Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90

DOEDELZAK

 

Middelnederlandse woorden voor ‘doedelzak’ zijn: sackpijpe, pijpsac, quene, moesel, musele, coornemuse.

 

Etymologicum ed. 1974 (1599)

  • Nederlands-Latijns woordenboek van Kiliaan. ‘Moesel sack pijpe. Tibia utricularis.’
  • ‘quene fland .j. moesel Tibia utricularis.’
  • ‘Sack pijpe. Tibia utricularis: tibia sacco sive utriculo infixa.’

 

1 De sociale achtergrond van de doedelzak in de Middeleeuwen

 

Denis 1944 [Valentin Denis, De muziekinstrumenten in de Nederlanden en in Italië naar hun afbeeldingen in de 15e-eeuwsche kunst, hun vorm en ontwikkeling. Verhandelingen van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schoone Kunsten van België – Klasse der Schoone Kunsten – jaargang VI – nr. 2, Antwerpen-Utrecht, 1944]

  • ‘Zuid-West-Azië is ongetwijfeld de bakermat van den doedelzak. Deze is uiteraard een herdersinstrument; aan dit kenmerk is hij door de eeuwen trouw gebleven. Nochtans hebben de Romeinen hem in het theater en zelfs in het leger gebruikt.’
  • ‘De doedelzak is eerst en vooral een herdersinstrument: die landelijke bestemming is hem van het begin af eigen gebleven. (…) Evenwel heeft hij in de middeleeuwen een zeker aanzien genoten en werd hij zelfs door hoogstaande lui bespeeld. Een duidelijk bewijs hiervan is het feit dat hij tot in de 15e eeuw op de kunstwerken door engelen en zelfs door koningen wordt gehouden [voetnoot 6 meldt: ‘Zie b.v. den reeds vermelden “Boom Jesse’ (circa 1450) van Jan de Tavernier in het “Brevier van Filips de Goede”’] Reeds vóór 1400 wordt de doedelzak gebruikt aan het hof van Filips den Stoute, hertog van Bourgondië.’
  • ‘Een ander bewijs nog van de verheven rang die aan den doedelzak werd toegewezen in het instrumentarium van de 14e en 15e eeuw, is het feit dat hij vóór het Allerheiligste bespeeld werd in de processiën, o.m. sinds 1342 te Bergen, in 1409 te Ieper en in 1477 nog te Dendermonde. De groote gelijkenis van zijn klank met dien van het orgel is waarschijnlijk de oorzaak van dit voorrecht. (…) Enkele jaren vóór 1500 zal de doedelzak echter stilaan van zijn aanzien verliezen: voortaan wordt hij nog uitsluitend gebruikt door herders, die er zich mee vermaken terwijl zij hun kudde hoeden, en door boeren die er hun dansen op begeleiden. Dat hij niet zeer hoog meer geschat wordt, blijkt ook uit het feit dat hij stilaan een kenschetsend instrument wordt van de duivels in de hel.’

Sachs 1969 [Curt Sachs, De geschiedenis van de muziekinstrumenten, Aula-reeks – nr. 432, Utrecht-Antwerpen, 1969 (origineel Engels: 1940)]

  • ‘Zijn verdere geschiedenis hoort thuis in het middeleeuwse westen, daar doedelzakken toen verspreid waren over geheel Europa, soms als volksinstrumenten, soms als militaire instrumenten.’
  • ‘In de 15e eeuw werden doedelzakken gebruikt in dienst van de hoven en vrije steden; maar ze verloren nimmer hun karakter als volksinstrumenten.’

 

Zie verder ook: Hubert Boone, “De doedelzak in Europa, vroeger en nu”, in: Volkskunde, jg. 86, nr. 3 (juli-september 1985), pp. 166-222.

 

2 Doedelzak // erotiek (waarbij doedelzak = de mannelijke genitalia)

 

Alleen reeds door zijn suggestieve vorm (die de mannelijke geslachtsorganen oproept) is de doedelzak een erotisch symbool, en als dusdanig nog steeds bekend in de Nederlandse volkstaal [zie Heestermans e.a. 1977: 44 = Erotisch Woordenboek]. Maar ook de Middelnederlandse taal bood ruimschoots gelegenheid tot vulgaire woordspelingen in verband met dit instrument. De doedelzak heette in het Middelnederlands onder meer pijpsac [MNHW 1981: 465 = Middelnederlandsch Handwoordenboek], en het bespelen ervan werd pipen, pijpen genoemd [MNHW 1981: 466]. Pipe, pijp kon behalve ‘pijp’, ‘buis’, ‘fluit’ en (interessant in verband met het middenpaneel van de Tuin der Lusten) ‘steel van vruchten’ ook ‘penis’ betekenen [MNHW 1981: 466]. In 1599 geeft Kiliaan als verklaring voor pijpe ‘mentula’ (erectie, stijve penis), met de toevoeging dat dit Hollands is [Etymologicum ed. 1974: 402]. Het Erotisch Woordenboek geeft nog een andere bewijsplaats uit 1599 [Heestermans e.a. 1977: 153].

 

De Mirimonde 1971 [A.P. de Mirimonde, “Le symbolisme musical chez Jérôme Bosch”, in: Gazette des Beaux-Arts, jg. LXXVI, nr. 1224 (januari 1971), pp. 19-50]

  • ‘D’autres instruments avaient, au contraire, mauvaise réputation – et, en premier lieu, la cornemuse en raison de sa similitude avec l’organe viril.’
  • Betreffende de Prado-Aanbidding de Wijzen van Bosch: ‘Un berger et une bergère, couchée sur une cornemuse, sont juchés sur le toit. La femme regarde un paysan qui grimpe le long d’un arbre mort, image de l’âme dessechée par le péché. Leur place indique que ce sont de mauvais bergers. Ils ne viennent pas vénérer l’Enfant, mais le regardent en curieux. Les scènes décrites dans le paysage complètent la leçon. En haut, sur le volet de gauche d’autres campagnards dansent au son de la cornemuse au lieu d’aller honorer le Nouveau-Né: ils préfèrent l’amour charnel à l’amour sacré.’ [Ik ben het overigens met deze duiding niet eens: de herders zijn gewoonweg blij dat Jezus geboren is en komen het Kind aanschouwen, plus: de doedelzak was een typisch herdersinstrument, zie supra.]
  • 43 / 45. Over de twee doedelzakken in de buurt van de Boommens (Tuin der Lusten): ‘Des damnés, escortés de démons, tournent autour d’une cornemuse géante pour les punir de ce qui fut la préoccupation dominante de leur vie. Un arbre creux, symbole d’une âme rongée par le péché, abrite un repas de magiciens et de sorcières, auberge infernale qui arbore l’enseigne obscène de la cornemuse.’ Een soortgelijk detail in het Laatste Oordeel (Brugge).

 

Leppert 1978 [Richard D. Leppert, “David Teniers the Younger and the Image of Music”, in: Jaarboek Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen, 1978, pp. 63-155]

  • 140-141 (afb. 59). Een paneel (26 x 20 cm, 17de eeuw) van David Teniers II in Engels particulier bezit, getiteld Concert for Love. Een jongeman leert een meisje fluit spelen, terwijl aan haar voeten een doedelzakspeler zit. Leppert over dit paneeltje: ‘Two young men and a young woman are engaged in a courtship ritual, whose sexuality is specified by the instruments. The painting illustrates the choice the lady must make between two different lovers, both experienced. The man in back with his arm around the woman “teaches” her how to make the recorder “sing”. The instrument is to be taken as a phallus – their facial expressions confirm that the music they produce is not of the aural kind! This lover offers a seduction as gentle and as sweet as the recorder’s sound (whose name is flauto dolce in Italian). Here love is patient, and passion – while present – is restrained. With the bagpiper it is different. This suitor’s courtship is openly passionate and proudly virile. His instrument has perhaps the most obvious sexually-alluding shape of any instrument, for its chanter pipe and windsack (here very inflated even though the youth does not blow into it) correspond to the male genitalia. The fact that this allusion was not lost on 17th-century Flemings is evident in an earthy proverb at the time: “Met een goed gevulde buik wil het zingen beter lukken” (literally: “It’s better to sing with a well-filled belly”). The ribald sense of the verb zingen is preserved in the modern Dutch proverb, “Voor het zingen de kerk uit,” which refers to coitus interruptus. Unlike the gentle recorder, the bagpipe is a raucous instrument, most often having double reeds, just like the Dionysian aulos of old, which appears with explicit sexual overtones on countless Greek vases.’

 

Van Daele 1992 [Rik van Daele, “Van den Vos Reynaerde - De vos die je ziet, ben je zelf”, in: Dirk de Geest en Marc van Vaeck (red.), Brekende spiegels – Beeldveranderingen in de Nederlandse literatuur, Uitgeverij Peeters – Afdeling Nederlandse Literatuur en Volkskunde K.U. Leuven, Leuven, 1992, pp. 19-41]

  • 31-32 (afb. 1). ‘Weinig commentaar behoeft een wellustige vos in de marge onder de afbeelding van de opdracht van Jezus in de tempel van een Brugs getijdenboek van circa 1425 (U.B. Leuven A3, afb. 1). Meester Goudranken tekende er de wonderlijkste doedelzak die ik ooit mocht aanschouwen. Weinig goddelijke geluiden zijn ooit aan de pijpen van deze zak ontstegen. Onnodig te zeggen dat de verwildering en de verwerpelijkheid van de muziek hier georkestreerd wordt.’ Uit de begeleidende afbeelding blijkt dat een vos een doedelzak bespeelt waarbij de luchtkamer de vorm heeft van twee testikels.

 

Cat. Antwerpen 1994 [Karel Moens e.a., Muziek & Grafiek – Burgermoraal en muziek in de 16de- en 17de-eeuwse Nederlanden (Tentoonstellingscatalogus, Antwerpen, Hessenhuis, 29 juli – 30 oktober 1994), Petraco-Pandora, Antwerpen, 1994]

  • In de onderschriften bij 16de-eeuwse prenten met boerentaferelen staat de doedelzak, net als in de volkstaal, soms voor het mannelijk geslachtsdeel. De gemeenschappelijke noemer van zulke prenten is het af te keuren gedrag dat erop wordt gehekeld.
  • De doedelzak als symbool van de mannelijke genitalia in de 17de-eeuwse beelding, met als voorbeeld een Amsterdamse gravure van Isidore Cordon met drietalige, dubbelzinnige onderschriften (XVIIB).
  • 43-44 / 102. De doedelzak als symbool van de mannelijke genitalia in schilderijen en prenten van onder meer Jan Sanders van Hemessen, Pieter Huys en Jan Metsijs. Een kopergravure van Crispijn I de Passe (Medaillon met boerenpaar, Brussel, Koninklijk Prentenkabinet, inv. S.II 131120)) is zeer expliciet: een speelman laat een vrouw zijn doedelzak pijpen, terwijl haar rechterhand de doedelzak onderaan vastgrijpt. Rondom de tekst: Habt ihr mein rommel wel betast / Ja freunt, er wanckt steht immer fast (zie afbeelding op p. 109, cat. nr. 63). Op het schilderij Doedelzakspeler met oude vrouw van Pieter Huys (Berlijn, Gemäldegalerie) zien we een man met een doedelzak en een oudere vrouw die met de linkerhand een kan met geopend deksel (vaginasymbool) vasthoudt en met de rechterhand de touwtjes van de lege geldbeurs die aan de hals van de man hangt. Volgens een begeleidende tekst zegt de man: Ay laet staen, tis verloren / mijn Borse gheghrepen / Ghy hebtse gheleecht / en mijn pijp al uyt ghepepe(n). De oudere vrouw is dus blijkbaar een hoer. Een soortgelijk schilderij bevindt zich in de KMSK te Brussel. Over het schilderij van Huys schreven ook onder meer Bax 1948: 229 (noot 60) en Buijnsters-Smets 1995: 212-213 (cat. nr. 49) [Leontine Buijnsters-Smets, Jan Massys – Een Antwerps schilder uit de zestiende eeuw, Zwolle, 1995].

 

Cat. Rotterdam 2015 [Peter van der Coelen en Friso Lammertse, De ontdekking van het dagelijks leven van Bosch tot Bruegel (tentoonstellingscatalogus, Rotterdam, Museum Boijmans Van Beuningen, 10 oktober 2015 – 17 januari 2016), Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam, 2015]

  • 175 (noot 44). ‘Op een bordeeltje van een navolger van de Brunswijkse Monogrammist is een doedelzak als hangende penis met ballen aan de wand gekrabbeld.’ Verwezen wordt naar: Matthias Ubl, Der Braunschweiger Monogrammist – Wegbereiter der niederländischen Genremalerei, Petersberg, 2014, nr. XV.2.

 

-oOo-

 

Decamerone ed. 1989 (1349-53)

  • 429 (Zesde dag, slot). Italiaanse verhalen binnen een raamvertelling. Op het einde van de zesde dag wordt doedelzak gespeeld: Maar de koning, die in een vrolijke stemming verkeerde, vroeg Tindaro zijn doedelzak boven te halen, en op de tonen daarvan werd nog menige rei gedanst. Pas toen al een goed gedeelte van de nacht verstreken was, stuurde hij allen naar bed.

Der Minnen Loep I ed. 1845 (1411-12)

  • 145 (Boek II, verzen 612-613). Berijmde ars amandi. Potter is bevreesd dat zijn uitleg over de ‘goede minne’ bekritiseerd gaat worden door hen die veel liever met Metkijn pijpen / ende gaerner houden after aen. Met Metken pijpen? Blijkens de verzen 1257-1260 op p. 168 (So grote vroechde heeft Peterkijn / Mit Metkijn off mit Nezekijn, / Als een hertoghe mit sijnre vrouwen, / Die hem doet ghenoechte bouwen, met andere woorden: Peter heeft even veel vreugde met Metken of Nezeken als een hertog met zijn vrouw) is Metke een gewone vrouwennaam. Duidt de zegswijze ‘met Metken pijpen’ desondanks toch op het zich erotisch afgeven met lichte vrouwen?

Villon ed. 1969 (circa 1450)

  • 88-89. Een passage in de Double ballade van François Villon: Orpheüs, le doux menestrier, / Jouant de fleustes et musetes, / En fut en dangier d’un murtrier / Chien Cerberus a quatre testes. De vertaling van Ernst van Altena: Orpheus, de goede troebadour, / die ’t fluit- en doedelspel verstond, / werd voor zijn liefde haast tot voer / van Cerberus, de vierhoofdshond.

Stout ende Onbescaemt ed. 1920 (1527)

  • 175 (verzen 237-241). Rederijkersklucht. Twee speelmannen verhinderen dat een boerin en een koster overspel plegen in de schuur door op het moment dat die twee willen ‘beginnen’ muziek te maken (zogenaamd om ‘de bruiloft te pijpen’). [Stout:] Hy sal jnt werck zyn eer jct weedt. / Tes groot tyt dat jc beghunne te blasene. / [Onbescaemt:] Ghy en zyt dynctme niet te verdwasene, / Naer dat ghy pyppen wilt met uwer voere / So sallic slaen vp myn tamboere. Het is vast niet toevallig dat de ene speelman op een doedelzak (musele, zie vers 226) pijpt, en de andere op een tamboer roffelt (dit laatste instrument te associëren met bongen in de betekenis van coire).

Cristenkercke ed. 1921 (kort na 1540)

  • 52 (verzen 1233-1234). Rederijkersspel. Een sinneke in een duidelijk erotische context (de verleiding van de christelijke maagd Uprecht Simpel Gheloven) zegt in een terzijde die aan Uprecht Simpel Gheloven gericht is: Nv, blome soet, mont an, en willet vuijt pijpen. De maagd krijgt namelijk een glas wijn aangeboden, maar tegelijk is dit erotisch-dubbelzinnig. Zie het volgende vers, weer gezegd door het sinneke: Hoe sou icse nijpen, mochtse mij ghebueren.

De Bruyne ed. 1925 (1579-83)

  • 15 (nr. 4, strofe II, verzen 3-4). Zot-erotisch rederijkersrefrein op de stok ‘Die hem meest wachten, vinden haer eerst bedrogen’. Bouwen meent gehuwd te zijn met een dorpsmeisje dat nog maagd is, maar tijdens de eerste huwelijksnacht ontdekt hij dat zij zwanger is: Ic meynde een maecht te trouwen, maer sy heeft gereyt / metter sacpijpe, int doncker, den kinderen dans.

Arnold Bierses ed. 1925 (1577-90)

  • 30 (nr. VII, verzen 31-37). Zot-erotisch rederijkersrefrein op de stok ‘Geen beeter deinck dan corelorien spelen’. Een jong, wellustig meisje wordt door een speelman-doedelzakspeler ingewijd in de seksualiteit. Dit meysken spelde wast haer buxken volle / En at corelorien den dobbelen smack. / So lang dat huer den nojeken smulle / Int lange speelen die pipe ontrack. / Wat doen, sprack meysken, wat dats ein lack; / Hoe soude u sackpype soe ontpalen? / Wyldi dy bonnette hebben voer u gemack, / So moetyt coreloerien noch eins verhalen. ‘Corelorien eten” = coire (het meisje krijgt een kind van het ‘eten’). ‘Pipe’ = penis, ‘sackpype’ = mannelijke genitalia, ‘bonnette’ (kapje) = vagina.

Nieuwe Nederduytsche Gedichten ende Raedtselen ed. 1972 (1624)

  • 173 (nr. 16, strofe 3, verzen 1-15). Zot-erotisch rederijkersrefrein op de stok ‘Geen beter dinck dan koeri loeri spelen’, een variant op het refrein uit Arnold Bierses ed. 1925. Desen aerdigen speelman hiette lippen / Hy toonde daer zijn sackpijpken als een quant / Daer voer hy terstont mede onder haer slippen / Dies seyde ‘tdochterken dits recht mijnen tant / Grijptse dan seyde hy gracelijck in u hant / Want ghy soutse wel haestelijck hebben ontstelt / Ick en sal sprackse, maer leert my de rechte courant / Van koeri loeri reyn ongequelt / Hy heeft zijn sackpijpken in haer ghevelt / Die sy terstont in haren mont heeft ghenepen / Daer was hy in haer soo langhe verselt / Datse eenen langen reys heeft ghepepen / Al had ick seyse veel wonders begrepen / So en mocht ick ter werelt op violen en velen / Geen beter dinck dan koeri loeri spelen.

 

3 Doedelzak // amoureuze vreugde (positief)

 

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 51 (nr. 24, verzen 10-12). Amoureus rederijkersrefrein, amoureuze klacht. Een venusjanker zegt: In my en mach gheen vruecht gespruten / doer herpen of luyten quenen en fluijten / van minnaers geacht. Hetzelfde in Doesborch II ed. 1940: 35-36 (nr. 14, verzen 10-13) [tekstbron uit 1528-30].

Een Dronckaert die wonder siet ed. 1950 (XVIb)

  • 62 (verzen 182-187). Rederijkerslyriek, dramatische monoloog. Een dronkaard ziet hoe ene Huyben in de kou op zijn doedelzak speelt voor het raam van Labsoete: Ou, ziet my ghinder Huyben staen vrijen / Voor Labsoetens venster met synder quenen. / Goy, sy hevet ghehoort, daer gaet sy henen / En komt ter venster en gheeft hem de hant / En hy staet daer buyten en klippertant, / Van kouwen meynt hem den sin beswijcken. Deze tekst is wel satirisch en spot met de dwaasheden van de beschreven personen!

 

4 Doedelzak // aardse ijdelheden, zondig vermaak

 

Cat. Antwerpen 1994

  • 23 / 77 / 79 (cat. nr. 28). Op een kopergravure van Philips Galle naar Pieter Bruegel de Oude (De wijze en de dwaze maagden) dansen de dwaze maagden op de tonen van een doedelzak, naar verluidt ‘een verwijzing naar het ongeremde feestgedrag dat werd toegeschreven aan lagere klassen’.

 

Boeck vander Voirsienicheit Godes ed. 1930 (XV)

  • 174-175 (regels 1- 21 / regels 1-3). Stichtelijk prozatraktaat. Over speelmannen die dansen begeleiden: Hier van scriuet men een gruwelic exempel. Het was een speelman gheheten robbijn die dicwyl in dansen te pipen plach. Wanneer Robbijn op sterven ligt, neemt de duivel zijn taak als speelman over. De pastoor ontdekt dit, vertelt het aan Robbijn, en deze sterft berouwvol. Uit dit exempel leert men dat speelmannen die aansporen tot dansen dienaars zijn van de duivel. Het instrument van Robbijn wordt in de tekst niet expliciet vermeld, maar het ‘pipen’ wijst erop dat het om een doedelzak gaat.

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 299 (verzen 89-90). Vroede rederijkersballade over het vergankelijke, zondige leven (‘Vander mollenfeeste’): Dese meyskens zijn oock alle ghedaecht / Die te vastenauonde pijpers hueren. ‘Pijpers’ kan hier ook ‘fluitspelers’ betekenen.

Drie blinde danssen ed. 1955 (1482)

  • 12-13. Moraliserend-allegorisch prozatraktaat in de vorm van een droomvisioen. Venus en Cupido (die allegorisch verwijzen naar de wisselvalligheden van de liefde) worden begeleid door een luitspeelster die Ledicheyt heet en een doedelzakspeler die Ydel Begheerte heet (zie ook de houtsnede op pp. 15-16). De ‘Acteur’ vraagt wie alle mensen de dans van de liefde doet dansen. Vrouw ‘Verstant’ legt uit: Dese speelluyden die wt hoire natuerlike condicie aldus bedrieghen die mensche(n). (…) Die natuerlike redene is bi hoiren toedoene en(de) spele also verdooft dat tsoete voir suere contrarie voer co(n)trarie gheacht is. (…) Ten baet informacie noch onderwijs va(n) leeringhe(n) noch ghescrifte(n) ter contrarien. (…) Alle onderwijs goetduncken raet en(de) leeringhe wort bi hemluyde(n) versmaet en(de) ongheacht.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 116 (nr. 189, verzen 39-41). Zot rederijkersrefrein op de stok ‘Al lachende word ick myns gheldekens quijte’, waarin café- en bordeelbezoek op de korrel worden genomen: Dan ist haelt bier, haelt wijn ghelijc dorre / ic en doe niet dan lachen springhen en danssen / Die pypers gheuen den pot ooc enen porre. ‘Pypers’ kan hier ook ‘fluitspelers’ betekenen.

Wellustige Mensch ed. 1950 (XVIb)

  • 127 (vers 712). Rederijkersspel. Twee acteurs spelen ‘gilden’ en beelden samen Der Werrelt Samblant uit. Eén van hen zegt: Wij accorderen als twee sack pijpen. Functionele beeldspraak!

Gemeene Duytsche Spreckwoorden ed. 1959 (1550)

  • 27 (regel 22). Spreekwoordenverzameling. Weel lust toe dantzen heft, dien ist haest ghenoech gepepen. ‘Pijpen’ kan hier ook ‘fluitspelen’ betekenen.
  • 48 (regel 23). Wan die sackpijp niet vol is, soe schreeyt sie niet.

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 65 (fol. 351r, verzen 28-30). Rederijkerslyriek. Soberheyt spreekt tot Dronckaert: hu keelgat gaept als een watersluse / de voorghuele es rechts een coornemuse / die elck van beeden niet verzaet wesen can.

 

[explicit 30 mei 2021]

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram