Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90

HAAN (windhaan, kapoen)

 

Wat hieronder volgt, is een uitbreiding en verbetering van Eric De Bruyn, De vergeten beeldentaal van Jheronimus Bosch – De symboliek van de Hooiwagen-triptiek en de Rotterdamse Marskramer-tondo verklaard vanuit Middelnederlandse teksten – Integraal proefschrift, ’s-Hertogenbosch, 2001, pp. 445-446.

 

De haan in het oeuvre van Bosch…

  • Een haan en een kip in de ruiterstoet rond de vrouwenpoel op het middenpaneel van het Tuin der Lusten-drieluik (Madrid). Zie hierover Bax 1956: 56 (de haan als symbool van onkuisheid in de zestiende-eeuwse literatuur en beelding) en ook Bax 1983: 65.
  • Op het linkerbinnenluik van deze triptiek, onderaan, een soort zwemmende haan en een haan met gefantaseerde waaierstaart. Zie Bax 1956: 22.
  • Een haan, een kip en een vos op het linkerbinnenluik van het Laatste Oordeel-drieluik (Wenen). Een detail dat volgens Bax 1983: 64-65 / 71, naar onkuisheid verwijst. De erotische betekenis wordt naar verluidt versterkt door de gefantaseerde vogel met lange staart en snavel onderaan bij de boom (vogel = hier: fallus) (Bax 1983: 65).
  • Een vos en een gedode haan in de linkerbenedenhoek van het Sint-Hiëronymus-paneel (Gent).
  • Op het rechterbinnenluik van het Laatste Oordeel-drieluik (Brugge): de zondaar op het rund (een echo van het rechterbinnenluik van het Hooiwagen-drieluik) draagt een helm met daarop een haan. Bax 1956: 120 (noot 1) signaleert dat ‘haan’ in de 15de eeuw onder meer ‘roofziek krijgsman’ kon betekenen.
  • Twee hanen bij de gediaboliseerde boomhut op het Sint-Christoffel-paneel (Rotterdam).
  • Een vos en een gedode haan in de Het veld heeft ogen-tekening (Berlijn).
  • Een haan die een ton voorttrekt met daarop een heks (?) in de Modelblad met heksen-tekening (Parijs) [BRCP 2016a: 510-511 (nr. 39)].
  • Een vos en een haan op de keerzijde van de Twee oude vrouwen-tekening (Rotterdam) [BRCP 2016a: 512-513 (nr. 40)].
  • Laatste Oordeel-fragment (München): een duivel met een rode kam (een haan) (Bax 1983: 65).

 

Verbraeken 1992: 268, signaleert: in het Bosch-oeuvre zijn hanen verbonden met negatieve begrippen als dwaasheid, laster, arrogantie, onkuisheid en vechtlust (zonder verdere referenties). En ook: bij Bosch is de haan, net als bij Joachim Beuckelaer, een toespeling op seksualiteit (eveneens zonder verdere referenties) [ibidem: 279].

 

1 De haan in de bestiarium-traditie

 

De haan komt niet voor in de Physiologus (circa 200). Hij komt wel voor in het oudste handschrift van deze tekst (Bern 318), maar in 1874 liet Cahier, de tekstbezorger van Bern 318, de haan in zijn editie weg, omdat hij nergens anders voorkomt. Aldus Florence McCulloch, Mediaeval Latin and French Bestiaries, Chapel Hill, 1962, p. 104.

 

Etymologiae XII ed. 1986 (7de eeuw)

  • 262-263 (boek XII, hoofdstuk 7, paragraaf 50). Bestiarium (Latijn).
  • ‘Gallus’ komt van het castreren. In de Oudheid werden ontmanden ‘gallos’ genoemd. De haan is de enige vogel die ontmand wordt [BT (Bestiarium Topos) A].
  • Van ‘gallus’ komt ‘gallina’ = kip. Als het vlees van een kip vermengd wordt met vloeibaar goud, wordt het vlees erdoor opgenomen [BT B].

Aviarium ed. 1992 (1132-52)

  • 180-187 (hoofdstuk 41). Aviarium (boek over vogels) (Latijn).
  • De haan duidt met zijn stem de uren van de dag en de nacht aan [BT D]. De haan kreeg zijn intelligentie van God zelf. Moraal: de haan = de predikers die vóór hun sermoen nadenken over de beginsituatie van hun publiek. De uren van de nacht verdelen = oordelen over de waarde van de zondaars. Dit gaat terug tot de Moralia in Job van Gregorius.
  • De haan zingt ’s nachts hoger en trotser, maar tegen de ochtend zachter en helderder [BT E]. Moraal: de predikers die preken tegen het zondigen, roepen hard over de verschrikkingen van het Laatste Oordeel. Maar als zij het licht van de waarheid in de harten van de luisteraars ontwaren, spreken zij zachter over de beloningen in de hemel.
  • Alvorens te zingen klopt de haan drie maal met zijn vleugels tegen zijn lijf [BT F]. Moraal: de predikers bereiden hun sermoen voor door goede dingen te doen, want anders komen hun woorden niet overtuigend genoeg over (zij zeggen in hun preek dan wel dat men het goede moet doen, maar ze doen het zelf niet).
  • Luie hanen die zichzelf niet beslaan met hun vleugels [BT G]. Moraal: luie prelaten die anderen niet aansporen tot het goede, en zich zelf overgeven aan ijdelheden, plezier en de vleselijke lusten.
  • De haan op zijn stok [BT H]. Moraal: de ongeletterde prelaten die op de stok van hun kerkelijke macht zitten en niets doen om hun kudde te leiden. Zij moeten opletten dat ze niet van hun stok vallen. Zoals Eli (1 Kon. 2, 23-25) die zijn zonen wel vermaande maar hen niet metterdaad corrigeerde: hij viel van zijn stoel en brak zijn nek.

Livre du Trésor ed. 1980 (1263-64)

  • 212-213. Didaktisch prozatraktaat (Oudfrans).
  • BT A. De haan is de enige vogel die ontmand wordt: hij wordt dan een kapoen, goed om eten in de zomer. In de winter moet men kippen eten.
  • De haan is een huisdier, hij blijft steeds bij de mensen [BT C].
  • De haan duidt met zijn stem de uren van de dag en de nacht aan [BT D].
  • De haan zingt ’s nachts hoger en trotser, maar tegen de ochtend zachter en helderder [BT E].
  • Alvorens te zingen klopt hij drie maal met zijn vleugels tegen zijn lijf [BT F].

Bestiary ed. 1993 (1220-50)

  • 172-173. Engels bestiarium (Latijn).
  • Vermeldt BT A en BT B.
  • BT D. De haan maakt een prettig geluid, want als hij kraait: verlaat de rover zijn schuilplaats, de ochtendster ontwaakt en verlicht de hemel, de zeeman vreest niet meer voor zijn leven, nachtstormen houden op, de vromen doen hun gebeden en lezen hun boeken. Toen de haan drie maal kraaide werd Petrus gereinigd van zijn schuld: het lied van de haan brengt nieuwe hoop en geloof, verlicht de pijn van de zieken. Jezus waakt over de dolenden en brengt hen terug naar het pad.

Der naturen bloeme I ed. 1980 (circa 1271)

  • 238-240 (boek III, verzen 1963-2006). Didactisch rijmtraktaat (Middelnederlands). Over de haan (gallus)…
  • BT D, BT F en BT E, zonder moraal.
  • De leeuw ontziet de witte haan.
  • Elf ghedroch schuwt het geluid van de haan.
  • Een oude haan legt een ei in waermen drecke, daaruit komt de basilisk: een haan met serpentenstaart.
  • Over vechtende hanen: de overwinnaar is trots en kraait, de verliezer kruipt weg.
  • Als hennen sterven, rouwt de haan en kraait niet meer.

Unterkircher 1986 (XIII)

  • 25-26. Oxford, Bodleian Library, MS. Ashmole 1511.
  • BT A, BT G, BT H.
  • BT D. De haan bracht Petrus tot bezinning en krijgt zijn intelligentie van God. Haan = de goede prediker.
  • BT E. Met de moraal over de goede prediker.
  • BT F. Met de moraal over de goede prediker.

Sidrac ed. 1936 (circa 1320)

  • 204 (nr. 367, regels 1-9). Artestekst. De koning vraagt welk de mooiste vogel is. Sidrac antwort: Die hane es die scoenste vogel vander werelt want hy heeft vele goets dies dander vogele niet en hebben. Dierste es dat de hane ghecroent es, dander datti sporen heeft; dat derde, dat God hem heeft ghegeven te kinnene die uren vanden daghe ende vander nacht. Ende hy es meer jalours op sijn wijf dan enich man ende hy es milde ende ontspaert dat coreken ende gevet sinen wive. Die hane maken oec stride metten anderen ende vechten om die meesterscap ende de ghene die den anderen verwint hem doen dandere reverencie ende ontsien hem.

Der dieren palleys 1520 (1520)

  • S4v. Postincunabel over dieren.
  • De haan heeft een kam en sporen.
  • Hij kraait luid in de nacht en licht ’s morgens. Met de wind hoort men hem heel ver.
  • De haan is de bode van de dag en onderscheidt de uren van de nacht, en dan vermaant hij ons al kraaiende (bron: ‘Gregorius in moralibus’).
  • Het zoet geluid van de haan ’s morgens heeft allerlei positieve kenmerken. De leeuw ontziet een witte haan (bron: ‘Ambrosius’).
  • Medische adviezen.

 

2 De haan in de Latijnse exegetische en encyclopedische traditie

 

De animalibus ed. 1987 (XIII)

  • 293-294 (boek 23, paragrafen 115-116). Albertus Magnus. Latijns proza.
  • De haan heeft een grote vechtlust. De overwinnaar is trots, de verliezer kwijnt weg in onderdanigheid.
  • De haan heeft een grote seksuele potentie.
  • BT D en BT F, zonder moraal.
  • De haan treurt over de dood van hennen.
  • De haan slaapt op een hoge stok, de brutaalste kip duwt hem opzij om naast hem te slapen.
  • De leeuw vreest de witte haan.
  • Sommige auteurs beweren dat een oude haan een ei kan leggen ‘in a dung heap’. Daaruit komt een basilisk = een haan met een lange serpentenstaart. Albertus zelf gelooft hier niets van.

 

Noterenswaard: rond 200 A.D. vermeldt Claudius Aelianus (Grieks proza) dat de leeuw hanen haat. Zie De natura animalium II ed. 1971: 38-39 (VI.22).

 

3 Haan // geestelijke bewustwording, berouw, waakzaamheid tegenover zonden

 

Vergelijk Petrus en de kraaiende haan in de Bijbel (Mattheus 26, 34 / 69-75; Marcus 14, 30 / 66-72; Lucas 22, 34 / 54-62; Johannes 13, 38 en 18, 15-18 / 25-27).

 

Albrecht Dürer, De Verloren Zoon, kopergravure, 1496-97. In het midden staat een haan op een mesthoop. Dit gaat terug op de Bijbel (de haan van Petrus): de haan is een symbool van berouw. Vandaar ook de aanwezigheid van een haan op biechtstoelen en op voorstellingen van Petrus. Zie Top 1992: 333.

 

Gerard de Jode, The devil finds work for idle hands, derde gravure uit de reeks The use and abuse of time, circa 1570, Amsterdam, Rijksprentenkabinet. Zie Veldman 1992: 246-247 (afb. 26). Volgens de auteur is de haan in deze prent ‘a symbol of watchfulness’.

 

H. Platelle, “Tijdmeting in de middeleeuwen”, in: Spiegel Historiael, jg. 7, nr. 2 (februari 1972), pp. 66-77, meer bepaald p. 68. Bij de lauden in de kloosters zingt men de lof van de haan als teken van de dag, geassocieerd met Christus als Licht van de wereld en met de vergiffenis aan Petrus.

 

Van den levene Ons Heren I ed. 1968 (XIIIB)

  • 78-79 (verzen 2292-2305). Berijmd Jezusleven. Als peter dese antwerde gheeft / Driewerf hi gelochent heeft / Als dit gesciede en was niet lanc / Stappans daer na die hane sanc / Als die hane gesonghen hadde dan / Peter was een serich man / Hi begonde te wenen bitterlike / Ende bepensde hem serichlike / Wat siin mester hadde geseit / Wat talen hi voer hem hadde geleit / Eer nemmermeer quame dat songe de hane / Hi soude driwerf sonder wane / Sijns lochenen ende sinen name / Eer nemmermeer middernacht quame. Zie ook Vanden levene Ons Heren ed. 2001: 134 (verzen 2292-2305).

Tafel van den Kersten Ghelove IIIa ed. 1938 (1404)

  • 115 (Somerstuc, hoofdstuk 7, regels 588-591). Theologisch compendium. Over de Arma Christi: Dat elfte was die haen, die mit sinen craeyen Pieter dede sijn lofte ghedencken, opdat wi in allen uren vanden slaep onser sonden ghewect mochten werden ende onser salicheit gehoghen.

Leven Ons Heren Ihesu Cristi ed. 1980 (1409)

  • 165 (hoofdstuk 29). Jezusleven. Ende als Petrus sach, dattet ons Heer ghehoert hadde ende hem aensach, alte hants ghinc hi uutten gheselscap der quaetheit, daer hi hem ghelochent hadde, so als veel lude noch huden doen, ende vloech in een hol, dat noch totten hanen crayen hiet, ende daer screyde hi bitterlike.

Blome der doechden ed. 1904 (XVa)

  • 20. Over ‘leticia’, het blij zijn om goede dingen en om de schepping Gods. Hier bij machmen ghelijcken den haen die vroech voerden daghe opstaet ende slaet hem selve mit sijnen vloeghelen als die ghene die hem selven casteyen ende singhet gode loff ende blijscap daer hij hem in verhoecht.

Der Dieren Palleys 1520 (1520)

  • 84v. Postincunabel over dieren. In het hoofdstukje over de haan: Gregorius in moralibus. Die haen is die bode vanden dage ende hi onderscheyt die hueren vander nacht ende dan gheeft hi ons een vermaninghe crayende met sijnder stemmen.

 

4 Haan = de goede prediker

 

Zie Aviarium ed. 1992 in onderdeel 1 hierboven.

 

Gossart 1907: 161, signaleert: voor Hugo van St.  Victor is de haan op de kerk een symbool van de vurige prediker die eerst met zijn vleugels zichzelf opwekt, alvorens de anderen op te roepen. De ijzeren staaf waarop hij zit = de rechtheid en juistheid van zijn doctrine.

 

Karel Porteman, “Van poëten en predikanten – Beschouwingen over het belang van de artes praedicandi voor het onderzoek van de Middelnederlandse literatuur”, in: Liber amicorum Prof. Dr. E. Rombauts, Leuven, 1968, pp. 79-94, meer bepaald p. 82 (noot 10): de vergelijking haan / predikanten in een Brugs handschrift van een veertiende-eeuws traktaat van Robertus van Basevorn (een ars praedicandi).

 

5 Haan // ijver, arbeidzaamheid

 

Philips Galle naar Maarten van Heemskerck, The Marriage of Labor and Diligence, tweede gravure uit een reeks van zes, 1572, Dresden, Staatliche Kunstsammlungen. Zie: Veldman 1992: 231-232 (afb. 4). Volgens de auteur is de haan in deze gravure ‘a symbol of watchfulness’, maar is hij hier niet eerder een symbool van ijver en arbeidzaamheid?

 

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 118 (fol. 383r, vers 31). Rederijkerslyriek. Een gedicht over Arbeid. Arbeid zond ‘bruudsticken’ naar Hercules, onder meer: Eerst drie vaeten vul zweets, Een ezel een hane. De haan is hier dus één van de attributen van Arbeid.
  • 122 (fol. 386r, verzen 5-8). Rederijkerslyriek. Een Vader met Liefmoedeghen vermane / voortyds tot zynen zuene, aldus sprack hy / Zuene, ick bid hi ziet toe, dat den hane / niet vrougher wacker en worde dan ghy.

 

6 De haan in verband met duivels, heksen en afgoderij

 

Bax 1948: 143, signaleert de daemonomagische functie van de haan: op het schilderij Saul bij de heks van Endor (1526, Amsterdam, Rijksmuseum) van Jacob van Oostsanen trekken zwarte hanen een paardenschedel voort, waarop een heks zit. Zie ook Bax 1983: 64 (met in noot 309 een bijkomend voorbeeld: in een vijftiende-eeuws Nederlands handschrift wordt de haan vermeld als een dier dat geofferd moet worden om iets te verkrijgen).

 

Scaecspel ed. 1912 (XV)

  • 85 (regels 3-8). Didactisch-moraliserende prozatekst. Over de ketter Cosdras: Hoverdye is mede een zake, dat Cosdras starf, doe hi in enen toorne dat cruse ons Heren settede aen zijn rechter zyde, in den name des zoons ende aen zijn lufter zijde enen haen, in de name des heylighen geests ende hem in die middel, als die vader, ende dede hem aenbeden alse God, van alle zinen rijc. De haan dus als pseudo-H. Geest.

Malleus Maleficarum ed. 1986 (1487)

  • 319 (pars II, quaestio 1, hoofdstuk 15). Stichtelijk prozatraktaat (Latijn). Over een zwarte haan als offer aan de duivel. De Nederlandse vertaling (2011) spreekt hier echter van een ‘kip’, zie Malleus Maleficarum ed. 2011: 265.

Christoffel Wagenaer ed. 1913 (1597)

  • 11. Volksboek. De persoonlijke duivel van Wagenaer heet Averhaen.
  • 114. Wagenaer en zijn gezel Joannes reizen naar Toledo: ende voeren op 2. haenen daer henen.
  • 119. Wagenaer wordt door zijn duivel naar Lapland gebracht: doen quam daer terstont eenen grooten haen, daer ginc Waghenaer opsitten, ende den Haen voerde hem tegen Middernacht ouer die Zee, ende hy quam also tijtlick [tijdig] daer.
  • 126. Wagenaers duivel brengt hem naar de Nieuwe Wereld: Terstont quam daer eenen grooten Haen, ende daer ginck Christoffel Wagenaer op sitten, ende die brocht hem sonder eenige schaede daer hy wilde wesen.
  • 154. Averhaen vliegt met Wagenaer en drie anderen naar China. Johannes de Lunda namer oock drie, daer voer den Haen Bethor genoemt, mede wech.

 

7 Kraaiende hanen = ketters, personen die foute ideeën verkondigen

 

Bax 1948: 143, vermeldt de haan als symbool van de laster. Bij Frans Verbeeck zien we kwaadsprekers met hanenkopmaskers en hanensporen aan de kuiten… Zie ook Bax 1956: 68, en Bax 1983: 64.

 

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 321 (vers 36). Vroed rederijkersrefrein, hekeldicht. In een reeks van spreekwoorden: Tis quaet beletten tcraeyen den hane.

Bijns ed. 1875 (1548)

  • 101 (boek II, refrein 2, strofe d, verzen 16-17). Vroed rederijkersrefrein. Over lutheraanse wantoestanden: ouders geven kinderen het slechte voorbeeld. Djonck hoen craeyt gheerne soot doude hoort craeyen, / Als douders den kinderen quaet exempel gheven.
  • 141 (boek II, refrein 12, strofe a, verzen 13-16). Vroed rederijkersrefrein. Over de lutheranen: Nu craeyen sonder vreese de Luthersche hanen / En des ghelijcxk ooc de Luthersche hinnen; / Maer ic segghe, hoe sij opsteken haer granen: / Aen de miraculen leerdt de sancten kinnen.
  • 161 (boek II, refrein 18, strofe c, vers 8). Vroed rederijkersrefrein. Over Luther: Dees tijdinge craeyt ons Twittenberchs haenken.
  • 190 (boek II, refrein 24, strofe y, vers 8). Vroed rederijkersrefrein. Over ketters en lutheranen: Wee den lande, daer craeyen selcken hanen.

Werck der apostolen cap. 3, 4 en 5 ed. 1903 (XVIA)

  • 328 (vers 4). Rederijkersspel. Valsch Propheet over Petrus en de apostelen: Laet craeyen thaenken. Met andere woorden: laat Petrus en de zijnen maar leuteren.

Siecke stadt ed. 1917 (1539-64)

  • 39 (vers 1081). Rederijkersspel. Amstelredam tot de sinnekes: Gaet van mijn, ghij craijende haenen.

Bekeeringe Pauli ed. 1953 (circa 1550)

  • 56 (verzen 209-210). Rederijkersspel. Een sinneke (dat aan de kant staat van de nog niet bekeerde en de christenen vervolgende Saulus/Paulus: Iuijst, willen wy Saulum hier af thoot maken, / Soo meugen sy minderen dees craeyende hanen. Met dit laatste worden dus de (in de ogen van de sinnekes verwerpelijke) christenen bedoeld. Zie ook de bewerking van dit spel: Sincte Päulus bekeringe ed. 1992: 2v (vers 173), alwaar dese craijende haenen.

Sint Jans onthoofdinghe ed. 1996 (vóór 1552)

  • 68 (vers 319). Rederijkersspel. Een sinneke over Johannes de Doper, wiens einde nadert: syn tongblats haentgen sal niet meer crayen. Johannes zal dus niet meer kunnen preken (het goede preken is in de ogen van de sinnekes ongewenst).

Groote hel ed. 1996 (1564-65?)

  • 20r (verzen 88-90). Rederijkersspel. De secretaris van de hel over ongeleerde clerici: alle ongeleerde pastooren ende Cappelaenen / Die op den stoel staen craijen als haenen / ende niet en weeten wat sij Leeren.

Christum liefde bewijsen ed. 1993 (XVIB)

  • 74r (vers 1256). Rederijkersspel. Aertschen Schadt tot de neefkes: want ghij en sijt geen hanen die quaet weer sullen craeijen. Met andere woorden: jullie zijn betrouwbaar. Ironisch vanuit de zender/auteur: neefkes zijn natuurlijk nooit betrouwbaar.

De andere Meij ed. 1994 (XVIB)

  • 180r (vers 380). Rederijkersspel. Het ene sinneke tot het andere: ghij craijende haenken waer duvel legdij?

Becooringe des Duvels ed. 1996 (XVI)

  • 40v (vers 419). Rederijkersspel. Ewige Haet over de farizeeërs (die staan voor de katholieken in dit protestantse spel): dese craijende hanen.

 

8a Haan // erotiek, onkuisheid

 

Peter Burke, Volkscultuur in Europa 1500-1800, Amsterdam, 1990, p. 178. Over carnaval in de periode 1500-1800: ‘De haan en het varken waren in die tijd zinnebeelden van de wellust’.

 

Bax 1948: 143, signaleert: de haan als zinnebeeld van onkuisheid in Bruegels Luxuria en Fortitudo, en in een Duitse houtsnede (eind 15de eeuw). Zie ook Bax 1983: 64.

 

E. de Jongh, “Erotica in vogelperspectief – De dubbelzinnigheid van een reeks zeventiende-eeuwse genrevoorstellingen”, in: E. de Jongh, Kwesties van betekenis – Thema en motief in de Nederlandse schilderkunst van de zeventiende eeuw, Leiden, 1995, pp. 21-58, meer bepaald p. 28: de haan als zinnebeeld van onkuisheid, onder meer in Bruegels Luxuria en Fortitudo. De erotische haan in de zeventiende-eeuwse beelding (met voorbeelden en afbeeldingen).

 

Van Altena ed. 1987 (1100-1300)

  • 38 (nr. V, strofe 4). In een anoniem Occitaans meilied uit de periode 1100-1300: Maar zijn smeken sloeg niet aan, haja! / oud heeft voor haar afgedaan, haja! / zij verkiest een jonge haan, haja! / die als zij ’t wenst hem heeft staan / en haar lust stilt, zoet en fijn.

Bestiaire d’Amour ed. 1986 (circa 1250)

  • 3. Erotisch bestiarium. De minnaar spreekt tot zijn geliefde: And because this composition is my arrière-ban as well as the last hope I can muster, I must speak more forcefully in it than I did in all the others, as is said to be the nature of the cock. For the closer to twilight or to daybreak that the cock sings its night song, the more frequently it sings. The closer to midnight it sings, the more forcefully it sings and the more it amplifies its voice. Twilight and daybreak, which have the nature of night and day mingled together, signify the love where one has neither complete confidence nor complete despair. Midnight signifies totally despairing love. Wherefore, sinde I have no earthly hope in the future of your goodwill, it is like midnight. When I did have hope, it was like twilight. Then I sang more frequently, but now I must sing louder. Van deze tekst is een Middelnederfrankische vertaling (circa 1270-90) bewaard gebleven: Jnde dar vmbe dat dit leste vntbiden dat ic make in dit gescrigte is al di leste helpe di ic vntbiden mag, so mut ic spreken starkeliker dan in inegen anderen steden. Want also als man vertelt di nature van den hane, want so di hane nairre singt des nagts, der dagerait of den avunt, so hi dicker singt. Jnde so hi narre singt der midder nagt, so hi starkeliker singt Jnde so sine stimme grauer wurt. Dauenstunde inde di dageraid di nature heben van den dage inde van der nagt gemingt te gadere. Di betekenen di minne dar man nit al siker hope vp en heuet jnde ak nit al in wanhope is. Jnde di midde di betekent di minne di al in wanhopen is. Jnde sint dat ic nu nit mergen hope en hebe van vrre minnen, nog van vwen guden wille te hebene, so ist mit mi regt als ter midder nagt. Jnde du ikker en del hope vp hadde, du waist mit mi regte als in di dagerait of in dauenstunde, du sang ic vile dickere. Jnde nu mut ikt dun vile starkeliker jnde te redene [Bestiaire d’Amour ed. 1987: 404 (regels 5-17)].

Blome der Doechden ed. 1904 (XVa)

  • 82 (hoofdstuk 26). Stichtelijke prozatekst. Die luxuria is wel te ghelijken bijden haen dats die lustichste voeghel die men vint, want hij en hout gheen jaertijt als dander voghele. Mer hij is daer alle dage an doende sonder aflaten ende al hadde hij .xv. hinnen hij soude hen allen wel ghenoich doen.

Brugman ed. 1948a (XVc)

  • 232-233 (Preek XIX, regels 210- 213). Stichtelijk prozatraktaat. Wanneer een maagd door de tuin wandelt, moet zij niet te veel kijken naar de vogels. Want sinte Iheronimus scrijft tot eustochium ende verboet haer, dat si duven noch hanen houden en soude, op-dat den reynen gemoede ummer geen oersake ghegeven en worden van enigen fantasien. De tekstbezorger (Grootens) heeft het bedoelde citaat niet gevonden in de bekende 22ste brief van Hiëronymus van Stridon, gericht aan de maagd Eustochium. Inderdaad komt het citaat daarin niet voor. Misschien in een andere aan Eustochium gerichte brief van Hiëronymus?

Esopus ed. 2016 (1485)

  • 336 / 338 (nr. 101). Gedrukte fabelverzameling. Gesprek tussen een kat en een haan. Ende die katte sprac noch anderwerf tot hem: ‘Noch doet ghi al meer quaets dat argher is, wante du biste een overspeelre.Want ghi bekent vleyscheliken die moeder ende die dochter.

Evangelien vanden spinrocke ed. 1910 (circa 1520)

  • A6v (hoofdstuk 9). Volksboek. Men en soude genen iongen meyssens laten eten de hoefden van scapen of van hanenkammen oft alen op dat si niet en vallen in sinte luypen ongemack (Glose) Voerwaer seide beele mitten tuten dat is een groot hinder want om deswil datter mijn moeder adt soe heb icker drie licteiken af behouden die mi nemmermeer vergaen en sellen. Teerste dat ick dicwil op minen rugghe val Tweeste dat ic mi gaerne stote Tderde dat ick heymelic gebreck lide. Dit laatste luidt in het Franse origineel: dat er op het meest verborgen plaatsje van mijn lichaam iets groeit dat op een hanenkam lijkt waarover ik mij schaam [zie Evangelien vanden spinrocke ed. 1992: 58 / 92 (noot 2)]. De hanenkam verwijst dus naar de schaamlippen van de vrouw.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 192 (nr. 51, strofe c, vers 19). Vroed rederijkersrefrein over de gevaren van de liefde. Minnaars liggen vaak wakker door liefdesverdriet: Zij hooren des snachts wel, hoe dat haenken craeydt. De haan speelt hier dus eerder een neutrale rol.

Groot Labuer ende Sober Wasdom ed. 1920 (1530)

  • 272 (vers 255). Rederijkersspel. Groot Labuer zegt tot Sober Wasdom (zij hebben besloten naar hun beider uitverkorene, Couver Handelynghe, te gaan): Jc comme hu by fray als een haene.

Cristenkercke ed. 1921 (kort na 1540)

  • 65 (vers 1488). Rederijkersspel. Scriftuerlijcke Hoede noemt Selfs Goetduncken, die de maagd Uprecht Simpel Gheloven probeerde te verleiden, den haen.

Het Bosken ed. 1979 (1570-71)

  • 124 (verzen 61-62). Lyriek. Beschrijving van een allegorische voorstelling van de Onkuisheid: Men sach by heur eenen haen hem verfraeyen, / En na syn spel wellustichlyck staen craeyen. Ook vermeld in Bax 1983: 64 (noot 306).

Coninck Balthasar ed. 1907 (1591)

  • 38 (verzen 731-733). Rederijkersspel. De sinnekes bespotten koning Balthasar. [Genuchte in Dwaesheyt:] Hy en maect nv geen mentie / [Eyghen Goetduncken:] van vrauwen presentie! / [Genuchte: ] Thaenken is verschout! Haan = vrouwenliefhebber. Ook gesignaleerd in Bax 1948: 143, en in De Jongh 1995: 28.

Braekman ed. 1998 (XVI)

  • 21. Zestiende-eeuws arteshandschrift. Een liefdesrecept (‘Ad amorem’): Nempt testiculos van eenen haene, ende die wel gedroocht, ende geeftse die vrauwe in.

Lantman Steven ed. 1998 (XVIB)

  • 94v (verzen 93-94). Rederijkersspel (tafelspel). Dus wilt nu vruechde bedrijven, ghij aerdige compaenen / en wilt u met u speeren verweeren, als vroome haenen.

 

8b Haan = fallus

 

Brunswijkse Monogrammist, Bordeelscène, paneel, circa 1530, Berlijn, Gemäldegalerie. Op de muur van de herberg graffiti, onder meer een haantje met een lijf dat bestaat uit een penis en twee teelballen. Zie: Peter van der Coelen en Friso Lammertse, De ontdekking van het dagelijks leven van Bosch tot Bruegel [Tenstoonstellingscatalogus, Rotterdam, Museum Boijmans van Beuningen, 10 oktober 2015-17 januari 2016], Rotterdam, 2015, pp. 143-144 (afb. 133 / 134).

 

Een boer biedt een boerin, die een weefspoel vasthoudt, een haan aan in een aan Pieter Brueghel de Jonge toegeschreven schilderij (Boer en boerin met een haan) dat zich in 1938 in Kunsthandel E. Burg-Berger bevond. De haan fungeert hier hoogstwaarschijnlijk als fallussymbool. Zie: Matt Kavaler, “Erotische elementen in de markttaferelen van Beuckelaer, Aertsen en hun tijdgenoten”, in: Paul Verbraeken (red.), Joachim Beuckelaer – Het markt- en keukenstuk in de Nederlanden 1550-1650 [Tentoonstellingscatalogus, Gent, Museum voor Schone Kunsten, 12 december 1986-8 maart 1987], Gemeentekrediet, Gent 1986, pp. 18-26, meer bepaald pp. 23-24 (afb. 9).

 

Van Altena ed. 1987 (XI-XII)

  • 54 (nr. IV, cobla 6). In een Occitaans lied van Guilhem IX (1071-1127): Ik zag haar nooit, ik min haar teer / ze deed geen goed, maar ook geen zeer. / Wie zich nooit toont is nimmermeer / dit haantje waard: / ik heb een fraaier vrouw van eer / en deugd ontwaard.
  • 107 (nr. III, cobla 2). In een Occitaans lied van Bernart de Ventadorn (circa 1120-1195): Zolang ik maar haar fraaie / gezicht zie, steelsgewijs, / kan ik me daarmee paaien, / volhard ik eigenwijs. / Toch gaat zich twijfel zaaien: / krijg ik haar liefdesspijs, / zal mijn haan koning kraaien? / Maar ach, zij sprak zo wijs: / ‘Wie aanhoudt krijgt de prijs, / lafaards gaan naar de haaien’.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 179 (refrein 222, verzen 14-17). Zot-erotisch rederijkersrefrein. Men sou dees meyskens niet moghen bedwighen [sic] / noch niemant en soutse moghe maken dam siet / Dan alleen dat haenken mitten roden cam siet / daer aldus veel hennekens nae lopen. Ook vermeld in Bax 1956: 56 (noot 5) en in Bax 1983: 65.
  • 200 (refrein 235, verzen 27-29). Zot rederijkersrefrein. Een man bij een hoertje. Deze laatste zegt: Maect moet laet den haen waken / wij willen leuen mit jolijte / Wat ghij begheert zult ghij dan smaken.

Amoreuse Liedekens ed. 1984 (circa 1600)

  • 209 (strofe 3). Liedboek. Een winterlied (met een aansporing tot pretmaken en vrijen): Haelt dan vry, een speelman by / Om te verfrayen, praet van geen scheyen / ‘tHaentjen moet krayen.

Cramer met drollighe liedekens ed. 1985 (1610)

  • 258 (kolom 2, vers 095). Rederijkersklucht. Een impotente man wordt een slechten haen

 

8c Haan en kip = man en vrouw (in algemeen-neutrale context)

 

Gemeene Duytsche Spreckwoorden ed. 1959 (1550)

  • 52 (regels 19-20). Spreekwoordenverzameling. Tis den huyse groot verdriet / Daer die Henne kreyt / ende die Haene niet.

 

8d Haan en kip = man en vrouw (in erotische context)

 

Decamerone ed. 1989 (1349-53)

  • 47 (I, 5). Novellenverzameling (Italiaans). Een koning, op bezoek bij een knappe markiezin, krijgt alleen kippenvlees voorgeschoteld: En daarom vroeg hij met een schalkse blik: ‘Mevrouw, worden er in deze streek alleen hennen geboren, zonder dat er een haan aan te pas komt?’ De markiezin, die de vraag maar al te goed begrepen had, was blij dat de Heer haar zo’n mooie kans bood om haar principes duidelijk te maken, en zonder blikken of blozen antwoordde ze hem: ‘Nee hoor, Sire, maar wel zijn alle wijfjes hier, of ze nu al of niet tot een edel ras behoren, precies hetzelfde geschapen als elders.’ Toen de koning dit hoorde, begreep hij meteen het waarom van dit kippenfestijn en de verborgen zin van de toespeling.
  • 175 (III, 1). Een man doet zich in een klooster voor als doofstomme tuinman en wordt door de nonnetjes ‘misbruikt’. In bed bij de abdis zegt hij: Eerwaarde moeder, ik heb altijd gehoord dat één haan makkelijk tien kippen de baas kan, maar dat tien mannen nauwelijks volstaan om één vrouw te bevredigen; en ik moet er negen bedienen.
  • 391 (V, epiloog). Titel van een ondeugend liedje: Op de markt kocht ik een haan, had ik zoiets maar nooit gedaan.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 12-14 (refrein 3). Zot rederijkersrefrein waarin in een klooster een parende haan en hen gestraft worden door de nonnen. Het blijft vaag of een echte haan en hen bedoeld worden, of een non en haar minnaar. Hetzelfde in Doesborch II ed. 1940: 260-262 (nr. 148) [tekstbron uit 1528-30]. Vergelijk over dit refrein Coigneau II 1982: 299 / 301. Coigneau is van mening dat het om een échte haan gaat (dus niet metaforisch over een mannelijke persoon).
  • 50 (refrein 23, vers 31). Amoureus rederijkersrefrein: soort zoekt soort in de liefde. Ten is geen haenken ten heeft een hinneken.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 179 (refrein 222, verzen 22-25). Zot-erotisch rederijkersrefrein. Die henne is ghern byden hane / soe is die haen oec bij die hinne / Wy dat heeft die beste scryf penne / daer geef ic v allen in te raen. Ook gesignaleerd in Bax 1956: 56.
  • 193 (refrein 231, vers 38). Zot-amoureus rederijkersrefrein. De ‘ik’ leerde zijn geliefde onder meer den hoender draff. Een soort dans met erotische connotatie?
  • 213 (refrein 242, vers 55). Zot-erotisch rederijkersrefrein. Een man zegt: Mer ic ontuloot haer als een mat hoen. Matte hoen = seksueel uitgeputte man.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 172 (refrein 45, strofe e, vers 13). Zot rederijkersrefrein: soort zoekt soort in de liefde. Die haenkens sijn geerne ontrent die hinnekens.
  • 309 (refrein 85, strofe c, verzen 5-6). Zot rederijkersrefrein: ongelijke liefde (een jongeman is verliefd op een oude vrouw). Ic zouder om vervechten al mijn pandekens, / Ghelijc een haenken vecht om zijn hinneken.

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 27 (nr. 10, verzen 41-43). Amoureus rederijkersrefrein. Een venusjanker zegt: Ic ben lieuer gheuangen in druckigen rinnen / duer tderuen mijns liefs, als hanen oft hinnen, / dan de bespottinge mijns liefs te beclagene.

Const van Rhetoriken ed. 1986 (1555)

  • 211 (Snede en clause van xix, verzen 1-2). Rederijkersgedicht. Als den hane an de hinne bluscht zyn verlanghen / Ende de natuere vulgaed haer ghanghen.

De Bruyne ed. 1925 (1579-83)

  • 19 (refrein 134, strofe 5, verzen 13-16). Zot-erotisch rederijkersrefrein. Och ghij, bloo vrijers, comt u sulcx tuwen gewinne, / En latet werck niet blijven opt getouwe: / Vliecht vrij als den haen op de hinne, / Want een bloo herte en minde nooyt schoon vrouwe.

Arnold Bierses ed. 1925 (1577-90)

  • 35 (nr. 10, verzen 29-30). Zot-erotisch rederijkersrefrein. Een jong meisje wordt opgewonden door het observeren van dieren: Onssen groten haen bespranck ons jonge hinnen. / Sij schudde haer vlogelen als sijn vrindinne. Hetzelfde in Nieuwe Nederduytsche Gedichten ende Raedtselen ed. 1972: 161 [tekstbron uit 1624]: Onsen groten Haen vogelde de kleynste Hinne / Sy schudde haer vlogelen als zijn Vrindinne.

Christoffel Wagenaer ed. 1913 (1597)

  • 135. Volksboek. Wagenaer over een volk in de Nieuwe Wereld: Ja, sy en achten oock gheen Eere noch schande, want sy daer gheen onderscheyt van en hebben, waer by ick haer anders niet ghelijcken en can, dan by eenen Haen, die welcke met zijne Hinnen door den dach hem op der straten gheneert, ende doet zijn Werck also openbaerlijck wat hem ghelust, ende sy hebben een Bedde voor hare Hutten hangen, daer sy haren Lust met hare Vrouwen hanteren.

Amoreuse Liedekens ed. 1984 (circa 1600)

  • 41 (strofe 1, verzen 4-5). Lied. Over een wellustig jong meisje dat niet langer maagd wilde blijven: Sy was niet gherust voor sy Kindt draecht / Vande Hoender Vlaeykens was sy vertsaecht. Aantekening noteert: ‘hoender vlaykens’ = kippenpasteitjes. Waarom is het meisje daar bang (versaagd) voor? Onduidelijk.
  • 185 (strofe 15, verzen 1-2). Lied. Over een arme jongen die tevergeefs een rijk meisje vrijt: Als desolaet hy dickwils sweeft / Die Minnaer Hen noch Kiecken heeft.

d’Een ende d’Ander: Twee soldaten ed. 1985 (1610)

  • 256 (kolom 2, vers 493). Rederijkersspel. Een jonge boerin verwijt haar oude man impotentie: Broeyt den Hennen-nest, ghy wilt niet wercken. Aantekening van tekstbezorger vertaalt: ‘Ga met je vrouw naar bed’.

Noach ed. 1986 (1667)

  • 584. Toneelwerk. In Vondels ‘Noach’ een gesprek tussen Achiman, de grootvorst der reuzen, die op het punt staat zich te bekeren tot de leer van Noach (gericht tegen de veelwijverij) en zijn vrouw Urania. [Achiman:] O schendig misbruik van veel schone vrouwen t’zamen! / [Urania:] Gij hoeft u, om ’t gebruik van velen, niet te schamen, / Zo luttel als de haan, die veel vriendinnen mint / Natuurlijk, zonder smet, en welig jongen wint.

 

9 Haan // agressiviteit

 

Tot 1565 was er jaarlijks een hanengevecht te zien in ’s-Hertogenbosch [Kroniek Sint-Geertruiklooster ed. 2001: 3-4 (bron uit XVIId)].

 

Bax 1948: 143, vermeldt de haan als zinnebeeld van vechtlust. ‘Hane’ kon in de 15de eeuw ‘roofziek krijgsman’ betekenen, en in de 17de eeuw ‘soldaat, vechtersbaas’ (WNT) of ‘bazige vrouw’ (Tuinman). Zie ook Bax 1956: 68, en Bax 1983: 64 (in noot 308: verwijzing naar duivels met hanensporen bij Bosch).

 

Der naturen bloeme I ed. 1980 (circa 1270)

  • 240 (boek III, verzen 2001-2004). Didactische rijmtekst. Als een haen vecht den zeghe, / Maect hi hem fier alleweghe, / Ende sinct ende gaet den hoghen ganc; / Die verwonne cruupt onder die banc.

Sidrac ed. 1936 (circa 1320)

  • 204 (regels 7-9). Artestekst. Die hane maken oec stride metten anderen ende vechten om doe meesterscap ende de ghene die den anderen verwint hem doen dandere reverencie ende ontsien hem.

Knollebol ed. 1980 (1560-61)

  • 91 (verzen 154-155). Spotprognosticatie. Over kijvende en vechtende vrouwen: En pluckharen d’een den anderen wel tedeghe goet ront, / Ghelijck dees jonghe haenkens doen, tot elcker stont.

Goosen Taeijaert ed. 1938 (vóór of in 1594)

  • 46v (verzen 342-343). Rederijkersklucht. De vrouw van een vleeshouwer zegt tot Goosen: Dus durft ghij ons niet meer comen manen, / Offt wij wullen noch eens campen als twee qua hanen.

Trauwe ed. 1899 (vóór 1595)

  • 180 (verzen 1199-1200). Rederijkersspel. Over de wereldsgezinde geestelijken: Waer sy van een benefitie hooren vermaenen, / Daer sullen sy om stryen als hanen.

De propheet Eliseus ed. 1992 (XVIB)

  • 71v (vers 908). Rederijkersspel. Het ene neefken tot het andere: ghij sijt een his haen en een verwijtere. Met andere woorden: een ruziestoker.

Troost der Sondaren ed. 1993 (XVIB)

  • 152r (verzen 1017-1018). Rederijkersspel. Een sinneke, helper van de farizeeërs, zegt: Neve ons phariseen sijn te degen op hem gram / elck opschorte sijnen cam, als een vechtende haen.

Vruechde en Vreetsaemichghe Liefde ed. 1998 (XVIB)

  • 24v (verzen 1673-1676). Rederijkersspel. Clappeije zegt: want haer wetenschap verweert, bedriecht er sijt waenen / haer selven al soe dat sij vallen van godts baenen / als verkeerde haenen, teghen malcander onwaerdich / In haet ende mijt [lees: nijt] ende oock hovaerdich.

De Treves ed. 1998 (1609)

  • 71r (verzen 661-664). Rederijkersspel. Gemeen Huijsman zegt over de Hollandse soldaten die tegen de Spanjaarden vechten: Ick heb ons haentgens wel sien vechten dat sij soegen / als sij moed waeren ophielden tot dat sij amtocht hadden verhaelt / root gecamt gecropt so lang tot dat sij weer de clauwen uijt en in / op malcandren verbidts, tis quaet dat vrede wert bestoegen.

 

10 Haan // dronkenschap (het hoofd van dronkaards wordt rood als de kam van een haan)

 

Hildegaersberch ed. 1981 (circa 1400)

  • 173 (nr. 83, verzen 114-117). Gedicht. Over de broeders van de Sint-Everaertsorde: Mar achter noene gaen si dringhen / Byden vrouwen in dat bier, / Entan worden sy voer theete vier / Root ghecammet als een haen. Ook vermeld in Bax 1983: 65.

Bijns ed. 1902 (circa 1550)

  • 351 (nr. 43, strofe B, vers 5). Rederijkersrefrein over dronkaards: Zynen mont werdt schorft, zynen cam werdt root.

 

11 Haan // dwaasheid, ijdelheid (haan = verwaande persoon die zichzelf belangrijk acht)

 

Bax 1948: 143, signaleert: narrrenkappen die overgaan in een haan (met vijf voorbeelden uit de beeldende kunsten). Hanenveren als symbool van zotheid bij Sebastian Brant, Hans Sachs en andere Duitse schrijvers. De Bosch-tekening van een haan die een ton trekt waar een vrouw van afvalt (een vastenavondvierster?). ‘Verhaent’ betekende in de zestiende eeuw ‘hovaardig’ maar ook ‘dwaas’. Op vastenavond ‘trok’ men de haan en waren er hanengevechten. Zie ook Bax 1956: 68, en Bax 1983: 64 (met in noot 305 de aanvulling: op een Antonius-verzoeking uit de buurt van Pieter Huys trekt een haan een ton waarop een vastenavondvierster).

 

Carel van Mander, Cartouche with a Fool’s Cap held by two Putti, tekening, 1597, Universiteit van Leiden – Prentenkabinet. Bovenop de kap van de nar: de nek en de kop van een haan. [Van Regteren Altena I 1983: 47 (afb. 37)]

 

Des Coninx Summe ed. 1907 (1405)

  • 477 (paragraaf 566). Stichtelijk prozatraktaat. Over ijdelheid en het dragen van dure kleren: Dat hem die paeu verhovaerdichde van sinen staert, of die haen van sinen sconen cam, dat en is geen wonder, want natuer heeftse hem gegeven, ende sij doen als hem die natuer leert. Maar de mens zou beter moeten weten… Ook vermeld in Bax 1983: 64.

Refereynen Gent 1539 ed. 2000 (1539)

  • G1r. Zot rederijkersrefrein van Nieuwpoort, over dwazen: Ic wilde op thooft hadde zulc van gheslachte / Eenen grooten hane cam, om tzyne verhooght.

Bijns ed. 1902 (circa 1550)

  • 212 (nr. 25). Rederijkerslyriek, rondeel. Over de navolgers van Luther: Augustyns, lollaerts, bollaerts, verhaende clercken.

sMenschen Gheest van tVleesch verleyt ed. 1953 (circa 1550)

  • 604 (verzen 50-51). Rederijkersspel, vastenspel. tVleesch tegen Duvel over Werlt die eraan komt: kijckt ou ghevaerken besiet wie dat ghinder comt / de beste haene die in die renne staet.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 104 (fol. 209v, verzen 30-32). Vroed rederijkersrefrein. Vermanend aan de hovaardige wereldlijke heersers: hoort zachtmoedelick twoord gods en daer in verhueght / die alomme houeerdich wilt maecken den hane / hoort wat god den heere doet thuwen vermane.

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 30 (fol. 330v, verzen 17-20). Rederijkerslyriek. Een ‘carnation’ op twee steden die ingenomen zijn: Schoon hesdijn en terrewans / hoe sterck was hu Bewelt / En maectet zeere den hane / licht neder nv ghevelt.

Leenhof der Ghilden ed. 1950 (1564)

  • 12 (verzen 168-169). Satirisch rederijkersgedicht. Over de allegorische leenmannen die afhangen van het allegorische Leenhof. Eén van die leenmannen is: En Plissus lichtvoet, die niet weet hoe te gane, / Is altijt ghepluymt ghelijck eenen hane. Bedoeld wordt blijkbaar dat hij veren op zijn hoed draagt (een teken van ijdelheid).

Retorijka en Justicia ed. 1993 (1579)

  • 25r (vers 630). Rederijkersspel. Retorijka zegt: laet ons nu recht wandelen en niet als loose hanen.

Jesus onder die leeraers ed. 1941 (1580)

  • 162 (vers 1002). Rederijkersspel. Jezus, minachtend over de ‘leeraers’: Want voor dees grote hanen es ’t verloren gepepen.

Verlooren Zoone ed. 1941 (1583)

  • 99 (verzen 129-131). Rederijkersspel. De sinnekes pochen over hun vroegere daden, zij hebben onder meer Lucifer en Adam ten val gebracht. [Quaden Wille:] Iloo! Eert quam te payse, / Daer starver veel bedrouft inden vloet van tranen, / Men macht wel vermanen. / [Sinnelick Ingheven:] Jaet byloo! Veel groote hanen. Grote hanen = personen die denken dat ze belangrijk zijn.

Loterijspel ed. 1941 (1596)

  • 278 (vers 606). Rederijkersspel. Grijpal over de ijdelheid der burgervrouwen en hun hoofddeksels: Spellewerkte huifgen als hanekammen opgezet.

Werlts versufte maeltijt ed. 1994 (XVIB)

  • 121v (verzen 408-409). Rederijkersspel. De zondige verleider Vluijende Weelde over Die Werlt: Ick sal hem die ooren soo vol noch tuijten / dat hij sal guijten [dwaasheden verkondigen] gelijck een haen.

Chronijck der Stadt Antwerpen ed. 1879 (circa 1700)

  • 165. Stadskroniek. In 1567 bespotten de calvinisten te Antwerpen minderbroeders door hanenveren op hun kappen te steken: (…) gelijck sij sommige oude minnenbroeders haelden uyt haer convent, leydende die met gewelt door de straeten, aen hebbende haer cappen waerop sij haneveiren gestecken hadden. Ende alsoo spottende, hebbense geleyt tot op die Meirebrugge, haerlieden groot gewelt aendoende ende confusie in de straeten.

 

12 Haan // brand, brandstichting

 

Bijns ed. 1902 (circa 1550)

  • 341 (nr. 38, strofe E, verzen 11-12). Over Maarten Luther en Maarten van Rossem: Al liet Rossom den haen metten rooden camme / In Brabant vlieghen, zoot heeft ghebleken.

 

13 Snaphaan = bandiet, rover

 

Bijns ed. 1875 (1548)

  • 161 (boek II, refrein 18d, vers 8). Vroed rederijkersrefrein. Over de lutheranen: Roovers, snaphanen, die elcken grieven.

Bijns ed. 1902 (circa 1550)

  • 342 (nr. 38, strofe H, verzen 1-2). Rederijkerslyriek. Over Maarten Luther en Maarten van Rossem: Merten van Rossom, Prince van den snaphanen, / Die om stelen, om rooven zyt cloeck ter banen.

 

14 Als een haan op hete kolen = snel (zegswijze)

 

Ysengrimus ed. 1987 (circa 1150)

  • 477 (boek V, verzen 1105-1106). Dierenepos (Latijn). Ysengrimus, zich voordoend als bisschop, tracht te ontsnappen aan slaag in een klooster: Verba nimis presul sed parce verbera curans, / Gallus ut in prunis, per medium agmen abit. Vertaling (in Ysengrimus ed. 1997: 171): ‘De bisschop, die zich veel van hun woorden aantrok maar weinig van hun slagen, ging er als een haan op hete kolen dwars door het gezelschap vandoor’.

Cancellierboeck ed. 1932 (XV)

  • 155. Stichtelijk prozatraktaat, biechtboek. Christus zal tot hen die niet regelmatig te biechten gaan bij het Laatste Oordeel zeggen: ik zag u slechts één maal per jaar in mijn school, ende dat selve loepende ende haestelyc als een hane over heyte colen loept.

 

15 Windhaan (weerhaan) // veranderlijkheid, onbetrouwbaarheid

 

Vandenbroeck 1987a: 387 (noot 485), signaleert dat in Johan de Brune’s Emblemata of Zinnewerck (Amsterdam, 1624), de wispelturigheid van het volk vergeleken wordt met een windhaan: Dit is de aerd des volcks: weer-haenigh, los van zinnen, / Veel-hoofdigh, on-gherust van buyten en van binnen.

 

Spiegel der Sonden ed. 1900 (XIV)

  • 171 (verzen 13.298-13.307). Stichtelijk rijmtraktaat. In het onderdeel over ‘Hoverde’: Hier up sinte Bernart bescrijft: / ‘Die hare consciencie binden / In vremden tonghen, die sullen vinden / Hem selven nu goet, nu quaet, / Nu groot, nu cleyne, na dat staet: / Ten willen der tonghen, die haers gewaghen, / Sullen si prijs of laster dragen.’ / Dusdaene slachten den wederhane, / Die up den toren pleghet te staene, / Die welke keert met allen wynden. Het gaart hier dus over mensen die op het oordeel van anderen afgaan en die nu eens lof, dan weer kritiek krijgen: zij worden vergeleken met een windhaan.

Indestege ed. 1951 (XVd)

  • 33 (nr. VI, strofe 14). Stichtelijk gedicht. Deventuer [het Avontuur] ende den weyderhaen / Siet men menichsins ommegaen, / Soender enich vast ghestant. / Mer allen moeten wy in dander lant.

Maria Hoedeken ed. 1920 (1509)

  • 19 (verzen 420-421). Rederijkersspel. Inwendeghe Wroughynghe over mensen die na vergeving van zonden toch weer in zonde hervallen: Maer haestelic waen, zo men bevynt / Keeren zy, als den weirhaene, met den wynt / Duecht achtende twynt, zoot openbaer es.

Pyramus ende Thisbe ed. 1965 (circa 1520)

  • 173 (verzen 185-187). Rederijkersspel. De sinnekes over zichzelf: Ons voeghende tot ghestadighen dienst, / Soo den weerhane metten winde draeyt: / Want ghetrouwe dienaers zijn dunne ghesaeyt. De sinnekes spreken hier ironisch over zichzelf: ze zijn zo betrouwbaar als een windhaan. Niét dus.
  • 179-180 (verzen 279-282). Thisbe moet scheiden van Pyramus en zegt dat haar troost nu zal veranderen in geklaag: Tscheyden moet mijn solaes uut planen: / Tduchtvarich wanen [de vrees voor gevaar] / Als wederhanen / Doet keeren [terugkeren] al mistroostich vermanen [wanhopig klagen].

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 111 (refrein 187, verzen 1-7). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Recht soe die zee nemmermeer stil en staet / Alsoe die weerhaen altyt omme gaet / ende die bladerkens rueren mitten winde / Sghelycks myn herte van brooser daet / Es onghestelt sonder troost oft raet / duer myn ghepeys reyn sonder eijnde / Ghegroyt duer die liefste die ic oyt kinde.

Ghewillich Labuer ende Volc van Neerrynghe ed. 1920 (1526)

  • 192 (verzen 320-323). Rederijkersspel. sHeeren Wille over Karel V en Frans I: Maer vp eenen corten spronc / Wierdense by my sHeeren Wille / Rasscher dan de weirhaene vp de spille / Van huerlieder opynie omme ghedrayt.

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 48 (nr. 19, verzen 9-11). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Och hoe mach si gheuinden in haren raet / dat si als die weerhaen met allen winden / haer herte gekeert heeft, noyt arger quaet.
  • 54 (nr. 22, vers 18). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Over een meisje: uwen wille recht als die weerhaen drayt.
  • 76 (nr. 32, verzen 40-43). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Idem: Princesse, wilt v doch weerdiger houwen / dan Breseda, Dalida oft sulcke vrouwen / die als de weerhaen sijn omgedrayt; / die sulcke en sijn doch niet om betrouwen.

Zutphens Liedboek ed. 1985 (1537-40)

  • 66 (nr. 7, verzen 13-20). Lied, liefdesklacht. Tis huden lieff, tis morgens lett, / wie los das ich sie finde. / sie thutt gleich der wederhann, / die dreytt sich na den windenn. / Hie kertt sich ost, hie kertt sich west, / hie kertt sich suden, norden; / die norden wintt die is so fell, / wo seltten stett hie faste.
  • 98 (nr. 17, verzen 27-28). Lied, liefdesklacht. Mytt allen winden kann sie weyenn / ghleich die wederhan thutt.

Cloen van Armoe ed. 1967 (XVIA)

  • 70 (verzen 450-451). Rederijkersspel. Pover Geselle vraagt aan zijn kompaan Quaet Regement wat Wel Bedegen ook alweer at, toen die zelf nog arm was en hard moest werken: Twaer goet dat de weerhaen eens omme draeijde! / Want roggenbroodt adt hij met vlaemsche kaese. Het zou goed zijn als de weerhaan zich omdraaide = het zou goed zijn als het anders werd, dat jij van idee veranderde (Pover Geselle is namelijk van plan sober te gaan leven en eten, en Quaet Regement wil net voortgaan met verkwisten en lekker eten).

Cristenkercke ed. 1921 (kort na 1540)

  • 69 (verzen 1598-1599). Rederijkersspel. Uprecht Simpel Gheloven zegt berouwvol: mijn lichtuaerdicheijt, bij den weerhaen ghestreken, / is hier wel ghebleken.

Bijns ed. 1902 (circa 1550)

  • 359 (nr. 45, strofe H, verzen 8-11). Zot rederijkersrefrein, een lofzang op het achterwerk. Oeck draeyt den eers torrekens duer den rinck, / Dies gay sloeghe, hy saghere nauwer dan een vinck / Aenden weerhaen boven, sonder vermeyen / Warwaert dat zyn meester henen ghinck. Onduidelijke verzen.

Meer Gheluck ende Heer Profijt ed. 1946 (circa 1550)

  • 88 (vers 214). Rederijkersklucht. De dokter tot de gasthuismeester: Ic zal corts zijen hoe dat weerhaene draijt. Met andere woorden: ik zal zien uit welke hoek de wind komt, hoe de zaken evolueren…

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 212 (fol. 442r, vers 33). Rederijkerslyriek. In de ‘adieu’ (De Dene neemt afscheid van alles en iedereen): adieu van allen thorren draeyende weirhaenen.

De Bruyne III ed. 1881 (1579-83)

  • 105 (nr. 113, strofe 1, verzen 5-7). Vroed rederijkersrefrein. Over de aardse ijdelheden: Dits al dryfsant, datmen siet lyen / als den weerhaen, die met alle winden keert, / geen vasticheyt hebbende in geender syen.

Dolende Mensche ende de Gratie Gods ed. 1893 (circa 1600)

  • 31 (verzen 402-403). Rederijkersspel. Het sinneke Natuerlycke Begeerte zegt: Wij draeyen als den weerhaen doet metten winde.

 

16a Kapoen = impotente (oude) man

 

Lodder ed. 2002 (XIVB)

  • 62 (verzen 96-97). De boerde ‘Vander vrouwen die boven haren man minde’. Een man heeft een inbreker gevangen, maar eigenlijk is het de minnaar van zijn vrouw. De vrouw moet nu die inbreker bewaken: ‘Jaic,’ seit si, ‘geeft mi den dief. / Ic worghen u alse enen capoen. ‘Kapoen’ is hier grappig-ironisch bedoeld, want vervolgens neemt zij die kerel vast tussen haar benen en paren zij. Zie ook Middelnederlandsche boerden ed. 1957: 117-118 (nr. XIX, verzen 98-99).

Plaijerwater ed. 2009 (XVIa)

  • 78 (vers 254). Rederijkersklucht. Een vogelkoopman helpt Werrenbracht om zijn vrouw te betrappen op overspel met de pastoor door hem (Werrenbracht) in zijn rugmars te verstoppen. Als de pastoor vraagt wat er in zijn mars zit, antwoordt de vogelkoopman: Here, kiekenen in [lees: en] enen grooten cappuijn. Dat is niet helemaal gelogen, want Werrenbracht, een slappe echtgenoot en horendrager, zit inderdaad in die mars.

Zeuen bloetsturtynghen ed. 1920 (1530)

  • 456 (verzen 135-138). Rederijkersspel, tafelspel. Een grapje van Blyden Wille naar aanleiding van de besnijdenis van Jezus en een opmerking van Jonsteghe Daet dat de koning zich ook moet ‘besnijden’ (namelijk van de onkuisheid): Jc gheloove hy en zal. / Hy mochte hem seluen jnt snyden myncken. / Of hy een wyf creghe, wat mochtse dyncken / Dat hy een cappoen waere, ofte veyaert [vieillard, oude man]?

Siecke stadt ed. 1917 (1539-64)

  • 10 (verzen 257-260). Rederijkersspel. Gesprek tussen de sinnekes: [Tijranije:] Niet: plaegen die schutters en ghilden gheen overluij te kiesen? / Maer Godt segen mij, ick moet fniesen, ick segt v plat, / sij slachten die capoen. / [Hijpocrisije:] Ja, hebben se clooten gehadt. / Maer laet loopen dat, wij weeten twaerom, ick en ghije.

Ghelasman ed. 1990 (XVIA)

  • 260 (verzen 50-52). Strofisch rederijkersgedicht. Een herbergmeid spot met een oude marskramer die met haar flirt: Ghy weet wel, een ouder, mager capoen / En can hem seluen niet gedropen, / Wie soude dan die boter gruen?

 

16b Kapoen = stumper, arme drommel, misprezen persoon

 

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 405 (vers 37). Zot rederijkersrefrein over volk van laag allooi: Cappoenders teender oude placke weerdich geboren. Voetnoot verklaart: kapoenen = arme drommels.

Schuyfman ed. 1932 (1504)

  • 11 (vers 240). Rederijkersklucht. Twee bedelende landlopers. Eén van hen, Sloef, zegt: Helpt toch ons arme capuijnen ter noot.

De Coopman die vyf pondt groote vercuste ed. 1920 (1513)

  • 113 (verzen 293-296). Rederijkersklucht. Een koopman is dronken en wil gaan slapen. Hij zegt: Jc wil ghaen slapen onghespaert. / Myn hooft drayt my ghelyc eenen toppe. / [Waard:] Sytge zo vul? / [Koopman:] Tot den croppe / Ghelyc eenen cappoen die men stelt te vettene.

Bijns ed. 1875 (1548)

  • 113 (boek II, refrein 5, strofe b, verzen 12-13). Vroed rederijkersrefrein. Over de lutheranen: Ghij oordeelt u wijser en beter te sijne / Dan u ouders, slachtende den cappoene.

Leenhof der Ghilden ed. 1950 (1564)

  • 11 (vers 143). Satirische rederijkersrijmtekst. Over verlopen jonge adel / jonkers: Sy slachten de Cappuyn alle met allen. Hier dus ‘kapoen’ = jonge vervallen adel die de schone schijn ophoudt en net zoals een kapoen voor niets anders goed is dan vetgemest te worden (?).
  • 13 (verzen 178-179). Over de allegorische leenmannen van het allegorische leenhof. Eén van hen is: Valentijn vuylpoorte als onreyn cappoen / Schijt in zijne broecke als hy is versmoort. ‘Kapoen’ = dronken en zichzelf bevuilende persoon.

Lijs en Lippen Harman ed. 1997 (XVI)

  • 70r (verzen 651-652). Rederijkersklucht. Sober Costgen ironisch over zichzelf en zijn collega-zwerver Slickmorsel: Twee droge cappoentgens / die Avents en noentgens sijn even bijster.

 

16c Kapoen = zondige mens

 

Der natueren bloeme I ed. 1980 (circa 1271)

  • 242-243 (boek III, verzen 2071-2086). Didactisch rijmtraktaat; Boek III handelt over vogels. Maerlant vergelijkt de kapoen (gallinacius) met geestelijken die hun plicht verzuimen: Wien bedieden die capoene / bet dan der kerkeheren doene? / Sine winnen noch en voeden / niemen gheestlike noch en hoeden. / Vergave die Here van der sonnen / Dat si gheen vleselike kinder wonnen! / Noch sine segghen haer ghetide / te rechte niet, als die wilen liden, / maer mettijn ende voert toter noene / segghen si te samen te haren doene. / Die besten sint, daer wi of roeken, / want dandre haer ghetide soeken. / Dese en doghen groet noch clene / sonder tes duvels koeken allene; / want sine bringhen vrucht no vrome / in die warelt, hoe soet come.

Braekman ed. 1984 (XVIa)

  • 181 (nr. 21). Berijmde vogelspreuken. Die capoen seit: sulc vaert wel, / die luttel sorghet wiet gelden sel, / het valt dat si hier namaels sneuen, / die sonder sorge in welden leuen. Is het toevallig dat een kapoen dit zegt (een vogel die alleen leeft om vetgemest en gedood te worden)?

Bijns ed. 1902 (XVIA)

  • 309 (nr. 30, strofe H, verzen 5-6). Vroed rederijkersrefrein dat aanspoort tot bekering: Verkeert in tyts, en doet mynen raet, / Eer ghy u vindt als een gheworght capoen.

 

17 Restmateriaal

 

Nico Oudejans, “De jood in de Middelnederlandse literatuur”, in: Literatuur, jg. 1, nr. 5 (september-oktober 1984), pp. 246-253, meer bepaald p. 250. In Die Joden Biecht (gedrukt in de 16de eeuw, oorspronkelijk van een Duitse auteur uit 1508) een joods gebruik dat kapparah heet. Joden biechten tegen hanen en kippen. Hun zonden werden dan in stilte op een witte haan overgedragen, die werd vervolgens een aantal malen rond het hoofd geslingerd onder het uitspreken van een formule. Daarna waste men het beest symbolisch de zonden af en werd het opgediend…

 

Louis Lebeer, “De Blauwe Huyck”, in: Gentsche Bijdragen tot de Kunstgeschiedenis, deel VI, 1939-40, pp. 161-229 (meer bepaald p. 221), signaleert een burijngravure (1ste staat: circa 1550-60) waarvan de tweede staat werd uitgegeven door Joannes Galle (zonder datum). Het is een satirische prent met als de onderwerp de Luiheid. Bij nummer 2 (een man die een haantje aan een touwleidt) staat het bijschrift: Compeer diehet haentje wandelen leydt -  Comper, qui meine pourmener le coq/ Bovendien, in een versje onderaan (verzen 1-2): Ghij luyaerts-ghesellen, die geiren den hondt vloijen / En ’t haentjen leydt wandelen, om verfraeyen. ‘Het haantje uit wandelen nemen’ is dus een uitdrukking in verband met luiheid.

 

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 201 (nr. 174, strofe 1, verzen 5-6). Zot drinklied. Hi laet ons drincken en clincken / En laet ons maken den dobbelen haen. Volgens Bax [1983: 373] betekent ‘den dobbelen haen maken’: to go on a wild spree (aan de boemel gaan, pierewaaien). Voor mij is de diepere betekenis van deze uitdrukking voorlopig onduidelijk.

Const van Rhetoriken ed. 1986 (1555)

  • 6 (strofe 18, vers 5). Rederijkerslyriek. Mercurius is kwaad: Hy verslough zijnen gheldsack, zinen Hane craeide. Haan als attribuut van Mercurius.

Bervoete Bruers ed. 1937 (1559)

  • 8 (verzen 27-28). Rederijkersklucht. Truijcken, de vrouw van een arme kruier, zegt: gister auont aten wij gelijck den haen craijt / gheen armer jnt stadt nu jc wedde. Eten zoals de haan kraait: met een lege keel dus?

Der Fielen Vocabulaer ed. 1914 (1563)

  • 13. Volksboek. In het bargoens betekent ‘wederhaen’: eenen hoet.
  • 19. Over de ‘stabulieren’, een soort van bedelaars: Ende dese hebben haren wederhaen oft haren hoet…

Leenhof der Ghilden ed. 1950 (1564)

  • 12-13 (verzen 174-175). Satirisch rederijkersgedicht. Eén van de allegorische leenmannen van het allegorische Leenhof: Christoffel doverdrager [roddelaar] die heeft verworven / Datmen niet mach crayen noch hem noemen haen hoen. Voor mij een onduidelijke passage.

Mennich Goet Hart verlangt nae die Waerheijt ed. 1996 (XVIB)

  • 145v (verzen 142-143). Rederijkersspel. De neefkens beschrijven elkaars wandaden. Schoon Ghelaet zegt tot Bedriechelick Waen: est burger ist huisman, off groote hansen al / sij werpen u canssen al als een vlijechelick haen. Voor mij onduidelijk.

 

Geraadpleegde lectuur

 

  • Jans 1992: Aloïs Jans, “De haan in de bijbel en de legenden”, in: De Brabantse Folklore en Geschiedenis, nr. 275-276 (september-december 1992), pp. 256-262.
  • Porteman 1992: Karel Porteman, “Hanen van velerlei veren. De haan in de emblematiek”, in: De Brabantse Folklore en Geschiedenis, 275-276 (september-december 1992), pp. 202-223.
  • Seresia e. 2000: Gilbert Seresia, Marijke Seresia en Stefaan Top, De haan en zijn faam, Burcht, 2000.
  • Top 1992: Stefaan Top, “Koekeloerehaan – De haan in de volkscultuur – Toelichting bij een tentoonstelling”, in: De Brabantse Folklore en Geschiedenis, nr. 275-276 (september-december 1992), pp. 330-349.
  • Van Daele 1992: Rik Van Daele, “Als Reynaert de passie preekt, Cantecleer pas op je kippen – Over de haan in de Reynaerttraditie”, in: De Brabantse Folklore en Geschiedenis, nr. 275-276 (september-december 1992), pp. 224-255.
  • Veldman 1992: Ilja M. Veldman, “Images of Labor and Diligence in sixteenth-century Netherlandish prints: the work ethic rooted in civic morality or Protestantism?”, in: Simiolus, vol. 21 (1992), nr. 4, pp. 227-264.
  • Verbraeken 1992: Paul Verbraeken, “De haan in kunsthistorisch perspectief”, in: De Brabantse Folklore en Geschiedenis, nr. 275-276 (september-december 1992), pp. 263-281.

 

[explicit 8 december 2020]

 

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram