzen 9-12). Vroed rederijkersrefrein. Over de losbandigheid der lutheranen: De papen trouwen wijven onghevreest,/ de gehuwde lien en maken gheen mentie, / al doen sij overspel, dus sijn sij verbeest; / ten is gheen sonde naer haer sententie.

Refreinen ed. 1950 (XVIb)

  • 54 (refrein IV, verzen 4-6). Vroed rederijkersrefrein. Over het huwelijk: Maer die daer versamen als beesten stuere / alleen om te blusschen haer vleesch en natuere, / over dese heeft macht den duyvel gevaemt.

Bijns ed. 1902 (XVIA)

  • 250 (nr. 11, strofe C, verzen 15-16). Vroed rederijkersrefrein. De rede moet de zinnelijkheid overwinnen: Gheneychtheyt der oncuysheyt es quaetst om keeren: / diese volcht, sprect David, leeft als een beeste.

sMenschen Gheest van tVleesch verleyt ed. 1953 (circa 1550)

  • 646 (vers 777). Rederijkersspel. De nae tvleesch leeft ghelyck een beeste.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 43 (fol. 172v, verzen 10-11). Vroed rederijkersrefrein. Wilt worden niet als beesten dies zonder verstandt / maer bewaert hu zeluen reyn ieghens tsvleeschs wederstoot.

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 132 (fol. 392v, verzen 30-32). Vroed rederijkersrefrein. Wilt niet worden als beesten zonder verstandt / doncuussche ouerspeilders zal in rechtueerdicheden / god den heere vonnessen ouer alle landt.

Groote hel ed. 1996 (1564/65?)

  • 20v (verzen 139-140). Rederijkersspel. Dese Musijckers die den hoerhuijsen verstercken / en leven als beesten, dees suldij doer dringen. Zie ook Groote hel ed. 1934: 22 (verzen 129-130).

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 363 (boek III, refrein 41, strofe d, verzen 8-9). Vroed rederijkersrefrein. Spelen en singen alomme inde feeste / is svleesch begeerte, te leven als een beeste.
  • 386 (boek III, refrein 47, strofe e, verzen 11-12). Vroed rederijkersrefrein. De Geest wert verdruct, wanneer tvleesch vercrilt, / en dan leeft de mensch gelijc een beeste.
  • 427 (boek III, refrein 60, strofe b, verzen 15-16). Vroed rederijkersrefrein. Ons vleesch begeerlijckheyt strijt ons ooc teghen, / die den relijcken geest wil maken beestelijck.

De Bruyne I ed. 1879 (1579-83)

  • 134 (refrein 31, strofe 2, vers 14). Vroed rederijkersrefrein. De wellustige zondaar over zichzelf: liggende als een beeste, een aencleven pier.

De oude Tobias ed. 1993 (XVIB)

  • 95r (verzen 838-840). Rederijkersspel. De engel Raphael zegt: Ick sal u seggen over wien den duijvel macht heeft / die hem dach en nacht geeft, onbevreest vroet . sijn wellusticheijt te plegen als een beest doet.

 

2 Beest = een hoofdzonde, een ondeugd of de ijdele wereld

 

Orloy der Ewigher Wysheit ed. 1926 (XIV)

  • 154 (regels 12-14). Stichtelijk prozatraktaat. Over de bedrieglijke wereld: O quade beeste, o bloedeghe beeste, nu stoetti wredelike dien ghi zoeteliken salvet ende werpten wredelike onder u dien ghi zoe sachtelike op hieft. Wereld.

De Spiritualibus Ascensionibus ed. 1988 (XIVB)

  • 253 (hoofdstuk 7). Stichtelijk prozatraktaat, Latijn. See what beasts are accustomed to mount your concupiscent power, be they gluttony, lust, or avarice. See what wild animals are transported by your irascible power, be it the lion of pride, or the dog of anger, or the basilisk of envy. Hoofdzonden.
  • 304 (hoofdstuk 62). Over luiheid: That you may recognize the nature of this beast, note that its impulses and agitation aim principally at two things, change of place and variation in the exercises.

Tafel van den Kersten Ghelove IIIa ed. 1938 (1404)

  • 43 (Somerstuc, hoofdstuk 3, regels 293-294 / 296-299). Theologisch compendium. Die wrede beesten, dat sijn die seven hooftsonden (…) als sijn dese: die lewe der hoverdicheit, die hont der nidicheit, die wolf des toorns, die esel der traecheit, die eghel der ghiericheit, die beer der gulsicheit, die swijn der oncuuscheit. Hoofdzonden.

Maria Hoedeken ed. 1920 (1509)

  • 17 (vers 347). Rederijkersspel. Cleen Achterdyncken zegt, als de anderen in de herberg om vermaak vragen: Jaet, ziet daer, twee aardeghe beestkins / die meneghe feestkins maken ghestoort snel. / Deene heet Onghereghelt Voortstel, / acht myn woort wel der verclaerichede. / [Sober Regement:] Hoe heet dander? [Cleen Achterdyncken:] Ondancbaerichede. Het gaat blijkbaar om twee dobbelstenen met een allegorische betekenis: het zijn onruststokers die plezier snel doen veranderen in geruzie.

Triumphe ende ’t palleersel van den vrouwen ed. 1996 (1514)

  • 300 (verzen 19-20). Moraliserende kledingallegorie. Over Gula: Sijt altijd sober na mijn vermaen, / vliedende ghulsicheyt, die valsche beeste. Gula.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 229 (nr. 114, vers 11). Vroed rederijkersrefrein. De berouwvolle, zondige ik zegt: Aij wi diendic u werlt veninighe beeste. Wereld.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 243 (nr. 65, strofe a, verzen 1-3). Vroed rederijkersrefrein over de Nijd: O nijdt, alder wreedste beeste, ongenadich, / u scherpe tanden sijn onversadich; / letter iemandt es van u ongequetst bleven. Invidia.
  • 244 (nr. 65, strofe a, vers 21). Idem. De stokregel is: Nijdt es de alder mordadichste beeste. Invidia.
  • 244 (nr. 65, strofe b, vers 7). Idem. Over de Nijd: dese felle beeste heeft ooc Joseph geten. Invidia.

Van Vinckenroye ed. 1960 (vóór 1557)

  • 15 (nr. III, vers 23). Vroed rederijkersrefrein. Twy diende ick hu werrelt fenineghe beeste. Wereld.

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 7 (fol. 318r, vers 3). Vroede rederijkerslyriek. Over gramschap: daer gramschap es als een verwyfde beeste. Ira.

Hoecksteen ed. 1993 (XVIB)

  • 116r (vers 1130). Rederijkersspel. De H. Stephanus over ‘de werlt’: Eer dat mijn verwint dit verwoedich beest fel. Wereld.
  • 117v (verzen 1301-1302). Een Waerachtige Stemme Goods over ‘de werrelt’: Al ist dat doet dit beest verwoet / u lijden swaer met groot torment. Wereld.

 

3 Beest = de duivel of een duivels personage

 

Sancti Hieronymi Epistulae ed. 1991 (384)

  • 60-61 (Brief XXII, paragraaf 4). Latijnse brief. Our adversary the devil goeth about as a roaring lion seeking whom he may devour. David says: ‘Thou makest darkness and it is night; wherein all the beasts (bestiae) of the forest do creep forth’. Vergelijk Psalm 104 (103), 20.

De Spiritualibus Ascensionibus ed. 1988 (XIVB)

  • 263 (hoofdstuk 19). Stichtelijk prozatraktaat, Latijn. Then think how the demons will arrive expectantly, like beasts preparing to eat, looking to see if they can discover anything of their own in his soul and whether they might meet any impure spirits leaving it, in short, looking in it for their handiwork so they might drag him along to the depths of hell.

Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 146-147 (Winterstuc, hoofdstuk 22, regels 115-118). Theologisch compendium. Over de namen van de duivel: Iob hietem oec Behemoth, dat beduut een beest mit tanden, want altijt leit hi ende gheert te soeken of hi yemant vonde, dien hi verslinden mochte mit lijf ende mit ziel.

Tafel van den Kersten Ghelove III ed. 1938 (1404)

  • 525 (Somerstuc, hoofdstuk 43, regels 24-27). Theologisch compendium. De reus Goliath is een beeld van de duivel: Ende beteykent den bosen geest, die een wedersaec is onser sielen, die recht als een grymmende beest ons omgaet, soekende wien hi verslinden mach. Vergelijk 1 Petrus 5, 8.

Des Coninx Summe ed. 1907 (1408)

  • 460 (paragraaf 520). Stichtelijk prozatraktaat. Maagdelijkheid is een bloem met zes bladeren. Dat vijfte blat is scerpheit des levens. Want wie sijn maechdom bewaren wil, die moet sijn vleysch vermagheren ende settent onder die voet mit vasten, mit waken endemit werken. Scerpheit des levens is ghelike enen stercken tuyn om te bewaren dat hof des herten, datter die beesten niet in en comen, dat sijn die stercke vianden, die stelen willen die scat der maechdom.

Leven Ons Heren Ihesu Cristi ed. 1980 (1409)

  • 79 (hoofdstuk 15). Jezusleven. Naar aanleiding van de bekoringen van Jezus in de woestijn: Merct hier die goedertierenheit ende die verduldicheit ons Heren, dat hi hem liet draghen ende handelen van den wreden beeste, die na sinen bloede ende al sijnre vrienden dorstich was.

Spieghel der menscheliker behoudenesse ed. 1949 (circa 1410)

  • 187 (hoofdstuk 31, verzen 393-395). Stichtelijk rijmtraktaat. Over de zondaar die met genoegte zijn zonden beziet: Der hellen beesten ghemeenlijc / tempteren desen ende lecken, / zo dat zijne te zonden trecken.

Handschrift-Jan Phillipsz ed. 1995 (circa 1473-circa 1481)

  • 143 (nr. 119, verzen 37-38). Stichtelijke lyriek. Doe sach hij den duuel bij hem staen / ende sprac wat soecstu bloedige beest.

Sacramente vander Nyeuwervaert ed. 1955 (circa 1500)

  • 123 (vers 67). Rederijkersspel. Een duivel tot een andere duivel: Wech lelijcke beeste.

Uure vander Doot ed. 1944 (circa 1516)

  • 115 (verzen 1089-1090). Strofisch rederijkersgedicht. De ik-verteller tot God: En wilt den beesten niet gheuende voen / die sielen die lacen belijen dijns.

Antekerst ed. 1984 (1539)

  • C1v. Volksboek. Over de Antichrist, met verwijzing naar de Apocalyps: si sullen aenbeden die beeste dat is antekerst.
  • D1v. Idem: dan sal die beeste die vander hellen is opgeclommen dats Antekerst, die sal dootslaen ende verwinnen die boden gods.

Loo: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 523 (verzen 263-268). Rederijkersspel. Schriftuerlic Woordt zegt: Maer lacen, daerlic met Gods gramschap begoten, / werdt elc ghesloten ten putte beneden schier, / die teghen tlammekin heift ghestreden fier, / anghebeden hier in vleeschelic weilde / de Babylonische hoere en tbeilde / der felder beeste; dies eeuwigh int sneven qwaet.

Bijns ed. 1875 (1548)

  • 165 (boek II, refrein 18, strofe k, verzen 8-10). Vroed rederijkersrefrein. Over de lutheranen die ‘als gezworeren’ de beeste aenhanghen metten thien hoornen, / sijnde uuten poel van Wittenberghe ghesteghen. Luther wordt dus vergeleken met de apocalyptische draak.

Vreese des Heeren en Wijsheyt ed. 1968 (circa 1550)

  • 388 (verzen 638-639). Rederijkersspel. Sheylichs Geests Kennysse tot duivels: Wech ras van hier! Het teecken der beesten / hebt ghy ontfanghen, ghij slangen gebroet.

Testament Rhetoricael I ed. 1976 (1561)

  • 278 (fol. 150r, verzen 13-14). Rederijkerslyriek. De babylonsche beeste / hadde my gheern ingheslict.

De Bruyne I ed. 1879 (1579-83)

  • 15 (nr. 4, strofe d, vers 1). Vroed rederijkersrefrein. Al was ic van Babels beest bedrogen.

De Bruyne III ed. 1881 (1579-83)

  • 70 (nr. 104, strofe 3, verzen 3-4). Vroed rederijkersrefrein. Ick hoor u clagen wel dat aldermeeste / die gehoornde beeste u vervolcht obstinaet.
  • 144 (nr. 122, strofe 4, verzen 7-8). Vroed rederijkersrefrein. (…) de babeloensche beest, / dwelck Johannes bescheyft (lees: beschreyft) meest.

Ghenaede Goodts ed. 1996 (vóór 1598)

  • 170r (vers 593). Rederijkersspel. Een neefke wordt uitgescholden: Tfij onversadelick beest wat segdij daer.

Abrahams offerhande ed. 1992 (XVIB)

  • 50v (vers 144). Rederijkersspel. Lust om Weten noemt het sinneke Twijfel der Beloften die lelijcke beest.

De oude Tobias ed. 1993 (XVIB)

  • 97r (vers 1011). Rederijkersspel. Het ene sinneke tot het andere: ghij leelijcke beest, hout daer met u stoocken.

 

4 Beest = de Dood

 

Pas der Doot ed. 1936 (1528)

  • 65 (verzen 91-99). Moraliserend, strofisch rederijkersgedicht. Accident (Ongeval), een helper van de Dood, rijdt op een ‘beeste’: Accident was op een beeste rijende / onghenatuert van lijve ende van ooghen, /haer manen waren scherpe dagghen snijende / ende haer hoornen waren ghespannen boghen, / si hadde den stert als serpenten die vloeghen / om elcken te bederven dies onverhoets waren / ende die beene der beeste, dits ongheloghen, / waren gheesselen en sweerden die bebloet waren. / Noyt en deden schoon feyten die cleen gemoet waren. Zie voor een houtsnede met dat beest ibidem, p. 72.

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 233 (boek III, refrein 4, strofe a, verzen 1-2). Vroed rederijkersrefrein. O ongenadige doot, bloetgierige beeste, / ghij vernielet al dat leven heeft ontfaen.

 

5 Beest (vee) = domme, dwaze persoon

 

Robert Muchembled, De uitvinding van de moderne mens, Amsterdam, 1991, p. 37: ‘Het beest in de mens staat inwerkelijkheid voor domheid.’

 

Der leken spiegel III ed. 1848 (1325-30)

  • 147 (Boek III, hoofdstuk 14, verzen 5-6). Didactisch rijmtraktaat. Over het belang van literatuur: Want tfolc soude leven als vee, / en deedt die lettre, min no mee. Men zou immers alle kennis en voor het Oude en Nieuwe Testament vergeten.

Leven Ons Heren Ihesu Cristi ed. 1980 (1409)

  • 78 (hoofdstuk 15). Jezusleven. Jezus verkeerde met de beesten in de woestijn: In dien dat hi wandert mitten beesten, so leer du onder ander menschen oetmoedelijc te wanderen, ende ghelikelic te verdraghen die gheen die hem nochtan onredelic schinen te hebben.

Der Minnen Loep I ed. 1845 (1411-12)

  • 242 (Boek II, verzen 3253-3255). Berijmde ars amandi. Romanelle heeft zich verkleed als zot en zegt tot Paulina: Als ghi coemt daer tvolc is meest, / so sal ic, als een dom beest, / u bevaen in minen armen.

Mariken van Nieumegen ed. 1980 (circa 1516)

  • 67 (verzen 513-517). Mirakelspel. Mariken zegt: Maar rethorijke es boven al te prizene, / ’t es een gave van den Heiligen Geeste. / Al vijndt men menige onbekende [dwaze] beeste / die ze versteken, ’t es grote smerte / voor die ze beminnen.

Wellecomme van den predicaren ed. 1920 (1523)

  • 150 (verzen 103-104). Rederijkersspel. Brugghe (een vrouw) over de geleerde wijsheid van de dominicanen: Dyn wysheit es elcken om anveerden noot / want zonder dy zoude tvolc als beesten leuen.

Maria ghecompareirt byde stede van Jherusalem ed. 1920 (1527)

  • 370 (verzen 276-284). Rederijkersspel. Jeruzalem had zes poorten. De zesde heette de Poort van de Beesten: Poorta Gregis, omde beesteghe cudden / hiet de seste net jnt behaghen. / Want daer ghemeeneic de beesten laghen. / Dese bewyst spraecke tot den andren ghevoucht. / Dat de spraecke bewaert zy Gode ghenoucht. / Want menich meinsche onredelic daer jn leift. / Maria en heift jn huer spraecke noynt ghesneift. / Want maer vier waerfuen men by huer ghesproken vynt / jn de scriftuere.

Int Paradijs van  Venus ed. 1981 (circa 1530)

  • Z. p. Volksboek. O minne minne wat condi maken va(n) een redelic me(n)sche een beeste sonder reden, niet willende gheregert noch gherade(n) zij(n). Is dit niet wel ee(n) groote dwaesheit ic soude segghen ia.

Deinze: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 630-631 (verzen 48-49). Rederijkersspel. Maer als wy scheen [scheiden] moeten vanden gheeste, / wat blijft den mensche meer dan een beeste? Vergelijk Prediker 3, 19-20.

Verloren Sone ed. 1985 (1540)

  • B2v. Volksboek. De Verloren Zoon vraagt zijn vader op te houden met zijn gepreek: Vader ick en ben gheen beeste.

Bijns ed. 1902 (XVIA)

  • 213 (verzen 11-12). Vroed rederijkersrondeel. Over de navolgers van Luther: Trepelgheesten, botte beesten, dom van sinnen, / die A B, ja den credo niet en kunnen lesen.

Wellustige Mensch ed. 1950 (XVIb)

  • 106 (verzen 237-238). Rederijkersspel. De sinnekes schelden elkaar uit: Ghij doettet volck leven als beesten en honden / sonder redene als die van sinnen verdooft is.

Const van Rhetoriken ed. 1986 (1555)

  • 107 (strofe 4, verzen 5-6). Vroede rederijkersballade. Dankzij de kunst van het schrijven bleven oude geschiedenissen bewaard, die ons leren wat goed en kwaad is: Als zyn wy meinschen ons leuen ware beestich / bot onbesneden ruud en zonder raet. Te begrijpen als: wanneer wij de schrijfkunst niet zouden hebben.

Lieripe ed. 1980 (1561)

  • 171 (regels 37-38). Spotprognosticatie. Opsomming van benamingen (invectieven) voor dwaze personen: (…) dat sy se bottaerts, beesten, stoppelwouters, ezels, ackerbouten ende diergelijcke namen gheven.

Groote hel ed. 1996 (1565-66)

  • 25v (vers 545). Rederijkersspel. Waerlick scheldt Schijn uit: en ghij bloedich beest verstont den minsten letter niet.

De Bruyne I ed. 1879 (1579-83)

  • 30 (nr. 8, strofe 3, verzen 1-2). Zot rederijkersrefrein. Een apologie van de dwaze jeugd: Aenmerckt de beestkens van cleynen verstande: / dat joncheyt heeft, de natuere die treckt.

Goodts Ordonancij ed. 1994 (1583)

  • 72 v (verzen 698-700). Rederijkersspel. Reden zegt: want daer ick moet wijken / es die menscheijt wech niet, sietmen daer blijcken, / dan een beestelicke aert, wel om te vervloeken.

 

6 Beest (vee) = misprezen of beklagenswaardige persoon

 

Paul Wackers, De waarheid als leugen, Utrecht, 1986, p. 24: ‘De auteur van het Leven van Sente Lutgaert (Willem van Afflighem?) gaat nog een stap verder in zijn afwijzing. Hij noemt de auteurs van dierenverhalen zelf beesten. Hoe negatief een dergelijke kwalificatie vanuit middeleeuws perspectief is, zal in het vervolg van dit hoofdstuk nog blijken.’ Wackers citeert dan de tekst, waarin we over de auteur van dierenverhalen onder meer lezen: Mi dunke dat hem wel betaemt / dat hi oc beeste si genaemt [ibidem: 25 (verzen 141-142)].

 

Sancti Hieronymi Epistulae ed. 1991 (370)

  • 6-7 (Brief I, paragraaf 4). Latijnse brief. Over een stadsregeerder die een vrouw laat folteren: The governor had been feasting his eyes on the gory spectacle, like some wild animal (ut fera) that has once tasted blood and is for evermore athirst. Misprezen persoon.

Sancti Hieronymi Epistulae ed. 1991 (396)

  • 302-303 (Brief LX, paragraaf 16). Latijnse brief. Over de woeste volkeren die het Romeinse rijk plunderen: How many matrons, how many of God’s virgins, ladies of gentle birth and high position, have been made the sport of these beasts (beluae). Misprezenp personen.

Sancti Hieronymi Epistulae ed. 1991 (399)

  • 328-329 (Brief LXXVII, paragraaf 8). Latijnse brief. Over de Hunnen: May Jesus save the Roman world from such wild beasts (bestiae) in the future. Misprezen personen.

Vanden levene Ons Heren I ed. 1968 (XIIIA?)

  • 11 (vers 86). Berijmd Jezusleven. Over de martelaren: Men voer met hen als met enen vee. Beklagenswaardige personen.
  • 68 (vers 1943). Christus voorspelt Zijn gevangenname aan de apostelen: Dan seldi sceden als vee. Beklagenswaardige personen.
  • 74 (verze 3168-3170). Bij de gevangenname van Christus: Sinen iongeren was vele wee / sie scieden alle alst ware vee / alsoe alst god hen hadde geseit. Beklagenswaardige personen.

Ridder metter Mouwen ed. 1983 (circa 1320)

  • 135 (verzen 2497-2499). Arturroman. De vader van Miraudijs zit gevangen en moet eten van de grond gelijc ere beesten oft enen honde. Beklagenswaardige persoon.

Leven Ons Heren Ihesu Cristi ed. 1980 (1409)

  • 161 (hoofdstuk 33). Jezusleven. Judas, de verrader van Jezus, wordt die bloedighe beest Misprezen persoon.

Spieghel vander Menscheliker Behoudenesse ed. 1949 (circa 1410)

  • 158-159 (hoofdstuk 27, verzen 89-103). Stichtelijk rijmtraktaat. Over hen die geen medelijden voelen met het verdriet van Maria: Dus waer zijn herte zekerlike / alte utermaten beestelike, / die dit aldus hoorde vermanen / van desen weenen, van desen tranen, / ende die met deser ellenidichede / met alre herten niet ne lede! / Wij zien alle daghe anschijn, / dat een vuul beestelijc zwijn / werd beroert al rechte voort, / alst een ander zwijn roupen hoort. / Ende wie heift zo hart ghedochte, / hen zoude een lettel werden zochte / ende der moeder doch ontfaermen / in haren liden ende caermen; / beestich ende aergher moest hi wesen.

Braekman ed. 1969 (circa 1450)

  • 105 (vers 81). Didactisch gedicht (‘Van tijtverlies’ van Baudewijn van der Lore). Over de wantoestanden in de maatschappij: Die goedertiere heeten beesten. Misprezen personen.

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 130 (verzen 20-21). Rederijkerslyriek. Over slechte moeders: Haer leuen, haer wesen, haer corte teeninghe / is beestelijck. Misprezen persoon.

Sacramente vander Nyeuwervaert ed. 1955 (circa 1500)

  • 166 (vers 701). Mirakelspel. Heer Wouter zegt tegen de heidenen dat het een zwaar vonnis is minsschen als beesten te verdoene. Beklagenswaardige personen.
  • 170 (vers 783). Knape noemt de heidense Saracenen stomme beesten. Misprezen personen.

Salomon ende Marcolphus ed. 1941 (1501)

  • 14. Volksboek. Salomon zegt: Van eenen goeden man wort een goet wijf. Waarop Marcolphus antwoordt: Van eenen goeden male, wort eenen goeden stront diemen mit voeten tredet, soe moetmen oeck die beestachtighe wijven met voeten treden. Misprezen personen. Techniek van Marcolphus hier: vulgariserende parodie en denigrerende omkering van Salomons woorden.

Ghevecht van Minnen ed. 1964 (1516)

  • 66 (verzen 650-651). Berijmde ars amandi. De ‘venusjanker’ zit te treuren: Maer sonder memorie, als een beeste / smaect hi den keeste. Zonder memorie: hij is zich niet meer bewust van de wereld rondom hem. Beklagenswaardige persoon.

De Stove ed. 1944 (XVIa)

  • 153 (vers 168). Moraliserend leerdicht (rederijkers). Een goedgehuwde vrouw zegt dat de vrouw de man onderdanig moet zijn: Tes een quay beeste die gheen hoot [hoofd] en heeft. Beklagenswaardige persoon (een vrouw zonder leidinggevende man).

Bijns ed. 1875 (1528)

  • 43 (boek I, refrein 13, strofe d, vers 7). Vroed rederijkersrefrein. Verontschuldiging van de clerus die zich ook wel eens wil ontspannen en plezier maken: Die nemmermeer en en [sic] verhuecht, is wel een beeste. Beklagenswaardige persoon.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 77 (nr. 20, strofe d, verzen 13-14). Vroed rederijkersrefrein over de slechte tijden: Men can nu qualijck den cost verleesten, / al wrochtmen als beesten met zwaren labuere. Beklagenswaardige persoon.
  • 180 (nr. 48, strofe b, vers 6). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht van vrouw. Nu mij troost behoeft, acht hij mij als een beeste. Misprezen persoon.
  • 283 (nr. 77, strofe b, verzen 4-6). Vroed rederijkersrefrein. Rhetorica wordt door dwazen misprezen: Vruecht duer u vermeerdt in menighe feeste, / maer waer dat verkeerdt eenighe botte beeste, / in selcken foreeste gheen conste en blijcke. Misprezen persoon.

Die Wonderlijcke Oorloghen van Keyser Maximiliaen ed. 1957 (circa 1531)

  • 17. Historiografische postincunabel. Over de vluchtende Fransen: ende lieten haer volc vermoorden als beesten. Beklagenswaardige personen.
  • 109. De verslagen provoost van Frankrijk brengt verslag uit bij de Franse koning: Mer die lantlieden waren byeen vergaert seer sterc, die mijn volck belaecht hadden ende vermoorden als beesten oft honden. Beklagenswaardige personen.

Jubile ed. 1920 (1534-35)

  • 524 (vers 35). Rederijkersspel, tafelspel. Ghejonsteghe tot Minsaemheyt: Die hu verstaecke waere wel een beeste. Misprezen persoon.

Axel: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 310 (verzen 24-25). Rederijkersspel. Zonder Aergh (een negatief personage) stelt zich voor: ik moet hier ook zijn bin dezen foreeste / niet als een beeste, maer Zonder Aergh ghenaemt. Beklagenswaardige naamloze persoon.

Menichfuldicheit des Bedrochs ed. 1903 (circa 1539-40)

  • 385. Rederijkersspel. Oerspronck der Sonden geeft af op leken die zich willen bezighouden met Bijbelexegese (wat eigenlijk duidelijker blijkt uit dezelfde passage in Hummelen 1 OI 16, geciteerd in Pikhaus 1988): Sy moegen hem wel schamen elck plomp beest / dat sy hem dus verde te buyten gaen terden. Misprezen, dwaze personen.

Verloren Sone ed. 1985 (1540)

  • C3v. Volksboek. De Verloren Zoon zit bij de zwijnen: Ick moet nu ghelijck een beeste eten. Beklagenswaardige persoon.

Cristenkercke ed. 1921 (kort na 1540)

  • 71 (vers 1632). Rederijkersspel. Een sinneke noemt Scriftuerlijcke Hoede noijt afgrijselijcker beeste. Misprezen persoon.
  • 91 (vers 2155). Cristelijcke Kercke (de moeder van Uprecht Simpel Gheloven) noemt de ketters murmurerende, oppinerende verwaende beesten. Misprezen personen.

Bijns ed. 1902 (XVIA)

  • 216 (nr. 1, strofe A, vers 7). Vroed rederijkersrefrein. Over Luther: Soe comt dees beeste (…). Misprezen persoon.

Joncheyt ende Redene ed. 1920 (XVIA)

  • 477 (verzen 28-29). Rederijkersspel, tafelspel. Joncheyt tot de zondige verleidster Zinnelicke Ghenouchte: Twaere wel een beeste / die dy verstaecke vp sweerels pleyn. Misprezen persoon.

Mont toe, borse toe ed. 1950 (XVIA)

  • 49 (verzen 109-110). Strofisch rederijkersgedicht. Men tempt alle beesten, hoe wreedt van natueren, / maer een quade tonge sal haer altijdt rueren. Misprezen persoon die roddelt (is erger dan beesten).
  • 53 (verzen 214-215). Over valse bedriegers: Wat comen u al groote beesten beneven, / ist dat u borse wel is gelardeert. Misprezen personen.

Nichte ed. 1920 (XVIA)

  • 538 (vers 216). Rederijkersklucht. Een vrouw is van plan haar man een pak slaag te geven al zoude hy als een beeste jancken. Misprezen persoon.

Bekeeringe Pauli ed. 1953 (circa 1550)

  • 46 (verzen 73-74). Rederijkersspel. Bij de gevangenname van Christus: Maer doen Jesus sprack: Ick bent! elck viel als een beest, / want Godts woort was hun een veruaerlijck afgrijsen. Misprezen persoon.
  • 65 (vers 350). Saulus tot zijn dienaars over christenen: Grijptse beij metten halse gelyck een beeste. Misprezen persoon.

Drie Sotten ed. 1937 (1559)

  • 52 (vers 40). Rederijkersspel, tafelspel. Geestelijke Zot noemt Gemaakte Zot dees beeste. Misprezen persoon.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 53 (fol. 178v, verzen 24-29). Vroede rederijkersballade uit 1559, nogal hermetisch van inhoud. Onlancx meer dan omtrent den bergh van bramen / een ghepolysterden hoop ghecleede beesten tsamen / dats mannen zonder redene, alsulcke die / hebben ghelucifereirt bouen tbetamen / end hem ieghens den eerdwoorm ghedreghen partie / om den eerdwoorm verterden met grooter Inuie. Volgens Coigneau betreft dit een proces dat De Dene werd aangedaan in 1545. De ‘geklede beesten’ zijn dan de rechters en advocaten die het gemunt hebben op De Dene (de ‘aardworm’). Zie Dirk Coigneau, “De Dene: katholiek of hervormd?”, in: Jaarboek De Fonteine, XIX-XX (1969-1970), Tweede reeks: nr. 11-12, pp. 243-249, meer bepaald p. 245. Misprezen personen.
  • 195 (fol. 264r, vers 31). Vroed rederijkersrefrein op de stok ‘En laet ionghers vpcommen want ghy hebt een wyf’. Tegen oude roddelaars die afgeven op jonge vrijers die een lief zoeken: kir hoe mueghdy de pyne puer botte beeste. Misprezen persoon.
  • 235 (fol. 286r, vers 34). Vroed rederijkersrefrein over goede en slechte vrouwen. Tot de slechte vrouw: Wech iesabel quaede venyneghe beeste. Misprezen vrouw.
  • 277 (fol. 309v, vers 5). Rederijkersrefrein, gericht tegen een geslachtsziekte (syfilis?). Ghy zyt een quaede beeste , want myns leuens iuut / duerrydt ghy snoobrandeghe slymeghe vinne. Misprezen personificatie van een geslachtsziekte.
  • 278 (fol. 310r, verzen 4-5). Idem. Van hooftsweere ende tantzweere fel / cortsen zyt ghy contagieuse beeste. Idem.

Bijstier ed. 1946 (vóór 1562)

  • 146 (vers 10). Rederijkersklucht. Een vrouw over haar man: En mijnen man die quist ghelijc dees beesten dul. Misprezen persoon.

Meestal verjaecht Neering ed. 1941 (circa 1564)

  • 93 (vers 399). Rederijkersspel. Meest Al over Oorlog en diens companen: Tfij die beesten. Invectief voor misprezen, ruwe, meedogenloze personen.

Leenhof der Ghilden ed. 1950 (1564)

  • 17 (verzen 313-315). Satirisch-allegorisch strofisch rederijkersgedicht. In een strofe die allerhande slinkse manieren om iemand zijn goed te ontnemen beschrijft: Noch een lant twelc is seer profijtelijck, / maer de menschen als wolven en beesten seer wreet / eten deen dandere al levende subijtelijck. Misprezen, hebzuchtige personen.

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 450 (Boek III, refrein 66, strofe b, vers 6). Vroed rederijkersrefrein. Over de mens als kind: Sonder hulpe crancker dan een beeste gebleken. Beklagenswaardige persoon.
  • 458-459 (Boek III, refrein 69, strofe a, verzen 1-21). Vroed rederijkersrefrein. Een valse tong is schadelijker dan wilde beesten (serpenten, adders, schorpioenen, slangen, beren, wolven, stieren, eenhoorns, leeuwen, draken). Verzen 8-10: Nochtans een dobbel tonge meer quaets can brouwen. / Al zijn dese beesten schadelijck int genaken, / men machse schouwen. Misprezen persoon (die een valse tong heeft).

Retorijka en Justicia ed. 1993 (1579)

  • 19v (vers 77). Rederijkersspel. Retorijka zegt over de paus: Daerom mijn benijt het gecroonde beest. Misprezen persoon.
  • 20r (vers 145). Gewelt tot Retorijka: ghij leelicke beeste, godt geef u die plaech. Misprezen persoon.

Ghichtige Mensche ed. 1993 (vóór 1582)

  • 158v (vers 469). Rederijkersspel. Jezus spreekt: dat pharo verdroncken is met sijn hovaerdige beesten. Misprezen personen.

Coninck Proetus Abantus ed. 1992 (1589)

  • 10r (verzen 240-241). Rederijkersspel. Het hoertje Veelderleij Sonden zegt tot Werreltsche Mensch dat zijn vrouw haar wel eens zou kunnen betrappen en wegjagen: en sij zou wel haest mijn van u verjaegen / met harde slaegen als een felle beest. Misprezen persoon.

Ghenaede Goodts ed. 1996 (vóór 1598)

  • 169r (vers 544). Rederijkersspel. Een neefke scheldt een ‘helper’ uit: eij onnaerdich beest. Misprezen persoon.

Hans Snapop ed. 1974 (XVI)

  • 42 (vers 373). Rederijkersklucht. Griet Snatertans scheldend over haar man, die naar de hoeren loopt: Denckt om dat vercken, ja om dat gras beest. Een aantekening van de tekstbezorger interpreteert ‘grasbeest’ als een invectief (plompe os). Misprezen persoon.

Lijsgen en Jan Lichthart ed. 1938 (XVI)

  • 59 (vers 81). Rederijkersklucht. Lijsgen tot haar man Jan: Wel, droncken beest, sijn dit goede saecken? Misprezen persoon.
  • 74 (vers 345). Idem: Legt daer, ghij droncken beest, dat u Godt moet bedroeven. Misprezen persoon.

Evangelische maeltijt ed. 1992 (XVIB)

  • 83r (verzen 1750-1753). Rederijkersspel. Een Ijgelijck over de armen, lammen enz. die op het feestmaal zijn uitgenodigd (denigrerend bedoeld): Tis een volck beroijt met cackhielen / weten sij van nijgen oft knielen, tsij [lees: tsijn] botte beesten / sittende aen een taeffel als een hoop sotte beesten? Misprezen personen (volk van lagere klasse dat zich niet weet te gedragen aan een feestdis).

Luijstervinck ed. 1934 (XVIB)

  • 98 (verzen 267-268). Rederijkersklucht. Jongelinck over zijn geliefde: So waer ick seecker wel een arm beeste, / en creech ickse nu niet te mijnen wille. Beklagenswaardige persoon.

Die Mane ed. 1992 (XVIB)

  • 145v (vers 59). Rederijkersklucht. Conversatie tussen twee vrouwen over de dronken man van één van hen. Griet zegt: rammel hem af. Baert: dat durf ik niet. Griet: Soe siedij een arm beeste. Beklagenswaardige persoon.

Sincte Paulus bekeringe ed. 1992 (XVIB)

  • 4r (vers 287). Rederijkersspel. Bij de gevangenname van Christus: Als den her sprack ick bent, elcx viel als een beest. Misprezen persoon.
  • 6v (vers 541). Saulus tot zijn dienaars over christenen: Grijptse beijde bijden hals elck als een beeste. Misprezen persoon.

Veel Volks begeert Vrede ed. 1994 (XVIB)

  • 80r (vers 1207). Rederijkersspel. Twist (een soort neefke) zegt: Nu sijn wij van tspel meester, voormaels geacht als beesten. Misprezen personen.

Al Hoij ed. 1964 (circa 1600)

  • 2 (vers 27). Rederijkersspel, tafelspel. Willeken Noijt Genoech spottend over de perorerende rokkenjager Ijdel Lustken: Hoe crocht dat beestken. Misprezen persoon.

Amoreuse Liedekens ed. 1984 (circa 1600)

  • 53 (strofe 6). Amoreus lied, huwelijksklacht. Daer is op aerden geen quader beest / als een boos wijf onbevreest. Misprezen persoon.

 

7 Beest (vee) met positieve betekenis

 

Sancti Hieronymi Epistulae ed. 1991 (411)

  • 422-433 (Brief CXXV, paragraaf 15). Latijnse brief. No art is learned without a master. Even dumb animals (muta animalia) and herds of wild beasts (ferae) follow leaders of their own. Bees have rulers, and cranes fly behind one of their number in the shape of the letter Y. (…) I will not wearymy reader with further repetition, for the purpose of all these examples is simply this. I want to show you that you had better not be left to your own discretion, but should rather live in an monastery under the control of one father and with many companions. Het is dus beter in een klooster te leven onder leiding van een abt, dan alleen.

Dat Boeck Cantica Canticorum ed. 1945 (XVd)

  • 118 (hoofdstuk 1, regels 145-151). Commentaar op het Hooglied. Naar aanleiding van Hooglied 1, 7: Daerom aentwoert Christus synre liever bruyt, doe si badt dat hi si wisen wolde waer si on weder vynden mochte ende sprak: ‘En kennes du di selven niet, soe ganck uut nae den kudden’. Dat is, ganck uut di selven ende verlate di niet op dyn wysheit, mer volghe den voetsparen des vees. Dat vee dattu nae volghen sulles, dat syn alle heilighen die van groten sunden gegaen syn tot doechden. Het voorbeeld dat gegeven wordt is Maria Magdalena.

 

8 Beesten schadelijk voor de mens sinds de Zondeval

 

Spieghel der Menscheliker Behoudenesse ed. 1949 (circa 1410)

  • 20 (hoofdstuk 2, verzen 235-236). Stichtelijk rijmtraktaat. Ten gevolge van de Zondeval is heel de natuur schadelijk voor de mens, ook de beesten: De beesten quetsen ende wonden / den mensche oec te menighen stonden.

 

[explicit 14 april 2022]

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram