Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90

HOOI

Hooi speelt als symbolisch motief een belangrijke rol in het werk van Bosch en zijn navolgers. Zie de twee versies van de Hooiwagen-triptiek en verder in de zestiende eeuw de Hooiwagen-gravures en -schilderijen, het Hooiwagen-wandtapijt en de hooiwagen die een onderdeel was van een Antwerpse ommegang in 1563. Vergelijk hierover De Bruyn 2001a: 39-53.

 

1 HOOI IN DE BIJBEL

 

1a Psalm 102 (101), 5 / 12

Ook vermeld in Vandenbroeck 1987b: 118 / 125 (noot 42).

 

Psalmi ed. 1978 (XIVd)

  • 250 (Psalm 101, 5 / 12). Ic ben ghesleghen als thoy ende mijn herte es verdroget, want ic vergeten hebbe mijn broet tetene. (…) Mijn daghe sijn af gegaen als eene scaduwe, ende ic ben droghe worden als een hoy.

Wesseling ed. 1993 (XVB)

  • 120 (Psalm 101, 5 / 12). Middelnederlandse vertaling van boetepsalm 101: Ic ben geslagen als hoy ende myn hert is verdorret vander gracien want ic versumet hebbe de goede wercken. (…) Mijn daghen sijn verleden recht als die scheme ic ben verdorret van gracien recht als dat hoy.

Wesseling ed. 1993 (XVIA)

  • 124 (Psalm 101, 4-5). Middelnederlandse vertaling van boetepsalm 101: O suete heer die dagen myns levens syn henen gegaen als die roeck vanden vuer ende myn licham is verdorst als hoey. Ende ick en byn niet anders in mynen leuen dan als hoey dat gemeyt is.

 

1b Psalm 103 (102), 15

 

Psalmi ed. 1978 (XIVd)

  • 251 (Psalm 102, 15-16). Die mensche, als hoy sijn sine daghe, als die bloeme vanden ackere also sal hi verdelluen.

 

1c Isaias 40, 6-8

Ook vermeld in Vandenbroeck 1987b: 118 / 125 (noot 42).

 

Isaias ed. 1978 (1384)

  • 46 (hoofdstuk 40, regels 6-8). Ende ic seide: Wat sel ic roepen? Alle vleysche is hoey, ende alle sine glorie als die bloeme des ackers. Dat hoey wert verdroget ende die bloeme viel, want des Heren gheest blies in hem. Waerlic, soe is dat volc hoey. Dat hoey wert verdroeget ende die bloem viel, mer des Heren woert geduert ewelic.

Delftse Bijbel ed. 1977 (1477)

  • p. (hoofdstuk 40). Ende ic seide. Wat sal ic roepen. Alle vleysch is hoey ende alle sijn glorie als die blome des ackers. Dat hoy wort verdroget ende die blome viel want des heren gheest blies in hem. Waerlijc so is dat volc hoy. Dat hoy wort verdroghet ende die bloem viel: mer des heren woert geduert ewelijc.

 

1d 1 Corinthiërs 3, 12

Ook vermeld in Vandenbroeck 1987b: 119 (met commentaar van Gregorius: ‘Hout, hooi, stoppels = kleine zonden die het vuur gemakkelijk verteert). Vandenbroeck verwijst echter foutief naar 1 Cor. 2, 13.

 

Ad Corinthos I ed. 1971

  • 29 (hoofdstuk 3, regel 12). Soe wie op dit fundament sticht gout, selver ende dierbare steenne, hout, hoy ende stoppele, yegewelcs werc sal oppenbaer sijn.

 

1e 1 Petrus 1, 24-25

Ook vermeld in Vandenbroeck 1987b: 125 (noot 42).

 

Petri Epistula I ed. 1971

  • 123-124 (hoofdstuk 1, regels 24-25). Want alle vleesch is hoy ende alle svleeschs glorie es alse ene bloeme des hoys, dat hoey es verdroeget ende sine bloeme viel af, maer dwoert Gods blijft ewelec.

 

1f Openbaring 8, 7

 

Openbaring ed. 2001 (circa 1400)

  • 82 (regels 9-11). Ende deerste Jnghel blies, ende het gheschiede haghel ende vier ghemingt met bloede. ende sendet in dat eerderike. Ende terdendeel der eerden verberrende. ende dat derdendeel der boome verberrende. ende al tgroene hoy es verbrant.

 

2a De zegswijze ‘niet een hooi’ = niets (hooi = iets minderwaardigs)

 

Walewein ende Keye ed. 2011 (circa 1325)

  • 191 (verzen 3000-3003). Arturroman. Koning Artur zegt tot Walewein: So ne gavic niet een hoy / Om die grote hers cracht / Die de coninc nu hevet bracht / Van Arragoen hier ant velt.

Beatrijs ed. 1995 (XIV)

  • 56 (vers 230). Berijmde Marialegende. Ende mi en es niet te bat een hoy.

Middelnederlandse Boerden ed. 1957 (XIV?)

  • 85 (nr. XV, verzen 31-32). Een boerde (‘Sint dat wi vrouwen garen’). Een slechte ridder die van geld houdt, maar op tafelronde of tornooi acht hij niet van eenen hoye. Zie ook Lodder ed. 2002: 154 (verzen 31-32): Die en achte niet van eenen hoye / Op tafelronde of op ternoy.

Hildegaersberch ed. 1981 (circa 1400)

  • 48 (nr. 21, vers 277). Gedicht. Over de Dood die ook de rijken en machtigen verschalkt. Van deze laatsten wordt gezegd: Ten mocht hem baten niet en hoy.

Eerste Bliscap van Maria ed. 1978 (1448)

  • 73 (vers 446). Mysteriespel. ‘Nijt’ over God: Tegen recht en ginchi niet een hoy.

Doctrinael des tijts ed. 1946 (1486)

  • 104 (hoofdstuk X). Moraliserend prozatraktaat. Vergadert volc van uwer sorten, hem onderwisende van woirde tot woerde al uwe saecken, want alt effect niet een hoy en doech, die in dusdanighe saecke gheen wijs gheselle en heeft.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 172 (refrein 45, strofe e, vers 9). Zot rederijkersrefrein. Over losbandige jongeren: Zij en sorgen voo dende niet een enkel hoey.
  • 260 (refrein 69, strofe e, vers 4). Zot rederijkersrefrein. Over lichtzinnige vrouwen: Hoe zuer dat den man werdt, zij achtent niet een hoy.

Duytsche adagia ofte spreecwoorden ed. 2003 (1550)

  • 237 (nr. 73.3). Spreekwoordenverzameling. Ten is niet een hoy waert.

 

2b Hooi = iets minderwaardigs, niets

 

Canterbury Tales ed. 1987 (circa 1390)

  • 282 (Fragment X, Group H, verzen 12-14). Middelengelse verhalenverzameling. De waard ziet dat de kok een kater heeft: van een verhaal vertellen zal nu niet veel in huis komen. Do hym come forth, he knoweth his penaunce; / For he shal telle a tale, by my fey, / Although it be nat worth a botel hey (= een bussel hooi).

Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 30 (Winterstuc, hoofdstuk 7, regels 86-89). Theologisch compendium. Als Nabugodonosor, die, machtige coninc in Babylonien, ses maenten verworpen was van sinen volc ende liep op handen ende op voeten ende at hooy als een beest.
  • 181 (Winterstuc, hoofdstuk 26, regels 48-49). Over Behemoth, die kapitein is van Gula: Van desen seit Iob: Hi wandert biden mensch ende et hoy als een osse.
  • 182 (Winterstuc, hoofdstuk 26, regel 59-62). Over de mensen waarover Behemoth regeert: Van desen luden sprac God: Mijn volck sat ende at ende dranc ende stont op spelen (Glosa:) een calf aan te bidden, dat hoy at ende niet en sprack.

Const van Rhetoriken ed. 1986 (1555)

  • Rederijkerslyriek. Over de zondige Adam: Hy verkeerde dese onsprekelicke Gods glorie / In ghelijcke van een calf datmen hooy siet eten.

Goodts Ordonancij ed. 1994 (1583)

  • 81r (verzen 1511 / 1515-1516). Rederijkersspel. ‘Reden’ vergelijkt verschillende standen van mensen met ezels die verschillende dingen dragen: deen met hoij met stroo dander met silver en gout / (…) souden nu die esels Die slechste waren droegen / haer quaelick genoegen waer dat niet onrecht. De ‘slechtste waren’ zijn dus hooi en stro.

Coninck Balthasar ed. 1907 (1591)

  • 38 (vers 746). Rederijkersspel. Het ene sinneke tot het andere: Die u gelooft leye op eenen ydelen hoy tas.

Hoecksteen ed. 1993 (XVIB)

  • 109v (verzen 462-463). Rederijkersspel. ‘Theijlich Woort Goods’ zegt: Nabuchodoneser door sijn hovaerdigen geest / most seven Jaer hoij eeten als een beest.

Wijncan ende Pispot ed. 1998 (XVIB)

  • 7r (vers 218). Rederijkersspel. ‘Pispot’ verwijt ‘Wijncan’ dat hij velen dronken maakt: sij moghen haer boerssen wel met hoij vullen.

 

2c De zegswijze ‘tis al hoy’ (profane context) = het is allemaal niets

 

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 31 (refrein 12, vers 38). Zot-amoureus rederijkersrefrein. De klagende ‘ik’ zegt over zijn ontrouwe vriendin: Watse my seyde twas al hoy. Ook vermeld in Grauls 1938: 157.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 99 (fol. 207r, vers 2). Rederijkerslyriek. Profane context: Wie hem heescht tes al hoy.

Weydts ed. 1969 (1567)

  • 20 (strofe 11). Satire op de geuzen. Een ‘berouwvolle’ geus zegt: Maer twas al hoy.

 

2d De zegswijze ‘tis al hoy’ (religieuze context) = het zijn allemaal vergankelijke, aardse ijdelheden

 

Drie blinde danssen ed. 1955 (1482)

  • Stichtelijk traktaat. In het beginrefrein van ‘Acteur’: Tis al hoy en stof / Sijd vanden danssers keert v daer of / Tis titeliken lof.

Const der Rhetoriken ed. 1986 (1555)

  • Een bijzonder genre: een asclepiadeum (eenregelig gedicht). Wats dees glorie, mooy? Zekere, tes al hooy.

De Bruyne III ed. 1881 (1579-83)

  • 170 (nr. 128, strofe 4, verzen 8-9). Vroed rederijkersrefrein. Tis hooy, hoe ghy u selven, buyten Godts woort, quelt, / dats al overspel & tdoopsel versworen.

Vier Wterste II ed. 1965 (1583)

  • 136 (strofe 272, verzen 3532-3535). Stichtelijk rijmtraktaat. De ‘ik’ bereidt zich geestelijk voor op de dood: Wat baet ons wellusticheyt, dicht, sanck en spel / Hoogheyt, ghelt, goet, lant, sant en houeren? / Het is al hoy, want als wy moeten delogeren / Dan moetent wijt hier al te samen laten, siet.
  • 137 (strofe 273, verzen 3540-3542). Wat is t’swerelts goet, dat soe saen wordt vercheyst? / Wat is t’vleesch lust, daer den gheest af vereyst? / Tis voorwaer al hoy / en hoy en can niet gheduren. Uit de hele passage rond deze verzen (verzen 3537-3549) blijkt dat met ‘hooi’ niet alleen het Vlees (onkuisheid) wordt bedoeld, maar het geheel van aardse ijdelheden en verlokkingen en dwaasheden (Wereld) = bezit, vrienden, weelde, hoogheid, macht, rijkdom…

Al Hoy ed. 1964 (XVIB)

  • 18 (verzen 318 / 326) / 19 (verzen 333-334 / 346) / 20 (vers 354). Rederijkersspel. De zogenaamde geschenken van de drie personages in dit tafelspel (een zeer mooie vrouw, een beurs met geld en een lekkere taart) zijn hooi geworden. In vers 346 zegt Ydel Lustken over het geschenk van Buijcxken Seldensat: Byder doot tes oock al hoij.
  • 21 (verzen 368-369). Willeken Noijtgenoech en Ydel Lustken vatten de moraal van het tafelspel samen in twee verzen: wy meenden den heeren maken met presenten moij. / Maer als tspel ten eynde comt eest al hoij. Hooi = de nietswaardigheid van het wereldse streven (naar mooie vrouwen, geld en lekker eten). Ook vermeld in Vandenbroeck 1987b: 122.

 

2e De zegswijze ‘iemands kaproen / kaper / tote vullen met hooi’ = iemand bedriegen

 

Doctrinael des Tijts ed. 1946 (1486)

  • 211 (hoofdstuk LIV). Moraliserend prozatraktaat. Als ghi siet een goet onnosel man, die overmits simpelheit concenteert al tgunt datmen wil, soe moet ghi segghen dattet al loesheit is, ende gheven hem sijn caproen vol hoeys.

Siecke Stadt ed. 1917 (1539-64)

  • 3 (vers 78). Rederijkersspel. ‘Scriftuerlicke Predicatie’ tot ‘Die Gemeent’ over het sinneke ‘Hipocrisije’: maer hij sal soe vullen v caproen. Hooi niet expliciet vermeld, maar impliciet bedoeld.

Sorgheloos ed. 1977 (1541)

  • 119 (vers 108). Rijmprentenreeks. Waarschuwing tegen losbandige, onbetrouwbare vrouwen: Si vullen een caproen wel duer haer woorts ontrowen hier. Hooi niet expliciet vermeld, maar impliciet bedoeld.

Bijns ed. 1875 (1548)

  • 106 (Boek II, refrein 3, strofe b, vers 16). Vroed rederijkersrefrein. Over de lutheranen: Sij wanen God met hoye vullen den capruyn.

Duytsche adagia ofte spreecwoorden ed. 2003 (1550)

  • 222 (nr. 58.3). Spreekwoordenverzameling. Sijnen capproen vol hoys vullen. Dat is alsmen yemandt met boerten payt oft met yemande sijn spot houdt, ghelijck men seit: hy maect sijn spot voeghel van hem, dat is: hy houdt sijn gheck met hem, hy vult hem sijnen caproen vol hoys.

Rijckeman ed. 1941 (1550)

  • 197 (verzen 630-631). Rederijkersspel. Een sinneke tot ‘Rijcke Man’: Wij zullen u met Conscientie verzoenen / En vullen haar kaproenen met wind en hooi.

sMenschen Gheest van tVleesch verleyt ed. 1953 (circa 1550)

  • 607 (verzen 91-92). Rederijkersspel. ‘tVleesch’ (een hoer) zegt dat ze ‘sMenchen Gheest’ zal gaan verleiden: Ick sal hem die foncke gaen blaesen inne / tcapruenken vullende met becoeringhe. Variant van ‘de kaproen vullen met hooi’.

Mars en Venus ed. 1991 (vóór 1551)

  • 244 (vers 195). Rederijkersspel. De sinnekes spotten met Vulcanus, de man van Venus: Dan vult sij met hoij / Ja, sijne toote. Bedrog in liefdeszaken. Ook vermeld in Grauls 1938, die echter verwijst naar de versie van 1621.

Herentals: proloog in Antwerpen 1561 ed. 1962 (1561)

  • 91 (verzen 83-85). Rederijkersspel. ‘Steden’ zegt over de eerlijke kooplui: Maer die den cappruyn met hoy niet en vullen. De tekstbezorger geeft in voetnoot een verkeerde verklaring: ‘die geen hooi in hun hoofd hebben, die goed bij zijn’. ‘Steden’ heeft het over kooplui die niemand bedriegen.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 198 (fol. 266, vers 6). Rederijkerslyriek. Over jonge gehuwde vrouwtjes die hun pantoffelhelden van mannen bedriegen: met hoye vullende tsmans Capproentiens.

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 74 (fol. 356, vers 16). Zot rederijkersrefrein. Vrouwen hebben nood aan ‘vulders’ (vullers), in allerlei betekenissen, maar vooral erotisch (schoot/buik vullen). Onder meer kan zo’n ‘vulder’ tcapproen oock met hoye vullen voorwaer.

Goetheijt, Lijefde en Eendracht ed. 1994 (1579)

  • 156r (verzen 666-667). Rederijkersspel. Een sinneke tot een ander sinneke over een tot zondigheid te verleiden persoon: Wij moeten een vont versieren / en dat wel aerdich om hem Lichtvaerdich / te vollen tcaproen. Hooi niet expliciet vermeld, maar impliciet bedoeld.

Huisvader ende Huismoeder ed. 1994 (XVIB)

  • 36r (verzen 328-330). Rederijkersspel. ‘Boose Viant Snoot’ (een duivel) zegt: Daerom moet ick sien om int hert der traege te geraeken / dat hij twerck mach versaeken ick hem inblaesen sal / en tcapproen met hoij vollen.

 

2f Hooi // de nederigheid en ootmoedigheid van Christus

 

Legenda aurea I ed. 1993 (circa 1260)

  • 38 (hoofdstuk 6). Stichtelijk prozatraktaat (Latijn). Over de geboorte van Jezus: The blessed Virgin gave birth to her Son and laid him on hay in the manger. This hay, which the ox and the ass abstained from eating, was brought to Rome by Saint Helena, as we learn from the Scholastic History.

Der Leken Spieghel II ed. 1845 (1325-30)

  • 75 (boek II, hoofdstuk 11, verzen 26-30). Didactisch rijmtraktaat. Over de engelen die verheugd zijn bij Jezus’ geboorte: Si achtens herde cleine, / Ende en hadde hem twint boy, / Dat hi daer lach opt hoy, / Tier zonderlingher feesten, / In een crebbe voor twee beesten.

Spiegel der Sonden ed. 1900 (XIV)

  • 81 (verzen 6346-6354). Stichtelijk rijmtraktaat. Over de armoede van Jezus: Dat hoy, datmen in die cribbe vant, / Dat vor den stommen beesten was bleven, / Moste omtrent hem sijn geheven, / Te bewaerne theghen die coude: / Hier up elk rike denken soude. / Daer was die coninc der moghentheit / Int hoy ende in die cribbe geleit, / Ende vort met groter armoede / Oefenden die moeder goede.

Leven ons heren Ihesu Cristi ed. 1980 (1409)

  • Jezusleven in proza. Over Jozef en Maria: Du mochtest oec in hem beiden merken die grote diepheit hoerre oetmoedicheit, want si niet versmaet en hebben den stal noch dat hoey noch oec ander snode dijnghe.

Spiegel der Sonden ed. 1901 (1434-36)

  • 126 (regel 35) – 127 (regel 4). Stichtelijk prozatraktaat. Ende dat hoy datmen vant inder cribben dede men omtrint den kijnde om te beschirmen voer die coude; hier op soude die vrecke minsche dincken, hoe die coninc der mogentheit aldus in hoy ende in die cribbe geleet was.

Brugman ed. 1948a (vóór 1473)

  • 54 (preek 3, regels 351-354). Preek. Wat ontsietstu harde bedden, als dat teeder kijndeken, in welken handen allen dinghen sijn, voer sijn syden cussen ende plumen bedden dat harde hoy der beesten uutvercoren heeft?

Indestege ed. 1951 (XVd)

  • 64 (lied II, strofe 7). Lied. In presepe was tkint gheleyt / Et ante bestias al bereyt, / Sub feno, god der godlicheyt / Dulcissime.

Suverlijc Boecxken ed. 1957 (1508)

  • 18 (lied V, strofe 14). Kerstlied. Over Jezus in de kribbe: Doe vonden si dat kindeken / gheleyt in eender cribben / Van hoey was sijn beddeken / hi en wou niet anders hebben.
  • 20 (lied VI, strofe 7, verzen 2-3). Idem: et ante azinos was hi ghespreyt / sub feno god der godlicheyt.
  • 22-23 (lied VII, strofe 5). Idem: Men ley den heer inder cribben / van hoey was ghemaect sijn bedde / aen bey sijden quetste hi sijn ribben / nochtans bleef hi dominus.
  • 28 (lied XI, strofe 2, verzen 1-2). Idem: In presepe ponitur / sub feno azinorum.
  • 69 (lied XX, strofe 4, vers 1). Idem: Op luttel hoey wert hi gheleyt.

Suster Bertken ed. 1924 (1518)

  • Lyriek. Over het kind Jezus: Met verworpen hoy hebdi u laten genuegen.

Maria gheleken byden throon van Salomon ed. 1920 (1529)

  • 306 (verzen 294-295). Rederijkersspel. In verband met vrijwillige armoede: Hy diet al verleent was vp hoy gheleyt / Daer aermoede toe dwanc die maechdelike sale.

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 172 (fol. 416v, vers 21). Rederijkerslyriek. Maria die het Jezuskind vp hoy heeft gheleydt.

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 301 (Boek III, refrein 24, strofe b, verzen 4-7). Vroed rederijkersrefrein. De eewighe Godtheyt leyt daer ondere / Thoy in doecxkens gewonden, noyt vreemder dingen. / om dat wij ons hooveerdije souden dwinghen, / Wert de Heere als knecht tonswaert genegen.
  • 307 (Boek III, refrein 26, strofe a, vers 14). Vroed rederijkersrefrein. Over het Christuskind: Int Cribbeken opt hoy, daer ist gelegen jaet. Hetzelfde in De Bruyne II ed. 1880: 131 (nr. 72, strofe 1, vers 14).

 

3 De zegswijze ‘de hooiwagen drijven met iemand’ = iemand bespotten, bedriegen

 

Duytsche adagia ofte spreecwoorden ed. 2003 (1550)

  • 169 (nr. 5.6). Spreekwoordenverzameling. Hy drijft den hoywagen. Dat is wanneer yemant met yemanden sijnen spot houdt ofte met anderen dinghen is zijnen spot drijvende.

 

4 De zegswijze ‘om het langste hooi plukken’

 

Duytsche adagia ofte spreecwoorden ed. 2003 (1550)

  • 233 (nr. 69.8). Spreekwoordenverzameling. Om tlanxste hoy plucken. Dat is: elck sijn profijt suecken.

 

5a Hooi = de zondige, vergankelijke mens, met verwijzing naar Isaïas 40, 6-8

 

Bleyerveld 2000: 131 (afb. 54). Gravure van Hieronymus Wierix naar Willem van Haecht: Vanitas (1578). We zien onder meer een allegorische uitbeelding van Caro (Vlees) als halfnaakte vrouw met daarboven de inscriptie: omnis caro foenum Esa. 40.

 

Spiegel der Sonden ed. 1900 (XIV)

  • 18-19 (verzen 1378-1386). Stichtelijk rijmtraktaat. Onkuisheid is een vuur, de mens is stro of een stoppel (vat makkelijk vuur): Die prophete Ysaias so sprect: / ‘Al vleysch mach hoy heten wesen’. / In Ecclesiaste wi ooc lesen, / ‘Der sonder sinagogen is niet / Dan stoppe, diemen vergadert siet’. / Elc weet dat ghene sekerhede / Ne hevet hoy no stoppe mede / Bi viere, het ne sal quaet doen. / Dus so moet luxuria zijn gevloen.

Wech van salicheit ed. 2009 (circa 1400)

  • 155 (regels 453-458). Catechetisch traktaat. Over hovaardige mensen: Dander verwaent hem in stercheden, in ghesontheden, in scoenheden, ende en penst niet om dat woert dattie prophete Ysayas sprect: Alle menschen sijn ghelijc den hoye, dats, al nu staet scone ende vaste ende bloeit in deerde, ende staphans bi eender hitte het verdroecht, ende sine bloeseme die valt ende verliest sine scoenheit in deerde.

Tafel van den Kersten Ghelove IIIb ed. 1938 (1404)

  • 491 (Somerstuc, hoofdstuk 40, regels 116-117). Theologisch compendium. Omtrent de vierde geschiedenisperiode: het ‘nu’, een tijd van pelgrimschap. Als die propheet seit: die mensche is als hoy, sijn daghen sijn als die bloem des veldes; dat hoy verdort ende die bloem valt. De tekstbezorger verwijst naar Psalm 102, 15. Ook vermeld in Vandenbroeck 1987b: 122-123, die echter correct verwijst naar Isaias 40, 6-7.

Wiesbadense handschrift ed. 2009 (circa 1410)

  • 634 (regels 143-149). Stichtelijke prozatekst (Gerard van Vliederhoven, Cordiale). Ysayas die prophete seyt: Alle vleyschs es als hoy ende al sijn glorie als een bloem des ackers. Voerwaer, dat volc is hoy. Dat hoy is verdorret ende die bloem es ghevallen, mer dat woert des heren blivet ewelike. Hier of spreket Bernaerdus: Waer of mach hem die mensche verhoverden wes ontfangenisse sonde was, wes geboorten pine ende verdriet was, wes leven pine ende verdriet is ende oec arbeyt ende van node emmer sterven moet?

Spiegel der Sonden ed. 1901 (1434-36)

  • 58 (regels 3-14). Stichtelijk prozatraktaat. Wij vynden drie reden daer wij oncuyscheit mede vlien mogen. Dat irste is soe ic seide dat oncuyscheit is een vuer ende die minsche is hey oft stoppelen die geerne ontsteken. Hier af seet Ysaias: ‘alle vleysch mach hey hetten’. Oec lesen wij in Ecclesiastico: ‘der sunderen synagogen en is niet dan stoppelen die men vergadert siet, mer als dat hoy off stoppelen by vuer comen, soe en macht niet sijn, et en moet schade doen. Ende aldus moet oec die minsche luxurie vlien, off hi sal ontsteken vanden vuer.

Navolghinge Ons Heren Jhesu Cristi ed. 1954 (XVA)

  • 96 (Boek II, hoofdstuk 7, regel 11). Stichtelijk prozatraktaat. En wil dijn hope niet setten op een windich riet, want alle vleysch is hoey ende al sijn glorie valt als een bloem des hoeys.

Veer Utersten ed. 1975 (XV)

  • 12 (regels 6-19). Stichtelijk prozatraktaat. Vnde also is apenbare, dat schonheyt, eddel ghebort, sedicheyt, wisheyt, richeyt vnde ere den mynschen nicht bewaren vor dem valle des dodes. Dar vmbe secht de prophete Ysaias: Alle fleysch is alze hoy vnde alle syne glorie als eyn blomme des veldes. Vor war dat volk is hoy. Dat hoy is vordorret, vnde de blome ys gevallen, wen dat wort des heren bliuet ewichliken. Hyr van secht sunte Bernd: Wur von mach sik de mynsche houerdighen, des syn entfengnisse sunde was, des syn bort pine was vnde vordreyt, des syn leuent arbeyt vnde bedrofnisse is vnde van nod iummer steruen mod. Dencke hyr an, o frund, vnde besu dyn anbegyn, su an dyn myddel vnde dynen ende, vnde in alle dussem so schaltu vinden grote sake dik to vorotmodigende.

Sinte Katherine ed. 2011 (XV)

  • Heiligenleven. Sint-Katherina staat op het punt gemarteld te worden en zegt: O ghi mannen, legghet neder die ydel weninghe des claghens, noch en maket gheen claghende stemme van den verlies mijnre scoenheit, want mijn vleisch, dat nu schijnt te bloeyen, is als hoy ende sijn glorie is als die blome des hoeys. Wanneer die gheest daer uutgaet, soe beghintet te hant te dorren

Leffinge: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 67 (verzen 230-236). Rederijkersspel. ‘Mensche’ zegt: Christus cocht ons diere / Met zynen bloede tonzer victorye. / Ons vleesch es hoy ende onze glorye / Es ghelijck een lustighe blomme des velts. / Thoy werdt verdrooght, de blomme met veil gheqwuelts / Valt af, maer des heeren troostelic woordt / Blijft, hopic, inder eeuwigheyt.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 20 (fol. 159r, verzen 1-7). Rederijkerslyriek. De mens is vergankelijk als een bloem en een schaduw. Vers 4: Niet dan hoy zyn al onse vleeschlicke Leden. Iedereen moet sterven ten gevolge van Adams ongehoorzaamheid.

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 185 (fol. 425v, verzen 13-21). Rederijkerslyriek. De mens is vergankelijk als een bloem en een schaduw. Vers 18: niet dan hoy zyn al onse vleeschelicke Leden. Iedereen moet sterven ten gevolge van Adams ongehoorzaamheid. In marge: ‘Iob 14’ en ‘hebre 13’.

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 451 (Boek III, refrein 66, strofe e, verzen 1-3). Vroed rederijkersrefrein. Esaias seyt: alle vleesch is hoy. / Gelijc die groente des hoys geringe vergaet, / So doet ooc de mensche, hoe proper, hoe moy.

Groote Hel ed. 1934 (1564/65)

  • 46 (vers 841). Rederijkersspel. De duivel Zinderises (procureur van de hel) zegt over ‘Schijn’ (de zondige clerus): Alle vleijs is hoij, al waert gehoopt als scelven. Zie ook Groote Hel ed. 1996: 30r (vers 949).

Huis van Idelheijt ed. 1996 (vóór 1568?)

  • 64v (verzen 234-236). Rederijkersspel. ‘Opperman’ zegt: Tsal al sooe vergaen / ghij en sult hier niet eewich blijven / alle vleijs es hoij.

Gebooren Blinde ed. 1994 (1579)

  • 64r (verzen 1387-1389). Rederijkersspel. De farizeeër Gamaliel zegt: oick seggen die propheeten hoe dat alle vleijs / als hoij sal vergaen twaeren oick sijn (Jezus’) woorden / en eens verschijnen voor sijn stoel.

De Bruyne III ed. 1881 (1579-83)

  • 127 (nr. 118, strofe 3, verzen 15-16). Vroed rederijkersrefrein. Alle vlees is hooy tot ydelheyt genegen: / sweirels samblant is als dryfsant: niet sonder Godt. Ook vermeld in Vandenbroeck 1987b: 123.

Vier Wterste II ed. 1965 (1583)

  • 53 (strofe 105, vers 1359). Stichtelijk rijmtraktaat. De ‘ik’ antwoordt op de monoloog van ‘Vleesch’: Alle vleesch is hoy dwelck verdort en laeckt.

Ghenaede Goodts ed. 1996 (vóór 1598)

  • 173 (verzen 873-878). Rederijkersspel. ‘Des Gheests Inspiratie’ tot neefkens: Wat is swerlts eer daer ghij hem raet nae te sijn gehelt / meer als snee Dat smelt, doer hette der sonnen / want alle vleijs is hoij soo die propheet vertelt / als een bloem van tvelt, alle sijn glorie gewonnen / dat hoij verdort Die bloem wert verslonnen / maer des heeren woort blijft onverganckelick.

Hoecksteen ed. 1993 (XVIB)

  • 107v (verzen 260-262). Rederijkersspel. ‘Den Mensch’ tot ‘De werrelt’: want als hoij is alle u vleeschelijck gewelt / en sijn heerlijckheijt is als een bloem opt velt / die des avents helt.

Werlts Versufte Maeltijt ed. 1994 (XVIB)

  • 133r (verzen 1472-1475). Rederijkersspel. ‘Den dach des Heeren’ (allegorisch: het Laatste Oordeel) zegt: Ick den dach Des heeren / diet al sal mineeren, gae nu verschijnen / alle vleijs sal als hoij door mijn verdwijnen / met vrees en pijnen in soo corten stont.

 

5b Hooi = de zondige, vergankelijke mens, met verwijzing naar Openbaring 8, 7

 

Wiesbadense handschrift ed. 2009 (circa 1410)

  • 383 (regels 741-743). Stichtelijke prozatekst (Beda, Expositio Apocalypseos). Naar aanleiding van Openbaring 8, 7: Ende alle die ghene die rusten inder vleescheliker ghenoechten, sijn verbernt ghelijc den hoye dat heden inden acker es ende morghen wert ghedaen inden oven.

 

5c Hooi = de zondige, vergankelijke mens, met verwijzing naar Psalm 102 (101), 5

 

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 155 (fol. 406r, vers 24 / fol. 406v, vers 17). Rederijkerslyriek. Vertaling van Psalm 102 (101), 5. De vergankelijke, zondige mens klaagt: Als hoy ghesmeten bem bloodt en ende gheel drooghe word ick als hoy.

 

5d Hooi = de zondige vergankelijke mens, met verwijzing naar Psalm 103 (102), 15

 

De Bruyne III ed. 1881 (1579-83)

  • 102 (nr. 112, strofe 3, verzen 1-2). Vroed rederijkersrefrein. Als hooy wordt den mens overal geleken, / & als een bloem des velts sietmense verdryven. Ook geciteerd in Vandenbroeck 1987b: 123.

Mensche den doot onderworpen ed. 1994 (XVIB)

  • 87r (verzen 243-244). Rederijkersspel. ‘Pelgrom’ zegt: Dan een mensch niet swackker noch crancker te recht david seijt / als een bloemken Des velts, als hoij dat affmeijing verbeijt.

 

5e Hooi = de vergankelijke aardse ijdelheden, zondigheid, de zondige en vergankelijke mens

 

Spiegel der Sonden ed. 1900 (XIV)

  • 19 (verzen 1455-1463). Stichtelijk rijmtraktaat. Sint-Hiëronymus wordt geciteerd: Wie is up zijn betrouwen so moy, / Dat hi niet en waent wesen stoppe no hoy, / Mer yser, ende dat hi waent bliven / Suver, die vast wandelt by wiven? / Wi sien dat yser bi den viere / Werd gesmeed menygertiere. / Also kan die luxurie blaken: / Yserne liede can si moru maken, / Dan staet in vresen die suverheit.
  • 21 (verzen 1610-1615). Over onkuisheid: mooie vrouwen en dansen leiden tot zonde. Wiven, die haer dochteren tomen, / Ende dan ten danse senden so, / Slachten den ghenen die hoy of stro / Bindet in een, ende die daer naer / Werpt in vier dat bernet claer, / Om dattet barnen soude te zeere.

Tafel van den Kersten Ghelove IIIa ed. 1938 (1404)

  • 219-220 (Somerstuc, hoofdstuk 14, regels 365-380). Theologisch compendium. Over de gewoonte, vooral in ‘walsche’ kerken, tijdens de processie een grote draak vol caefs ende hoeys mit enen groten langhen staert voor het kruis te dragen. De eerste dag heeft die draak een staart (= de tijd van Abraham: de duivel sleepte veel mensen naar de hel). De tweede dag wordt die staart afgekapt (= Mozes’ tijden: de mensen bleven behouden voor de duivel maar moesten nog in de hel verblijven). De derde dag wordt de draak helemaal doorstoken (= de tijd van Christus: de duivel is overwonnen). Hooi en kaf = zondigheid.

Tafel van den Kersten Ghelove IIIb ed. 1938 (1404)

  • 530 (Somerstuc, hoofdstuk 43, regels 180-182). Theologisch compendium. In verband met de hoofdzonde Ira: Audax sis et animosus, wes coen ende moedich. Neen, want daer staet ghescreven: waer toe verheft hem dat hoy, dat smorghens inden oven gheworpen wort.
  • 612 (Somerstuc, hoofdstuk 48, regels 171-173). Die hovairdicheit wert van hair (de kunst om te sterven namelijk) gheboghen, wantsi seit, waer-om verhefstu di, slijc ende worme der aerden? Als een hoye, dat huden bloyet ende morghen dorret.

Des Coninx Summe ed. 1907 (1408)

  • 443-444 (paragraaf 477). Stichtelijk prozatraktaat. Die vierde graet is te setten dat vleysch onder die voet, dat den geest contrary is, als sinte Pauwels seit: ‘Die uut wil doen dat vyer der oncuyscheit, die sal ofdoen dat hout ende die dingen die dat vyer ontsteken’, dat sijn wellusten ende gemac des lichaems (…). Hier of leestmen, dat die kinder die gevoedt waren mit grover spisen ende niet en gebruycten die spisen des wellusten, bleven ghesont inden oven van Babilonien, daer ons bi beteykent is sonder der oncuyscheit, die uutgedaen is mit scerpheden ende mit abstinencien; mer die soete spise ende stercke wijn ontstekense en voedense, recht als hoy ende hout ontsteect ende sterct dat vyer. Zoals hout en hooi het vuur doen branden, ontsteken lekker eten en wijn het vuur der onkuisheid.

Spiegel der Sonden ed. 1901 (1434-36)

  • 59 (regels 11-16). Stichtelijk prozatraktaat. Wie is die hem op sine heilicheit alsoe betrouwet, dat hij niet hoy noch stoppelen en waent wesen? Dat yser biden vuer gemorwet wort ende weeck, alsoe dan kan oec dat vuer der onsuverheit yseren lude morwe ende weke maken.

Geraardsbergse handschrift ed. 1994 (1460-70)

  • 77-79 (nr. 58). Het vroede rederijkersrefrein ‘Vanden hopper hoeys’. Zie de volledige tekst in De Bruyn 2001a: 56-57.

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 297 (verzen 57-60). De vroede rederijkersballade ‘Vander mollenfeeste’. Ghy machtighe Poorters ende Bourgoys / Ghy rijcke Pachters ende Rentieren / Al zijn v solders vol corens vol hoys / V kisten vol ghelts … toch zullen zij allemaal ook moeten sterven.

Uure vander Doot ed. 1944 (circa 1516)

  • 102 (verzen 742-750). Stichtelijke rijmtekst. Klacht van de ‘ik’ over de vergankelijkheid van de mens en van de wereldse ijdelheden: Och wat ben ick nv meer arm mensche verfoeyt / Maer min in crachte sterck, of ghegoeyt, / Dan een arm gherseken oft bloemken op een velt / Dat inden somer schoon playsantelijck bloeyt. / Eel ghecolueert, sterck, recht vri lustich groeyt. / En inden winter, als hoy wech te nieute smelt. / Och wat heb ick nv meer ghehadt, in mijn ghewelt / Dan eenen somer ick moet in deerde / Den winter es hier die elcken quelt.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 277 (refrein 75, strofe b, vers 15). Vroed rederijkersrefrein. Betroudt in God, of ghij verdrooght als gras ghehoydt.

Nieuwpoort: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 215 (verzen 105-111). Rederijkersspel. Context: de zwakke mens als pelgrim in een zondige wereld. Vaett Iobs vermonden: / De mensche, aerm vander vrauwe ghebooren, / Levende een corten tijt, zoo elc magh hooren, / Vervult met vele mizeryen (dit es de somme) / Die hem eerste vertooghde ghelijc een blomme, / Wegh varende ghelijc een schauwe lydelick, / Als hoy vergaende. Vergelijk Job 14, 1-2, Job 1, 21, en ook Psalm 102 (101), 5. Ook vermeld in Marijnissen 1987: 58 (noot 99).

Crul ed. 1954 (XVIA)

  • 53 (verzen 139-140). Vroed abc-dicht. De ‘ik’ heeft goederen verzameld en het kwade gedaan, en toch nog de deugd gevonden dankzij de Heer: Mijn vleesch en hadde dat noyt ghedocht / Want alle menschen zijn als hoy ghemeene. Hetzelfde in De Bruyne I ed. 1879: 179 (nr. 41, strofe 11, verzen 10-11).

De Bruyne III ed. 1881 (1579-83)

  • 86 (nr. 108, strofe 2, verzen 4-5). Vroed rederijkersrefrein. Want dat Godt niet geplant en heeft, dat sal vergaen / gelyck hooy, bervoets te loopen, nae Ba ruchs vermaen.

Vier Wterste II ed. 1965 (1583)

  • 47 (strofe 93, vers 1209). Stichtelijk rijmtraktaat. ‘Vleesch’ spoort de ‘ik’ aan God en zijn geboden te vergeten en te genieten van de wellusten van deze wereld want De mensch vergaet als gras dat wert gehoyt.
  • 75 (strofe 150, verzen 1941-1945). De ‘ik’ beantwoordt de monoloog van ‘Zonde’: Ghelijck een gerseken t’somers mach groeyen / Oft ghelijck een blomken lustich mach bloeyen / Dwelck den winter als hoy can t’onderbringhen / Soo en wilt de doot nu oock niet ghehinghen / Datmen my langher sou houwen in weire.
  • 227 (strofe 453, verzen 5880-5883). Een smeekbede ter voorbereiding van de dood: Hy (God) is ghedachtich dat wy eirde sijn achermen / En dat als hoy sijn bloeme volbloeyt en ent / Met eenen mist, oft wint, is sy gheschent.

Ghenaede Goodts ed. 1996 (vóór 1598)

  • 177v (vers 1176). Rederijkersspel. ‘Dinwendigen Mensch’ over ‘die werlt’: haer glorij en eer is hoij waerachtich.

Hoecksteen ed. 1993 (XVIB)

  • 106r (verzen 125-128). Rederijkersspel. ‘Den Mensch’ zegt: en Ick sal voorts naer u raets devoijr Leven / en de sonde geensins meer gehoor geven / in mijn sterffelijck Lichaem blijckelijck / het hoij gelijckelijck.

Troost der Sondaren ed. 1993 (XVIB)

  • 144v (berzen 157-159). Rederijkersspel. ‘Schriftuerlijcke Troost’ zegt tot ‘Die garen tbeste dade’: wije sijdij die dan vreest / den sterffelijcke mensche niet weert een bone / die als hoij sal vergaen alsomen Leest.

Onbedochte Jonckheijt ed. 1998 (XVIB)

  • 137r (vers 45). Rederijkersspel. Context: het verhangen zijn aan de aardse ijdelheden. De ongelukkig getrouwde ‘Sorgeloos Ghepeijns’ klaagt dat zijn vrouw hem steeds uit de herbergen komt halen: principael als ick tot stroijter wat in off tot hoij inde wint ben geseeten. ‘Strooi er wat in’ en ‘Hooi in de wind’ zijn namen van herbergen.

 

5f Hooi = dagelijkse zonden, met verwijzing naar 1 Cor. 3, 12-15

 

Dialogus miraculorum I ed. 2003 (1219-23)

  • 97 (afdeling 2, hoofdstuk 10). Stichtelijk prozatraktaat (Latijn). Afdeling 2 gaat over: berouw. De novice vraagt wat de volmaaktheid van de (religieuze) liefde is. De monnik antwoordt: Die vinden we wanneer de geest zich niet van een doodzonde of dagelijkse zonde bewust is en hij niet alleen van schuld vrij is maar ook van straf. Ik neem aan dat, als die student in zulk een toestand gestorven was, hij de straf van het vagevuur helemaal niet had gevoeld, want volmaakte liefde verteert lood en stro, schuld en straf. Velen huldigen deze opvatting. Anderen zeggen dat zelfs de meest volmaakte mensen hooi en stro met zich meeslepen.

Legenda aurea II ed. 1993 (circa 1260)

  • 282 (hoofdstuk 163). Stichtelijk prozatraktaat (Latijn). Naar aanleiding van Allerheiligen: wie gaat naar het vagevuur? The third class of those descending into purgatory includes those who take wood, hay, and stubble with them, in other words, who are bound by a fleshly attachment to their earthly good although they love God more than wealth. The carnal affections that bind them to houses, wives and possessions, although they put nothing above God, are signified by the wood, hay, and stubble, and those who carry them will suffer the fire a longer time, like wood, or a shorter, like hay, or a minimum, like stubble.
  • 288 (hoofdstuk 163). Naar aanleiding van Allerzielen: The mediocre are those who take with them some inflammable materials – wood, hay, stubble – or who, caught unaware by death, cannot complete the sufficient penance imposed upon them.

Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 156 (Winterstuc, hoofdstuk 23, regels 173-175). Theologisch compendium. Als die propheet seit: Caf, hoy ende hout heeft hi verbarnt (Glosa:) dat is ondersceit van dagelixe sonden, die hi wijst in dat veghevier te barnen. ‘Profeet’ = de apostel Paulus.

Tafel van den Kersten Ghelove IIIb ed. 1938 (1404)

  • 655 (Somerstuc, hoofdstuk 52, regels 97-106). Theologisch compendium. Wie gaat er naar het vagevuur? Die derde, die in dat veghevier varen, sijn die gheen, die hout, hoy ende caf van deser werlt mit hem voeren. Die gheen, die hoor begheerte keerden op die werlt goet, huys, hof ende lant ende have te besitten, die voeren hout van heen; die gheen die hoir begheerten keerden op vleischeliker ghenuechten, wijf, kinderen, ghesinne, vrienden ende maghen mit over-luste te ghebruken, die voeren hoy van heen; die gheen, die hoer begheerten keerden op ydel glori, lof ende eer, in werscappen, in gheselscap ende in cleder, die voeren caf van heen.

 

6a Het spreekwoord ‘als men het hooi naar de paarden draagt, dan wil het gegeten worden’ (algemeen)

 

Ghemeene Neerrynghe ed. 1920 (XVIA)

  • 441 (vers 69). Rederijkersspel. Alsmen thoy tot peerdt draecht, zo wiltmen dat gheten zy. Hier gezegd van ‘Sulc Scaemel’ (de marskramer-knecht van een koopvrouw) die zijn waren naar de grote marktcentra Antwerpen en Bergen op Zoom moet brengen, om opnieuw winst te maken.

 

6b Het spreekwoord ‘als men het hooi naar de paarden draagt, dan wil het gegeten worden’ (erotisch)

 

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 95-96 (refrein 50). Vroed rederijkersrefrein. Een klacht over het zedenverval en vooral over de losbandigheid en ijdelheid van jonge meisjes, op de stokregel: Sulc hoij volcht nu den paerden nae. Harrebomée 1980 (I.330) vermeldt het spreekwoord ‘als het hooi het paard volgt, dan wil’t gegeten zijn’, met daarbij de toelichting: ‘Dat wil zeggen: als ’t goede u te gemoet komt loopen, dan wil het bij u zijn. Men bezigt dit spreekwoord, wanneer een meisje uit vrijen gaat. Wil men de tegenstrijdigheid van deze handelwijze aantoonen, dan gebruikt men een ander spreekwoord van dit onderwerp: Het hooi volgt den hengst niet’. De betekenis van de stokregel bij Stijevoort wordt zo duidelijk: dat de meisjes de jongens achternalopen, is even ongepast als wanneer het hooi de paarden achterna zou lopen. Vergelijk verder Apeldoorn/Van Riet 1987: 109, die vermelden: ‘Als het hooi het paard volgt, wil het gegeten zijn. Als het meisje de jongen achternaloopt, wil ze dat hij met haar vrijt of trouwt. (…) Het hooi moet het paard niet volgen. Het meisje moet niet achter de jongen aan lopen’.

Eneas en Dido ed. 1982/83 (1552)

  • 196 (verzen 1244-1245). Rederijkersspel. De sinnekes over Dido, die verliefd is op Eneas: En hoij dat veijl is / Volght die peerden tallen stonden naer.

Leander ende Hero ed. 2002 (1621)

  • 104 (Spel 1, verzen 438-441). Rederijkersspel. Hero zegt dat ze Leander niet wil uitdagen: Het waer my schande en ick mocht myn eere krincken, / Dat ‘thoy liep ten Peerde, / Zou ick hem met lodderlijcke ooghen wincken, / Hy mochte’t nemen in onweerde.

 

7 Hooi // erotiek

 

De Coo 1975: 101 (afbeelding 29). Een houten bord, Nederlands (circa 1540/50, Alkmaar, Stedelijk Museum). Stelt de maand juli voor met een hooimaaiende boer. Daarrond de tekst: Thoeij te tijt es goet ghemaeyt / De vroukens sijn goet in tijts ghepaeijt.

 

[explicit 11 juli 2020]

 

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram