Jheronimus Bosch Art Center

Op het middenpaneel van Bosch’ Tuin der Lusten-drieluik draagt een hop (gemakkelijk herkenbaar aan de zwartgerande pluimenkam en de lange gebogen snavel) twee met de rug naar elkaar toe gekeerde mannen in zijn opgerichte kuif. De voorste man, die zich met de linkerhand vasthoudt aan de kuif en met de rechterhand zijn hoofd ondersteunt, is blijkbaar de ruiterstoet rond de vijver aan het bekijken. De achterste man houdt om een of andere reden de armen breed gespreid en laat het hoofd neerhangen.

 

Volgens Brehm [III 1930: 242-244] wordt de hop onder meer gekenmerkt door een lange, spitse snavel en een gele kuif (elke veer heeft een zwarte punt). ‘Onzen viezen kameraad’ voedt zich met menselijke drek. Zijn kuif gaat omhoog als hij boos is, rust of zijn roep laat horen. In de paartijd speelt hij ermee als met een waaier. Zijn paringsroep is ‘hoep-hoep’. Hoppenfamilies blijven trouw samen. Met de buren hebben zij voortdurend ruzie. Hun holen (in bomen of op de grond) worden vaak met droge koeienmest gemaakt.

 

1 De hop in de Oudheid

 

Historia animalium ed. 1991 (4de eeuw v. Chr.)

  • 278-279 (Boek VIII, 616a35-616b1). Aristoteles. Grieks proza. De hop (epops) maakt zijn nest meestal van menselijke drek en hij verandert zijn uiterlijk in de zomer en de winter.
  • 410-413 (Boek VIII, 633a17-633a28). De hop (epops) verandert van kleur en vorm, zoals Aischulos schreef. Volgen dan de verzen van Aischulos: de hop, verantwoordelijk voor zijn eigen kwaad, krijgt in de lente de vorm van een jonge, witgevederde havik. Bij de nieuwe oogst worden zijn vleugels weer grauw. But ever in hatred he will go from these places to another / and make his home in deserted woods and crags. Aristoteles schetst dus een negatief beeld van de hop, echter zonder symboliek. De verzen van Aischulos verwijzen naar het verhaal van Tereus, Procne en Philomela. Tereus werd door Zeus veranderd in een hop (volgens een andere versie: in een havik). Aischulos combineerde de twee versies door de hop elke lente te laten veranderen in een vogel die op een jonge havik lijkt. Zie voor het verhaal van Tereus, Procne en Philomela Ovidius’ Metamorphoses.

Metamorphoses ed. 1992 (circa 0 A.D.)

  • 218-230 (liber VI, verzen 412-674). Ovidius. Latijnse verzen. Het verhaal van Tereus, Procne en Philomela wordt beschreven in de Metamorphoses van Ovidius (43 v. Chr. – 17 of 18 A.D.). Een Engelse vertaling hiervan in Metamorphoses ed. 1955: 145-153. Een Nederlandse vertaling in Metamorphoses ed. 1993: 152-160. Tereus, de koning van Thracië, komt de Atheense koning Pandion helpen in een oorlog en krijgt als beloning de hand van diens dochter Procne. Zij krijgen een zoontje, Itys. Na vijf jaar smeekt Procne haar man om haar zuster Philomela op bezoek te laten komen. Tereus stemt toe en trekt naar Athene. Hij krijgt na lang aandringen de toestemming van Pandion, maar ondertussen is zijn begeerte onomkeerbaar opgewekt door de mooie Philomela. Aangekomen in Thracië, sluit Tereus Philomela op in een hut in het bos en hij verkracht haar. Om te voorkomen dat de wandaad bekend wordt, snijdt hij de tong van Philomela af, waarna hij zich nogmaals aan haar vergrijpt. Thuis liegt hij tegen Procne dat haar zuster gestorven is. Een jaar later maakt Philomela een weefsel waarop de verschrikkelijke gebeurtenissen afgebeeld staan en zij laat dit door een werkvrouw aan Procne bezorgen. Deze begrijpt de ware toedracht en begint te zinnen op wraak. Op een nacht bevrijdt zij haar zuster, waarna zij haar eigen zoontje Itys doodt en te eten geeft aan Tereus. Tijdens de maaltijd komt Philomela binnen en gooit het hoofd van Itys naar Tereus. Deze trekt zijn zwaard en achtervolgt de twee Atheensen, maar zij veranderen in vogels met rode veren op hun borst. Tereus zelf verandert in een hop: Ille dolore suo poenaque cupidine velox / vertitur in volucrem, cui stant in vertice cristae, / prominet inmodicum pro longa cuspide rostrum. / Nomen epops volucri, facies armata videtur (Tereus, alleen al door verdriet en wraaklust snelgevleugeld, / werd ook een vogel, één met op zijn kop een hoge kuif; / zijn uitgestoken zwaard is nu een meer dan lange snavel, / zijn naam is Vogel Hop, hij ziet er heel strijdvaardig uit) [Boek VI, verzen 671-674]. In welke vogels de twee vrouwen veranderen, staat niet letterlijk in de tekst, maar in het Grieks betekenen ‘philomela’ nachtegaal (Latijn: luscinia) en ‘procne’ zwaluw (Latijn: hirundo). Voor een goed begrip van de hop in de Tuin der Lusten lijkt dit verhaal van weinig of geen belang. In het begin van zijn roman Cliges (circa 1175) somt Chrétien de Troyes zijn eerder geschreven werken op. Hij schreef naar verluidt onder meer de la hupe et de l’aronde / et del rossignol la muance (over de gedaanteverwisselingen van de hop, de zwaluw en de nachtegaal) [Cliges ed. 1993: XI-XII / 87]. Tekstbezorger David Staines noteert dat dit een bewerking moet geweest zijn van het verhaal over Philomela uit Ovidius’ Metamorphoses. Dit verhaal overleeft in een Oudfranse versie. Deze versie is misschien die van Chrétien de Troyes…

Naturalis historia III ed. 1983 (1ste eeuw A.D.)

  • 346-347 (Boek X, XLIV.86). Plinius Maior. Latijns proza. The hoopoo (upupa) also changes its appearance, as the poet Aeschylus records; it is moreover a foul-feeding bird, noticeable for its flexible crest, which it draws together and raises up along the whole length of its head. Naast neutrale zaken, dus ook weer een negatief accent bij Plinius.

De natura animalium I ed. 1971 (circa 200 A.D.)

  • 186-189 (Boek III, paragraaf 26). Claudius Aelianus. Grieks proza. Among birds Hoopoes (epopes) are the most savage; and in my opinion it is due to the recollection of their former existence as human beings and more especially from their hatred of the female seks, that they build their nests in desolate regions and on high rocks; and to prevent human beings from getting near their young they smear their nests not with mud but with human excrement, and by dint of its disgusting and evil smell they repel and keep away the creature that is their enemy. Volgt dan nog een anekdote over een bewaker van een fort die tot drie maal toe het nest van een hop in een spleet dichtmetselt en drie maal opent de hop het nest met een kruid dat op de modder gesmeerd wordt. Uiteindelijk gebruikte de bewaker het kruid zelf om schatten te ontdekken.

De natura animalium II ed. 1971 (circa 200 A.D.)

  • 306-307 (Boek X, paragraaf 16). Idem. De Egyptenaren vereren de hop (epopa) omdat hij zijn ouders eerbiedigt.

De natura animalium III ed. 1972 (circa 200 A.D.)

  • 264-267 (Boek XVI, paragraaf 5). Idem. De Indische hop (epopa) is groter en mooier dan degene die wij kennen. Een brahmaanse mythe vertelt van een koningszoon die tijdens een uitputtende reis zijn overleden ouders in zijn eigen hoofd begraaft. Als beloning veranderde de Zon deze prins in een hop. Bij Aelianus treffen we dus zowel een positieve als een negatieve hop aan…

 

2 De hop in de Bijbel

 

In het Oude Testament wordt de hop genoemd onder de onreine vogels die niet mogen gegeten worden. Leviticus 11, 19 luidt in de Vulgaat: erodionem et charadrion iuxta genus suum opupam quoque et vespertilionem. Ook in de Septuagint wordt op deze plaats als negentiende vogel de epopa genoemd. En Deuteronomium 14, 18 luidt in de Vulgaat: onocratulum et charadrium singula in genere suo upupam quoque et vespertilionem. De Septuagint vermeldt hier als negentiende vogel de porphurioona. Het voorgaande vers (Deut. 14, 17) luidt in de Septuagint echter: kai kataraktèn kai ieraka kai ta omoia autooi kai epopa kai nuktikoraka.

 

Eerste Historiebijbel ed. 1977 (1460-61)

  • Leviticus 11, 19 luidt hier: ende den herodioen ende caradioen na sijn gheslechte, den nachtule, die opiupre.
  • Deuteronomium 14, 18 luidt hier: den heigher ende den caradium, elc in sijn maniere ende die opecope ende die vledermuys.

Delftse Bijbel ed. 1977 (1477)

  • Leviticus 11, 19 luidt hier: En(de) de(n) herodiaen ende charadrion na sinen gheslachte: den nacht ule den opinpere. Nochtans luidt Deuteronomium 14, 18: en(de) de(n) reygher en(de) de(n) caradriu(m) elc in sijn maniere ende die upupa en(de) die vledermuys.

 

Wanneer Ruusbroec de twintig onreine vogels uit het Oude Testament allegorisch interpeteert, is de negentiende vogel in elk geval de hop (zie infra).

 

3 De hop in de middeleeuwse bestiaria-traditie

 

Twee belangrijke bronteksten van de middeleeuwse bestiaria zijn de Physiologus en de Etymologiae van Isidorus van Sevilla.

 

Physiologus ed. 1979 (circa 200)

  • 14-15 (hoofdstuk X). Anoniem. Latijns proza. The law says, ‘Whoever curses his father or mother will die the death’ [Exodus 21,17]. What then of the patricide and the matricide? There is a bird called the hoopoe; if the young see their parents grow old and their eyes dim, they preen the parents’ feathers and lick their eyes and warm their parents beneath their wings and nourish them as a reciprocation just as they nourished their chicks, and thet become new parents of their own parents. Their feathers are renewed and their eyes re-illuminated so that they are able to be utterly renewed and to see and fly as before. Afterward, they thank their young who piously rendered them service. And after a fashion they say to their parents, ‘Just as you labored to nourish us, so we also do likewise for you.’ How unreasonable are these men who do not love their parents! Physiologus, therefore, spoke well of the hoopoe. De bijbelplaats waarvan vertrokken wordt, is Exodus 21, 17 (‘wie zijn vader of moeder vervloekt, zal eveneens sterven’). Als de hoppen oud worden, zorgen de jongen voor hen: zij strijken hun veren glad, likken hun ogen opdat ze beter zouden zien, voeden en verwarmen hen. How unreasonable are these men who do not love their parents. Dezelfde gegevens in Physiologus ed. 1994: 47-48 (hoofdstuk 8). Als vindplaatsen voor het bijbelvers worden hier aan Exodus 21, 17 toegevoegd: Mattheus 15, 4 / Marcus 7, 10 / Leviticus 20, 9 / Deuteronomium 27, 16. In de Physiologus is de hop dus een eenduidig positief voorbeeld van ouderliefde. Deze topos geven we verder weer als PHYS.

Etymologiae XII ed. 1986 (7de eeuw)

  • 274-277 (Boek XII, hoofdstuk 7, paragraaf 66). Isidorus van Sevilla. Latijns proza. Vpupam Graeci appellant eo quod stercora humana consideret et fetenti pascatur fimo; auis spurcissima, cristis extantibus galeata, semper in sepulcris et humano stercore commorans. Cuius sanguine quisquis se inunxerit, dormitum pergens daemones suffocantes se uidebit. De Griekse naam (epops) van de hop (upupa) komt van het feit dat hij menselijke uitwerpselen onderzoekt en zich voedt met stinkende mest (deze topos geven we verder weer als ETYM 1). [Het Latijnse ‘consideret’ is volgens tekstbezorger Jacques André een vertaling van het Griekse werkwoord ‘epopteuoo’, dat zoiets als ‘onderzoeken, aandacht besteden aan’ betekent. De hop zou in het Grieks dus ‘epops’ heten omdat zijn aandacht getrokken wordt door uitwerpselen.] Het is een zeer vieze vogel (avis spurcissima) met een hoge kuif, die zich steeds ophoudt in de buurt van graven en menselijke drek (deze topos geven we verder weer als ETYM 2). Wie zich bestrijkt met zijn bloed en gaat slapen, zal dromen dat hij door demonen wordt gewurgd (deze topos verder als ETYM 3). ETYM 2 heeft Isidorus overgenomen van de Commentaria in Zachariam Prophetam (circa 400 A.D.) van Sint-Hiëronymus van Stridon (Boek I, hoofdstuk 5). Daar lezen we namelijk: Upupam autem, quam nos de Graeci nominis similitudine traximus; nam et ipsi popam [= epopam] appellant ab eo quod stercora humana consideret, avem dicunt esse spurcissimam, semper in sepulcris, semper in humano stercore commorantem (de naam upupa hebben wij overgenomen uit het Grieks, want de Grieken noemen deze vogel epops omdat hij aangetrokken wordt door menselijke drek. Men zegt dat het een zeer vieze vogel is die altijd dichtbij graven en menselijke drek verblijft) [geciteerd in noot 569, pp. 275-276, zie ook Migne, PL 25, 1451]. Isidorus hangt dus een zeer negatief beeld op van de hop. Hassig 1995: 94, noemt Isidorus ‘one of the major bestiary authorities’ (samen met de Physiologus en De avibus).

 

De moderne secundaire literatuur zegt over de hop in middeleeuwse bestiaria onder meer het volgende…

 

George/Yapp 1991: 165-167

  • Griekse bestiaria hebben ‘epops’ of ‘koukoupha’ (onomatopeeën voor de hop). Het Latijnse bestiarium Bern 233 en Isidorus hebben hiervoor ‘upupa’. Dit werd overgenomen door een aantal Engelse bestiaria. Andere Engelse bestiaria introduceren naast ‘upupa’ ook ‘epopus’ (afgeleid van het Aviarium). Dit veroorzaakt dus verwarring: er zijn 2 namen voor 1 vogel!
  • B-Is (een bestiaria-familie) heeft ‘upupa’: leeft tussen graven en drek, de jongen verzorgen de zwakke ouders. T (‘upupa’) idem. IIA en latere versies: nieuw hoofdstuk over ‘epopus’ met verhaal over jongen die de ouden verzorgen, de rest blijft bij het hoofdstuk ‘upupa’, de hop heeft een rechtopstaande kuif (niet in IIB/D). III: heel het verhaal, licht ingekort, onder ‘upupa’, meestal zonder moraal.
  • In Engelse en middeleeuwse afbeeldingen van de hop tout court weinig natuurlijke getrouwheid. Wel in Franse (niet-bestaria-)handschriften uit XIVB. Kuif lijkt meestal op die van een pauw (gebaseerd op een prototype, want ook afbeeldingen in bestiaria waarvan de tekst die kuif niet vermeldt, hebben die kuif). Soms is heel de vogel nogal pauwachtig. Kuif van pauw = drie pinnen. In sommige handschriften lijkt de kuif of zelfs de hele vogel op de kievit (lapwing). Vanaf de 14de eeuw wrdt ‘upupa’ vaak vertaald als kievit.
  • Als er aparte hoofdstukken zijn (‘upupa’ / ‘epops’) dan zijn de begeleidende afbeeldingen totaal verschillend. Besluit: afbeeldingen van de hop in de Middeleeuwen zijn meestal niet natuurgetrouw, behalve in Franse handschriften vanaf de 14de eeuw.

McCulloch 1962: 126-127

  • Vermeldt PHYS. Sommige bestiaria (onder meer het Aviarium en B-Is) nemen ook ETYM 1 en ETYM 2 over. ‘Two ancient beliefs were fused in the account of the hoopoo’: de ouderliefde (Aelianus) en het nest dat van menselijke drek is gemaakt (Aristoteles). Bij Philippe de Thaon (ca. 1125): PHYS + ETYM 3. Illustraties: steeds de jongen die hun ouders voeden en hun veren uittrekken.

Henkel 1976: 200-201

  • Nadruk ligt op het motief van de ouderliefde (PHYS). Opsomming van enkele bronnen.

Yapp 1981: 52-55

  • 52-53. In Engelse bestiaria wordt de ‘upupa’ vaak afgebeeld als een kievit (lapwing). Verwarring hop / kievit.
  • 54-55. Ijsvogel, hop en groene specht vaak samen optredend in classificaties en in Frans handschriften.

Payne 1990: 81

  • In de bestiaria zijn er twee soorten hoppen: ‘upupa’ en ‘epopus’. ‘Upupa’ = mooie vogel met pejoratieve kenmerken (eet mest, nestelt op mest bij graven, bloed op huid bezorgt nachtmerries over duivels). Afbeelding is meestal een vogel met rare kuif. ‘Epopus’ = toonbeeld van kinderliefde voor ouders. Afbeelding toont meestal jonge hoppen die een oudere hop verzorgen.

Hassig 1995: 93-103 (volledig hoofdstuk gewijd aan hop = Chapter 9: The loving child: the hoopoe)

  • Een eigenaardig dualisme in de teksten over de hop: bij Isidorus is de hop negatief, in de Physiologus In de proza-bestiaria wordt meestal de ‘epopus’ verbonden met ouderliefde, en de ‘hupupa’ wordt beschreven als een zeer vuile en pejoratieve vogel. Waarom in de bestiaria twee ingangen voor de hop? Omdat de inhoud van twee bronteksten zodanig verschilt, dat twee aparte ingangen nodig zijn, anders lossen de repsectieve kenmerk-groepen te veel op. Er wordt beweerd dat in de afbeeldingen in de Engelse bestiaria de hop vaak lijkt op een kievit (lapwing), maar dat is zeker niet altijd waar. Soms wordt de hop als een uil afgebeeld. Soms staat de hop in de onmiddellijke buurt van uilen. Wellicht werd de hop als een soort uil gezien, maar waarschijnlijker werden ze met elkaar in verband gebracht omdat het beide vuile, pejoratieve vogels zijn volgens de tekstbronnen. De klassieke traditie: Aristoteles, Plinius, Aelianus.
  • Een niet zo frequent voorkomende moraal in de Vatican Bestiary: de hop staat hier symbolisch voor de goede ouders (Vatican Bestiary, fol. 31). De titel zegt: De upupa per quam boni parentes. In deze tekst wordt de lichamelijke verjonging van de oude hoppen (dankzij de jongen) vergeleken met de geestelijke bekering tot Christus: Hec auis significat bonos parentes, uidelicet, patrem et matrem qui bene nutriunt filios suos et pro eis sustinent mala usque ad morten… Et tunc reddunt eis lumen oculorum, quando faciunt eos cognoscere ueram, fidem, spem et caritatem; et insuper quando ostendunt eis que agenda sunt et faciunt eos respuere que agenda non sunt; et tunc demum restituunt eos pristine sanitati, id est, Iesu Christo, qui est uera salus et est ante omnia tempora (Vatican Bestiary, ff. 31r-31v) [100 / 233, noten 40-41].
  • Verder: Odo van Cheriton en Richard de Fournival. ‘The medieval significance of the hoopoe is difficult to sum up neatly, as the bird had contrasting associations in the bestiary as well as in contemporary fables and exempla. On the one hand, the bestiary portrait images help to identify the hoopoe with the sinner and the Jews, in conjunction with texts that emphasize the bird’s foulness and associations with evil; these would have been of particular interest to religious readers. At the same time, the narrative bestiary texts and images mandate a reading of hoopoes as loving offspring who honor their parents and care for them in their old age, according to God’s fifth commandment. I would suggest that this last lesson was appicable across the centuries and of equal interest to male or female, religious or lay readers. (…) On the negative side, Richard in his Bestiaire d’amour transforms the hoopoe story into a lesson on how women should care for their men, for the sake of their own future well-being. Contemporary fables and exempla carried the misogynous theme the furthest, by suggesting that the hoopoe’s filth was symbolic of lustful women who should be avoided at all costs [102-103]. Afbeeldingen van hoppen in bestiaria: zie afbeeldingen 92-103.

 

De middeleeuwse bestiaria zelf dan…

 

Aviarium ed. 1992 (1132-1152)

  • 238-241 (hoofdstuk LVII: De upupa). Hugo van Folieto. Latijns proza. De editie-1992 geeft het Latijnse origineel met een Engelse parallelvertaling. The Greeks call this bird hoopoe because it alights on human feces, and feeds on stinking dung. The bird is exceedingly filthy, is helmeted with a broad crest, is always lingering in tombs, and on human feces. Whence Hrabanus says, ‘This bird symbolizes wicked sinners, men who continuously delight in the filth of sins.’ The hoopoe is also said to love sorrow, because the sadness of the world causes the death of the spirit. For that reason he who loves God should always rejoice. Pray without ceasing. In all things give thanks, because the fruit of the Spirit is joy. Also, Physiologus says of the hoopoe that when it grows old and cannot fly, its sons come to it and pluck the oldest feathers from its body, and continuously care for it until new feathers grow again. They nourish it with food, as Scripture says [vergelijk Genesis 47, 12], until it can fly forth just as before with its powers renewed. Therefore, they offer an example to wayward men who cast out their own fathers from their houses when the latter grow old: when the latter become weak the former decline to sustain them who nourished these offspring when they were still small. Therefore let the rational man see what is due a father of mother, when the non-rational creature, as we have noted, attends to the necessity of its parentswhen they grow old. ETYM 1, ETYM 2 (avis spurcissima). Hrabanus (Maurus) zegt erover: deze vogel symboliseert de verdorven zondaars, mensen die voortdurend vreugde scheppen in het vuil van de zonden (Unde Hrabanus, ‘Haec avis sceleratos peccatores significat, homines qui sordibus peccatorum assidue delectantur’). De hop zou ook houden van zorgen omdat de ‘droefheid van de wereld’ de dood van de geest veroorzaakt. Wie God liefheeft, moet zich daarom altijd blij voelen… PHYS (met moraal). De hop negatief én positief dus.

Bestiaire divin ed. 1980 (1210-11)

  • 80-81. Guillaume le Clerc de Normandie. Oudfranse verzen. La huppe est un oiseau déagréable: son nid n’est ni bien fait, ni sain: elle le construit à l’aide de boue et d’ordure. Mais les oisillons qui sortent d’elle snt d’une excellente nature. En effet, lorsque les parents sont devenus vieux et qu(ils ont perdu la force de voler et de voir,alors leurs enfants leur viennent en aide: quand ceux-ci es voient à tel point vieillis, de leur bec ils leur arrachent aussitôt les vieilles plumes, puis ils les réchauffent avec tendresse, et les couvent exactement de la même manière que les parents les avaient couvés eux-mêmes auparavant, jusqu’à cequ’ils soient entièrement guéris et qu’ils soient redevenus bien vifs, que leur vue se soit éclaircie, et que leurs plumes aient bien repoussé. Quand les enfants ont ainsi guéri leurs parents, ils peuvent alors leur dire: ‘Cher père, chère mère bien-aimée, de la même manière que vous avez pris grand soin de nous lorsque vous nous avez élevés, en récompense du service que vous nous avez rendu nous avons mis un soing égal à nous occuper de vous, et nous vous avons rendu bonté par bonté, de telle sorte que la balance soit parfaitement égale. Messieurs, cette créature est dépourvu de raison, maisc’est sa propre nature qui la pousse à agir de lan manière que je vous ai racontée. L’homme devrait être profondément troublé de cela, lui qui possède toute sa raison, et qui ne prête pas attention à lui-même. Hélas! quel malheur que naquit celui qui déshonore son père et sa mère! Quand il les voit de ses propres yeux malades, faibles, agés, et qu’il ne leur prête pas attention et ne prend pas soin d’eux, c’est qu’il est d’une très mauvaise nature. Un homme qui possède en lui le discernement et qui hait son père et sa mère, et qui, à grand tort, les maudit, mourra nécessairement d’une mort cruelle. Car Dieu ordonna dans la Loi, à laquelle nous devons demeurer fidèles, que l’on honore son père et sa mère, qu’on les serve et qu’on les aime, et il promit que serait puni de mort celui qui maudirait son père et sa mère. Enerzijds is de hop een ‘onaangename vogel’ die zijn nest maakt van slijk en drek. Anderzijds PHYS. Positief en negatief dus. Zie voor een Engelse vertaling Friedmann 1980: 225 (noot 109).
  • Het origineel in Hassig 1995: 233 (noot 46) = Parijs, Bibliothèque Nationale, MS fr. 14969, fol. 16v, regels 855-870. Allas, tant fu nez a mal hure / Ke pere o mere desonore, / Quant il les veit deuant des oylz / Malades ou freiles ou vielz / E si n’en prent garde ne cure! / Mut est de malueise nature / Home, ky descrecum set / E sun pere e sa mere het / E les maldit mut a grant tort. / Morir l’estot de male mort: / Kar Deu comanda en la lei, / Ke l’om perre e mere honorast / E ke hom les seruist e guardast / E pramist ke de morreit / Ky pere ou mere maldireit.

Bestiaire: Pierre de Beauvais ed. 1980 (XIIIa)

  • 31-32. Pierre de Beauvais, Oudfrans. PHYS. Positief dus. Een Nederlandse vertaling in Bestiaire: Pierre de Beauvais ed. 2005: 27: In de Wet wordt gezegd: ‘Eert uw vader en uw moeder en uw leven op aarde zal verlengd worden’ en nogmaals dat hij die zijn vader en moeder vervloekt, de eeuwige dood zal sterven. Er is een vogel die de hop wordt genoemd, waarvan Physiologus zegt dat als de kuikens hun vader en moeder oud zien worden, zodat ze niet meer kunnen vliegen, dat zij dan de oude veren van hun vader en moeder eruit trekken en hen koesteren onder hun vleugels totdat hun veren weer aangegroeid zijn, en hun ogen weer helder en hun hele lichaam vernieuwd, zodat ze weer kunnen zien en vliegen als voorheen; dan bedanken de vader en moeder hun jongen, die hen zo barmhartig te hulp zijn gekomen, zeer. En de jongen zeggen tegen hen: ‘Zoals u ons verzorgde vanaf onze jeugd en u veel moeite voor ons gaf, zo moeten wij u dienen in uw ouderdom’. Als nu deze vogels, die geen verstand bezitten, zo handelen, dan moet zeker de mens die dit verstand wel bezit, zijn vader en moeder dienen en in ere houden.

Bestiary ed. 1993 (circa 1250)

  • Dit is het handschrift: Oxford, Bodleian Library, MS. Bodley 764. In dit Latijnse bestiarium komt twee maal een hoofdstukje over de hop voor…
  • When it sees its parents growing old and their eyes growing dim, the bird called the hoopoe pulls out their feathers, licks their eyes, and warms them until they are rejuvenated. It is as if it wanted to say: ‘Just as you brought me up, so I want to do the same for you.’ If beast, without reason, do as much for each other, how much more should men, endowed with reason, care for their parents in return for their care in bringing them up, for the Law says: ‘And he that curseth his father, or his mother, shall be surely put to death’ [Exodus 21, 17]. PHYS (met dezelfde moraal én verwijzing naar Exodus 21, 17, verwijzing echter toegevoegd door tekstbezorger). Op pagina 145 miniatuur in kleur met hoppenjongen die ouder verzorgen (deze vogels lijken echter niet op hoppen: géén kuif).
  • 171-172. The Greeks call the bird hoopoe because it lives among human dung and feeds on filth and excrement. It is an altogether revolting bird with a distinctive crest; it is always digging around in graves and human dung. If you smear yourself with its blood before you go to sleep, you will see demons that will threaten to suffocate you. Rabanus says that this bird signifies evildoers, men who love to dwell in the filth of sin. The hoopoe is said to love sorrow, because the sorrow of the world brings about the death of the spirit; and for this reason all who love god must always rejoice and pray without ceasing, give thanks in all things, because joy is the fount of the spirit. The naturalists tell us that when the hoopoe grows old and cannot fly, its offspring comes to it and plucks out the old feathers from its parent’s body. It does not cease to care for its parent and feeds it until the new feathers grow, as the Scriptures say: once its strength is restored, it can fly again. It is an example to perverse men, who, when their parents grow old, throw them out of their own houses and refuse to maintain those, old and now feeble, who nourished them when they themselves were young and weak. A thoughtful man should learn from this thoughtless creature, which (as we have described) supports its parents in old age, the duty that he owes to his father and mother. Letterlijk ETYM 1, ETYM 2 en ETYM 3. Rabanus zegt that this bird signifies evildoers, men who love to dwell in the filth of sin. Men zegt ook dat de hop van verdriet (sorrow) houdt, want verdriet om de wereld veroorzaakt de dood van de geest. Daarom moeten vrome mensen altijd dankbaar en vrolijk tot God bidden, want vreugde is de bron van de geest. ‘The naturalists’ zeggen: PHYS (met zelfde moraal, maar zonder bijbelcitaat). Op pagina 171 miniatuur in kleur van hop met onnatuurlijk kuif (drie sprieten). De hop in dit bestiarium dus zowel positief als negatief.

Livre du Trésor ed. 1980 (1263-64)

  • 206-207. Brunetto Latini, Oudfrans. La huppe est un oiseau qui a une crête sur la tête: elle mange du fumier et d’autres choses puantes, et pour cette raison, son haleine est mauvaise et fétide. Mais leur nature est telle que lorsque les fils voient leur père devenu vieux, qu’il est accablé et alourdi par l’âge, et que sa vue est tout à fait obscurcie, ils le déplument entièrement dans leur nid, ils recouvrent ses yeux d’un onguent, puis ils le repaissent et le nourrissent, ils le réchauffent sous leurs ailes, jusqu’à ce que ses plumes soinet redevenues nouvelles, et qu’il puisse aller et venir où il veut sans difficulté. De hop heeft een kuif op de kop en eet mest en andere vieze dingen, daarom is zijn adem slecht en stinkend (= ongeveer ETYM 1). De jongen verzorgen wel de ouders als zij oud en zwak zijn (= ongeveer PHYS, zonder moraal of bijbelcitaat). Positief en negatief dus.

Der naturen bloeme I ed. 1980 (circa 1270)

  • 295-296 (boek III, verzen 3509-3544). Didactisch rijmtraktaat van Jacob van Maerlant. Boek III is een aviarium. Upupa, alst es gheset, / es verboeden in doude wet: / dats om sine onreynichede. / In den drec nestelt hi mede; / gherne hout hi hem ghemanc / in steden daer es quaet stanc: / dies heetmen den linghenvoghel. / Scone hevet hi plumen ende vloghel, / ende op sijn hovet ene crone / van plumen ghewassen scone. / In den winter sietmenne noch en hoert; / in lententiden coemt hi voert. / Van der ouden doetmen verstaen, / dat si hem ontplumen saen, / ende ghaen in den neste ghinder / sitten onder hare kinder, / die ghewassen sijn onder den hoeder, / die asen vader ende moeder, / tote dat si gheplumt mogen wesen / ende van cranchede ghenesen. / Meer doecht esser an bekent; / als doude sijn van ouden blent, / so halen die jonghe dan I cruut, / daer die blentheit mede gaet uut. / Jacob seghet van Vetri, / ende ander meester menich daer bi: / wie so linghins voghels bloet / an sijn slaepbeen strijct ende doet, / als hi te bedde wille gaen, / nachts als hem die slaep sal bestaen, / sal hem droemen eer die morghen / datten viande willen verworghen. / Toverare doen besonder / met siere herten harde groet wonder; / maer hoe ende in wilker manieren / sone willen meesters niet visieren.
  • Zowel negatief als positief dus. De hop is verboden in het Oude Testament omwille van zijn onreinheid: hij nestelt in drek en houdt van stinkende plaatsen (ETYM 1/2). Daarom noemt men hem ‘linghenvoghel’ (variant: linginvogel). Lingene betekent in het Middelnederlands ‘drek’. Vergelijk hiervoor Sidrac ed. 1997: 720, en Kaetspel ed. 1915: 45 (regels 5-7). Dus: ‘drekvogel’. Verder heeft de hop mooie pluimen en vleugels, op zijn kop een kroon van schone pluimen. In de winter ziet men hem niet, in de lente komt hij tevoorschijn. De jongen verzorgen de ouders (verwarmen hen, voeden hen, genezen hun blindheid met een kruid) (= PHYS). Zonder moraal (maar toch wordt dit doecht = deugd genoemd). Jacob van Vitri en anderen zeggen: ETYM 3. Tovenaars doen speciale dingen met het hart van de hop, maar wat precies, dat willen de meesters niet zeggen.

Unterkircher 1986 (13de eeuw)

  • Oxford, Bodleian Library, MS. Ashmole 1511. De hop is een zeer vuile vogel, heeft een grote kuif, vertoeft in de nabijheid van graven en menselijke drek (= ETYM 2). Deze vogel is daarom een beeld van de hardnekkige zondaar, van mensen die voortduend plezier scheppen in de vuile zonden. De hop houdt naar verluidt van treurigheid want die bewerkt de dood van de geest. Verder ook PHYS. Positief en negatief dus.

Der dieren palleys 1520 (1520)

  • Aa3v-Aa4r (in deel 2 dat de vogels behandelt). Postincunabel: Antwerpen, Jan van Doesborch, 1520. In dat boec van die natueren der dinghen. Upupa die hoppe is een seer onreyn voghel met eenen wtstaenden helm of camme van pluymen op sijn hooft. en(de) hi woent gheern by dye grauen ende biden dreck der mensche(n) ende wert dicwil gheuoet vanden sti(n)ckenden dreck. Ende die eenen slapenden mensche bestreecke metten bloede vander hoppen he(m) soude duncken dat he(m) die duuele(n) willen de(n) hals breke(n) En(de) tis een voghel die droefheit bemint. Phisiologus seyt Die ionghen van desen voghel als si sie(n) dat haer ouders oudt en(de) blint werde(n) en(de) niet vliege(n) en conne(n) / so late(n) si die ouders in haer neste en(de) si trecke(n) haer oude pluymen wt ende bestrijcke(n) hare oghen met een cruyt dat si wter natueren kenne(n) daer si weder af siende werden En(de) dan verwarmen si haer ouders onder haer vlueghelen en(de) spijsense solanghe tot dat haer plume(n) weder ghewassen sijn en(de) dat si sterck sijn om vlieghen en(de) he(m)seluen te behelpen. Die Operacien. Die pennen vander hoppen gheleyt op dat hooft des menschen v(er)drijft die pijnen vanden hoofde. Pytagorias seyt Een me(n)sche bestreke(n) met dat bloet d(er) hoppe(n) sal veel duuelsche fantasie(n) sie(n). De tonghe gehangen aen de(n) mensce die seer v(er)getelijc is dat sal he(m) helpe(n). Positief en negatief dus en veel doorwerking van oude gegevens.

 

Een geval apart onder de bestiaria is Li Bestiaire d’amour van Richard de Fournival, waarin de bestiaria-topoi worden toegpast op het liefdesleven…

 

Bestiaire d’amour ed. 1986 (13de eeuw)

  • 30-31. Richard de Fournival, Oudfrans proza. De ik-verteller richt zich tot zijn geliefde (in de vertaling van Jeanette Beer): But there is no warmth so natural as beneath a mother’s wing, and no nourishment so good for a child as his own mother’s milk. And if you wished to nourish me, fair, very sweet, beloved mother, I would be as good a son to you as the young screech owls en the hoopoes are to their mothers. For as much time as the screech owl spends in nourishing her young, so much do they for their part spend in nourishing their mother when they are mature, and similarly the young of the hoopoe. For when she is in poor plumage, she would never moult by herself as other birds do, but the young hoopoes come and pull out the old feathers with their beaks, and then they brood over her and nourish her until she is completely covered with new plumage. And they spend as much time brooding and nourishing her as she spent on them when she hatched them. Fair, very sweet mother, I would very gladly be as good a son to you. For if you wished to hatch and nourish me, that is to say retain me as your love, as it was stated above that laying was the capturing and hatching the retaining, know that there is nothing by which a faithful lover should test himself that I would not do for you. But if you do not value my nurture as much as your own, and if it seems that I would not have rewarded you enough for your love if I had given you mine, I respond that there is nothing that is not equalized by love. For in love there is neither valley nor hill. Love is all one like a waveless sea. Wherefore a Poitevin said that love that so undulates is worthless; wherefore also Ovid said that love and mastery cannot remain together on a single throne; and the Poitevin, who followed Ovid in this, said, “Pride cannot coexist with love”. And that other who for his part said, “I cannot ascend if she does not descend” meant that, since she was higher and he lower, she must descend and he ascend to be one. The reason for this equality is to be found in the fact that the same path goes from St. Denis to Paris as from Paris to St. Denis. And so I say that if you wanted us to love each other, it would be one and the same love from you to me and from me to you, and the one love and the other would both be of the same lineage. Wherefore the Poitevin said, “Unequal to you in rank, yet ranked equal through love”. Wherefore I say that because it would all be one, I would bestow on you as much as you would have bestowed on me. For although at this time I am not as worthy as you, if you loved me, your love would improve me until I was worth as much as you, for it would raise me to your stature. Wherefore it seems to me that I could be as good a son to you as the screech owls and the young hoopoes are to their mothers.
  • Richard de Fournival sluit dus aan bij de PHYS-topos. ‘Later, in his Bestiaire d’amour, Richard of Fournival added a misogynist slant to the traditional bestiary hoopoe story. Richard describes how the hoopoe offspring and parent mutually care for each other, but he identifies the offspring as himself, and the parent as the woman whose affection he seeks. He then reveals that only if the woman agrees to surrender her love will he then take care of her in reciprocal fashion’ [Hassig 1995: 101-102]. Een Nederlandse vertaling van de geciteerde passage in Bestiaire d’amour ed. 2005: 87-88.

Bestiaire d’ amour ed. 1987 (1270-90)

  • 418 (regels 18-43) – 419 (regels 1-4). Een Middelnederlandse (Nederrijnse) vertaling van deze passage uit Li Bestiaire d’amour: Mar en is gen so naturlike hette, als is vnder den vlugele van sinre naturliker muder, nog gene so gude vudinge den kinde als di milik van sine regter muder. Jnde wairt dat gi mi vuden wilt wel sute geminde ic solde v wesen alse gude sune als di iunge van den odeuare is sinre muder. Jnde ak als di iunchen van der hupen. Want als lange tit als di odeuare vudet vr iungen als lange vuden di iunchen vr muder als si vol wassen sin. Inde also dun di iungen van der hupen. Want sine solden nummer mer muten bi vme seluer also als ander vugel dun. Mar si kuman tut der hupen inde trechen vn di vederen vt mit vre becke. Jnde dan bruden sise inde vuden also lange als di muder vn irst werue. Jnde also guden kuken so solde ic v wesen wel sute geminde wod di mi bruden inde vuden dat is te sechene dat gi mi wolt behoiden als lif also als te vuren geseid is dat dat lechen solde wesen tvain inde dat bruden it behoiden. Jnde wet dat gene sake en is dar man enen minner mide pruuen mogte jne detse dur vwen wille. Mar is dat gi nit en priset di vudinge van mi als duwe of dat v dunket dat ic v nit gnug en gaue of ic v mine minne vmb duwe gaue dar vp so antwerde ic v dat gene sake en is minne en makse gelik. Want in der minnen en is nog berg nog dal. Mar si is alse slegt als di see alst nit en wehet. Dar vmbe seide ouidius dat minne inde herscap nit te gadere mugen duren vp enen setele. Dar vmbe sech ic wairt dat gi wold dat manlik anderen minde so wairt ene minne van mi inde van v. Jnde van al sulken geslagte. So ware dene minne als dandere. Dar vmbe sech ic sint dat al en soide wesen so soide ic v als vile lonen als gi mi. Want al bin ic nit als gut als gi wairt dat gi mi mint v minne di soide mi sere beteren. Jnde al tut vwen wille inde ture maten so dunkt mi dat ic v wel wesen mogte also guden sune als di iungen van den odeuare inde van der hupen sin vrre muder.

 

4 De hop in de Latijnse encyclopedische en exegetische traditie

 

Commentaria in Zachariam ed. 1845 (circa 400)

  • 1450-1451 (Boek I, hoofdstuk 5, paragrafen 819-820) = Migne, PL 25. Sint-Hiëronymus van Stridon. Latijns proza. Bijbel-exegetisch traktaat. Naar aanleiding van Zakarias 5, 9-11. De profeet ziet in een visioen twee vrouwen met vleugels. Voor Zakarias 5, 9 heeft de Vulgaat: et levavi oculos meos et vidi et ecce duae mulieres egredientes et spiritus in alis earum et habebant alas quasi alas milvi et levaverunt amphoram inter terram et caelum (en ik sloeg mijn ogen op en zag toe en zie, twee vrouwen verschenen en de wind blies in hun vleugels en ze hadden vleugels als de vleugels van een wouw en ze hieven de korenmaat op tussen aarde en hemel). De Septuagint heeft hier echter: kai autoi eichon pterugas oos pterugas epopos (en zij hadden vleugels zoals de vleugels van de hop). Hiëronymus vermeldt als vertaling van het Hebreeuwse asída zowel de wouw als de hop en ook nog de reiger (herodio). Over de hop schrijft hij: Upupam autem, quam nos de Graeci nominis similitudine traximus (nam et ipsi popam appellant ab eo, quod stercora humana consideret), avem dicunt esse spurcissimam, semper in sepulcris, semper in humano stercore commorantem: denique et nidum ex eo facere dicitur, et pullos suos de vermiculis stercoris alere putrescentis [Van de hop, wiens naam wij hebben overgenomen naar analogie met het Grieks (want de Grieken noemen deze vogel (e)popa omdat hij aangetrokken wordt door menselijke uitwerpselen), zegt men dat het een zeer vieze vogel is, die zich altijd ophoudt in de buurt van graven en menselijke drek. Ja, men zegt zelfs dat hij zijn nest maakt van uitwerpselen en dat hij zijn jongen voedt met wormen die in de stinkende drek zitten]. Negatief dus, aansluitend bij ETYM 1 en ETYM 2.

De universo libri XXII ed. 1852 (9de eeuw)

  • 252 (boek XXII, hoofdstuk 6). Rabanus Maurus. Latijns proza. Upupam Graeci appellant, eo quod stercora humana considerat, et fetenti pascatur fimo, avis spurcissima, cristis exstantibus galeata, semper in sepulcris et humano stercore commorans. Haec avis sceleratos et peccatores homines significat, qui sordibus peccatorum immorari assidue delectantur (de Grieken noemen deze vogel hop omdat hij menselijke uitwerpselen opzoekt en zich voedt met stinkende mest. Het is een zeer vieze vogel, met op zijn hoofd een uitwaaierende pluimenkam, die altijd verblijft in de buurt van graven en menselijke drek. Deze vogel staat voor de misdadige en zondige mensen die zich onophoudelijk en met plezier bezighouden met vuilen zonden). Zeer negatief dus, aansluiten bij ETYM 1 en ETYM 2. De hop = de zondige mens.
  • 254 (boek XXII, hoofdstuk 6). Upupa lugubre animal, amansque luctum est. Saeculi autem tristitia mortem operatur. Propter quod oportet cum qui diliget Deum, semper gaudere, sine intermissione orare, in omnibus gratias agere: quia gaudium spiritus fructus est (de hop is een luguber dier dat van rouwen houdt. De droefheid der wereld heeft immers de dood tot gevolg [vergelijk II Cor. 7, 10]. Daarom is het gepast dat wie God liefheeft, altijd blij is, zonder ophouden bidt en voor alles dankbaar is. Want blijdschap bevrucht de geest). Nogmaals een negatieve hop.

De bestiis et aliis rebus ed. 1854 (12de eeuw)

  • 50 (liber I, cap. LII: De upupae natura). Pseudo-Hugo van St. Victor. Latijns proza. Upupam Graecis epops appellatur, ab epopsaomai quod est obsonium facio, eo quod stercora humana consideret ac congreget, et fetenti pascatur fimo. Avis est spurcissima, cristis exstantibus galeata, semper in sepulcris et humano stercore commorans. Unde Rabanus: ‘Haec avis sceleratos peccatores significat homines, scilicet qui sordibus peccatorum assidue delectantur’. Upupa etiam luctum amare dicitur, quia saeculi tristitia mortem spiritus operatur. Propter hoc oportet eum, qui diligit Deum, semper gaudere, sine intermissione orare, in omnibus gratias agere [I Thess. 5], quia gaudium fructus est spiritus [Galat. 5]. De upupa etiam physiologus dicit quod cum senuerit et volare non possit, filii ejus ad eam veniunt, et pennas vetustissimas e corpore ipsius evellunt, eamque fovere non cessant, et donec iterum pennae novae crescant, cibis sustentant, ut Scriptura dicit, donec sicut ante assumptis viribus evolare possit. Exemplo igitur suo upupae perversos homines arguunt, qui patres suos, cum senuerint, a domibus propriis expellunt, qui eos, cum deficiant, sustentare renuunt, qui tamen ipsos, cum adhuc parvuli essent, educaverunt. Videat igitur homo rationalis creatura quid patri vel matri debeat, cum irrationalis creatura quod praediximus, in necessitate cum senuerint, parentibus reddat (De Grieken noemen de hop epops, van ‘epopsaomai’ dat toespijs bereiden betekent, omdat hij menselijke uitwerpselen opzoekt en verzamelt en zich voedt met stinkende mest. Het is een zeer vieze vogel, met op zijn hoofd een uitwaaierende pluimenkam, die altijd verblijft in de buurt van graven en menselijke drek. Vandaar dat Rabanus over hem zegt: ‘Deze vogel staat voor de misdadige en zondige mensen die als het ware plezier beleven aan de vuile zonden’. Men zegt ook dat de hop van rouwen houdt, omdat de droefheid der wereld de dood met zich brengt. Daarom is het gepast dat hij die God liefheeft, altijd blij is, zonder ophouden bidt en voor alles dankbaar is, want de vreugde bevrucht de geest. Over de hop zegt de Physiologus ook dat wanneer hij oud wordt en niet meer kan vliegen, zijn jongen naar hem toekomen, de oude veren uit zijn lijf trekken, hem constant blijven verwarmen en hem, zoals de Bijbel zegt, van voedsel voorzien, totdat zijn pluimen opnieuw gegroeid zijn en hij zoals voorheen met hernieuwde krachten kan wegvliegen. Op die manier vormen de hoppen een vermanend voorbeeld voor de perverse lieden die hun ouders, wanneer ze oud zijn geworden, uit hun eigen huis verdrijven en die hen weigeren te helpen wanneer ze behoeftig zijn, ofschoon die ouders hen, toen ze nog klein waren, opgevoed hebben. Moge de mens, een met rede begiftigd wezen, dus inzien wat hij verschuldigd is aan zijn vader en moeder, als een niet met rede begiftigd wezen zoals dat waarover we het hier hadden, zijn ouders zo verzorgt, wanneer ze oud en hulpbehoevend zijn). Negatief (aansluitend bij ETYM 1/ETYM 2) en positief (aansluitend bij PHYS) dus.

Physica ed. 1855 (12de eeuw)

  • 1305 (boek VI, hoofdstuk 47 = De Vedehoppo). Hildegard van Bingen. Latijns proza. Wedehoppo calida est et humida, [et cibo hominis non conv. ed.] et circa quamdam medietatem aeris volat, et diem diligit, et immundam naturam habet, et ideo semper in sordibus ac circa sordes versatur, et in eis proficit, et ideo quaerit sordes, quae fortissimae sunt, et in eis mansionem suam parat. Caput autem ejus et viscera abjice, et pennas extrahe, et reliquum corpus in nova olla ad pulverem redige, et si orfimae in aliquo homine ruptae sunt, aut si vermis aliquem hominem comedit, in ipsa vulnera de pulvere isto pone, et si orfime sunt, exsiccabantur, aut si vermes sunt, morientur [de hop is warm en vochtig (en is niet geschikt als voedsel voor de mens) en vliegt ergens halverwege in de lucht, en hij houdt van de dag, en hij heeft een onreine natuur, en wel hierom omdat hij zich altijd ophoudt bij excrementen en in de buurt van vuiligheid en daar baat bij heeft, en hij zoekt excrementen op omdat deze zeer sterk zijn en hij er zijn nest mee bouwt. Verwijder zijn kop en ingewanden en trek de pennen uit en herleid de rest van het lijf in een propere pot tot pulver, en als er zweren zijn uitgebroken bij een mens of als hij last heeft van een worm, breng dan op de wonde wat van dit pulver aan, en de zweren zullen uitdrogen en de wormen zullen sterven]. Negatief, aansluitend bij ETYM 1 en ETYM 2, met toegevoegde medische adviezen.

De animalibus ed. 1987 (13de eeuw)

  • 320-321 (boek XXIII, paragraaf 143, nr. 112). Albertus Magnus. Latijns proza. In de Engelse vertaling van de editie-1987: Upupa is a familiar bird that, like the bat, sleeps through the winter. It has a crest of feathers on its head, while the rest of its body has a beautiful pied plumage. During winter hibernation it lies in silence, and in the spring sets up a noisy call whose monotony is unrelieved by any variation from a single phrase. This bird builds its nest from human feces; and, consequently, the fledglings are malodorous. After it has reared its young, it undergoes a complete molting and sheds all of its feathers while occupying the same nest; during this interval it is fed by the young birds. According to a commonly repeated story, the hoopoe goes blind in old age; but its offspring treat its failing eyes with a certain herb known only to themselves, and the bird recovers sight. Smearing a hoopoe’s blood on one’s temples just before going to sleep causes one to have terrible nightmares. Enchanters search avidly for the hoopoe in order to use its organs, especially the brain, tongue and heart, for their own purposes. However, we have no intention of pursuing that subject here, since it is more appropriately investigated under the heading of a separate study. Geen moraal, wel eerder negatief, met een wetenschappelijke achtergrond voor veel van de symboliek elders.

De natura rerum ed. 1973 (13de eeuw)

  • 229 (boek V, hoofdstuk 119 = De upupa). Thomas van Cantimpré. Latijns proza. Huppupa avis est lege prohibita. Ut Ysidorus dicit, volucris est immunda, que in stercoribus nidum struit et in fetidis libentius commoratur. Avis tamen admodum pulcra est, et est plumis quibusdam cristis exstantibus galeata septicolorem habens in capite que aperit(ur) et contrahitur. Hyeme latet et muta est. Vere producitur et una tantem voce importuna est sicut cuculus. Senescentes parentes plumas in nido inter pullos iam adultos exuunt et iterum a pullis pascuntur, donec vires et plumas recuperent. Dicit Phisiologus quod alia inest eis pietas erga parentes suos. Cum enim parentes eorum senio visum perdiderint, pulli naturaliter notam herbum colligunt et inde liniunt cecatos parentum oculos, ut herbe antidoto oculorum recuperent claritatem; et in hoc pietas Tobie iunioris ostenditur. Iacobus: Si quis timpora capitis sui inunxerit sanguine huppupe dormitum pergens quasi demones suffocantes se videbit in sompnis. Huppupe cor malefactoribus et incantatoribus valet; sed quemadmodum hoc fit, Experimentator non scribit (De hop is een vogel die verboden wordt door de Oude Wet. Zoals Isidorus zegt, is het een onreine vogel die zijn nest maakt van uitwerpselen en graag in de vuiligheid verblijft. Nochtans is het een vrij mooie vogel die op zijn hoofd een kuif heeft van zevenkleurige uitwaaierende pluimen die hij kan op- en neerlaten. ’s Winters zit hij verborgen en zwijgt hij. In de lente komt hij tevoorschijn en laat hij een onaangename, eentonige roep horen, zoals de koekoek. Oud geworden, trekken de ouders hun pluimen uit in het nest tussen de reeds volwassen jongen en worden zij door de jongen op hun beurt gevoed, totdat hun krachten en pluimen hersteld zijn. De Physiologus zegt dat de hoppen nog op een andere manier lief zijn voor hun ouders. Want wanneer de ouders door de ouderdom hun zicht verliezen, vinden de jongen instinctief een hen bekend kruid en daarmee bestrijken ze de blinde ogen van hun ouders, die door dit genezend kruid hun zicht herwinnen. En zo imiteren ze de liefdadigheid van de jonge Tobias.Jacobus [Jacob van Vitry] zegt: wie zijn slapen insmeert met het bloed van de hop, zal wanneer hij gaat slapen dromen dat hij door duivels wordt verstikt. Voor tovenaars en bezweerders is het hart van de hop waardevol. Maar op welke manier, dat zegt de Experimentator niet). Positief (aansluitend bij PHYS) en negatief dus (aansluitend bij ETYM 1, ETYM 2 en ETYM 3).

De Rerum Proprietatibus ed. 1964 (13de eeuw)

  • 551 (boek XII, hoofdstuk 37 = De Vpupa). Bartholomeus Anglicus. Latijns proza. Vpupa, vt dicit Isidor à Graecis est nuncupata, eo quod stercora humana comedat, & foetenti fimo nutriatur. Auis enim est spurcissima & immunda, cristis à capite exeuntibus galeata, semper in sepulcris commorans vel in fimo. Cuius sanguine si quis se inunxerit, dormitum pergens, daemones in somnis se suffocantes videbit. Cuius cor malefactoribus valet, nam in suis maleficiis eo vtuntur. De hac ave dicunt Physici, quod cum senuerit, eo quod nec videre nec volare queat, pulli eius euellunt ei pennas inualidas, & liniunt ei oculos herbarum succis & fouent sub alis, donec recrescant plumae eius, & sic renouata perfecte volat & videat clare sicut & ipsi, vt dicit Isid. (zoals Isidorus zegt, is de naam upupa overgenomen uit het Grieks, omdat deze vogel menselijke uitwerpselen opeet en met vieze mest wordt gevoed. Het is een zeer vieze en onreine vogel, met een helm van pluimen op zijn hoofd, die altijd in de buurt van graven en drek verkeert. Als iemand zich inwrijft met zijn bloed, zal hij wanneer hij gaat slapen dromen dat demonen hem verstikken. Zijn hart is waardevol voor tovenaars want zij gebruiken het voor hun toverkunsten. Over deze vogel vertellen de natuurkundigen dat, wanneer hij oud is geworden en niet meer kan zien of vliegen, de jongen zijn nutteloze pluimen uittrekken en zijn ogen inwrijven met het sap van kruiden en hem verwarmen onder hun vleugels, totdat zijn pluimen weer aangroeien en hij zo opnieuw net als zij kan vliegen en helder zien, zoals Isidorus zegt). Negatief (ETYM 1, ETYM 2 en ETYM 3) en positief (PHYS) dus.

 

5 De hop in middeleeuwse fabelcollecties

 

Fabulae ed. 1985 (XIIIA)

  • 115-116 (nr. 60 = The Hoopoe and the Nightingale). Odo van Cheriton. Latijns proza. Hassig 1995: 101, noteert: ‘Odo of Cheriton, in his fable of the hoopoe and the nightingale compares the hoopoe’s dung-lined nest to lustful women and “those who often enough possess beds that are fetid indeed.” These are contrasted with religious who, like the nightingale, would rather live among the rough branches, that is, the austerities of religion, praising God nightly in song. This same tale was included in collections of exempla and was often paired with the story of a monk who, when tempted by a woman, invited her to enter a fire with him, whereupon she left in confusion’. De fabel zelf dan: Against luxuries – and concerning the religious who flee from them. The beautiful hoopoe, dressed out in an array of colors and crested with exceptional splendor, addressed the nightingale: ‘You spend the whole night singing and hopping up and down upon the rough branches. Come. Rest yourself in my nest.’ The invitation pleased the nightingale, and down she went [descendit] into the hoopoe’s nest. Yet once there, she found fetid dung and, so, couldn’t rest at ease. Away she then flew, declaring: ‘I’d rather hop uon the rough branches than rest amid such dung.’ The hoopoe who builds her nest upon dung signifies a lustful woman, a dissipated nobleman, those who often enough possess beds that are fetid indeed – splendid and plush with the dung of sin. The nightingale signifies religious men and women upon their rough branches, i.e. living amid the austerities of religion and praising God in nightly songs. These religious would rather hop and exult upon such rough branches than rot in the stench of luxury – as was the case with a particular Cluniac monk. A stranger woman actually came to him by night, asking what she might possess by living with him. ‘You must, then, come over here,’ the monk said in reply. And he proceeded to stretch himself out on top of glowing embers. At this, the woman strove with words to get him up from the embers. But he had no desire to arise, and said to her: ‘I am doing what I am doing in order that you may long for it.’ The abbot of the monastery, witnessing this struggle, began chanting the fifteen psalms Ad Dominum. Some time later, when this same abbot was laboring at the point of death himself, people asked him whom they should consider appointing as the new abbot, after his death. He answered: ‘The monk who lay within the fire and was not consumed by it.’ Now upon hearing these words, everyone standing about thought that the abbot was crazy. So, at last, he told them the story about the monk mentioned above. Such an event actually happened in our own time, in the case of a preaching brother in Spain. A woman threatened to kill herself unless she could possess what he had. And the brother marked out a place, and there kindled a great funeral pyre. Then he stepped within, and told the woman that she too should enter the fire – if she wished to enjoy its pleasures with him. And thus the woman departed, filled with confusion.

 

6 De hop in niet-Middelnederlandse teksten

 

Le Grant Kalendrier et Compost des Bergiers ed. 1976 (circa 1500)

  • Incunabel, Middelfrans. Vogels worden verzen in de mond gelegd. Eén van deze vogels is de hop: La Huppe. / Menger ne veulx sinon ordure, / Car en punaisie me tiens; / Si je suis de telle figure / Beaulté sans bonté ne vault riens (ik wil niets anders eten dan vuiligheid / want ik leef in de stank. / Al ben ik mooi van uiterlijk, / schoonheid zonder goedheid is niets waard).

 

7a De Middelnederlandse benamingen voor de hop

 

Trevirense I ed. 1964 (14de eeuw)

  • Latijns-Nederlands glossarium. Vpupa hoppe [onder upupa is bijgeschreven: vel hona] (…) Vppupa wedhop, quaethat [dit laatste later bijgevoegd en een verschrijving voor ‘quaethan’ = kwaadhaan].

Ms. Germ. Quarto 610 ed. 1964 (1400)

  • Latijns-Nederlands glossarium. Vppupa wedehoppe.

Curia palacium ed. 1968 (circa 1500)

  • 203 (p. 5, regels 13-14). Nederlands-Latijns glossarium. Huppe = Hupupa.

Etymologicum ed. 1974 (1599)

  • Nederlands-Latijns woordenboek van Kiliaan. Hoppe = Vpupa, epops.
  • Hoppe-top = fland. j. hoppe. Vpupa.
  • Uit deze zelfde bron blijkt dat ‘huberon’ een oudere vorm is van het jongere ‘hoppe’. Huberon = vetus. j. hoppe. Vpupa.

 

7b Het Middelnederlandse woord ‘hoppe’ = hoer

 

Bax [1948: 161] was de eerste om te signaleren dat rond 1500 het woord ‘hoppe’ in het Middelnederlands onder meer ‘hoer’ kon betekenen. Hij verwees echter alleen naar WNT VI: 1108, waar we slechts lezen: ‘De hop staat in het gerucht van onzindelijkheid bij den nestbouw (…). Staat met dien slechten roep misschien in eenig verband hoppe in toepassing op een vrouwspersoon?’ Erg overtuigend klinkt dat dus niet. De betekenis ‘hoppe = lichte vrouw’ wordt duidelijker verantwoord in Maks Rhetoricaal Glossarium [RG 1959: 208]. Mak verwijst naar Kiliaan en naar het WNT (sub ‘hop 1’), en brengt bovendien twee zestiende-eeuwse literaire bewijsplaatsen aan…

 

Bijns ed. 1902 (XVIA)

  • Rederijkerslyriek. Het 2de en 8ste vers van een rondeel waarin de navolgers van Luther (meer bepaald losbandige vrouwen) gehekeld worden, luiden: Hopkens, popkens, duyven die stuyven ter stoven. Vergelijk over deze verzen en de prostitutiecontext waarin ze optreden De Bruyn 2001a: 366.

Leander ende Hero ed. 2002 (circa 1550)

  • 133 (Spel 2, verzen 148-150). Rederijkersspel. Den Roover der Amoureuse zinnen (een sinneke) zegt over Hero: My dunct dat noch een vuyl hoppe / zal worden, eer dat zal eynden dit spel, / sy is vol amoureusheyts totten koppe.

Etymologicum ed. 1974 (1599)

  • Nederlands-Latijns woordenboek van Kiliaan. Hoppe = Vpupa, epops.
  • Hoppe-top = fland. j. hoppe. Vpupa.
  • Hoppe = Obscena, spurea mulier: # Meretrix (onzedelijke, gemene vrouw / hoer).

 

Het Erotisch Woordenboek [Heestermans e.a. 1977: 75] neemt de eerste twee bewijsplaatsen over van Mak. Aan de literaire bewijsplaatsen voor ‘hoppe = hoer’ kunnen nog de volgende worden toegevoegd:

 

Refereynen Gent 1539 ed. 2000 (1539)

  • G1v (strofe 1, verzen 6-7). Zot rederijkersrefrein (van de kamer van Nieuwkerke) over allerlei dwazen: Dan zijnder hoppezots, maer dat es schande / datmer zo vele inde waerelt vindt. Hoppezotten = hoerenlopers.

Joseph ed. 1975 (XVIB)

  • 100 (verzen 460-461). Rederijkersspel. Het sinneke Nijdich Herte zegt indirect tot Twijff van Putijfaer (de vrouw van Putifar): Suldij u oock niet schamen, ghij wuijle hoppe, / dat ghij u hemde sonder versoeck sout lichten?

 

7c De hop in Middelnederlandse teksten

 

Vanden Gheesteliken Tabernakel ed. 1934 (14de eeuw)

  • 348-349. Stichtelijk prozatraktaat van Jan van Ruusbroec. In hoofdstuk 138 (Van den .XX. voghelen die god verboet den ioden tetene) bespreekt Ruusbroec de 20 vogels die in het Oude Testament als onrein worden beschouwd. Hij neemt gegevens over uit de bestiaria-traditie en interpreteert die dan allegorisch-stichtelijk. Over de hop schrijft hij: Van den hoppe. Die neghentienste voghel dat es de onreine Hoppe. Die woent gherne daert vule stinct. Si heeft scoene plumen, ende ene croene van plumen. Maer in den winter sidt si bloet ende naect onder hare kindere. Hier-mede versteet men den onreinen mensche, die der werelt behaghen wilt, ende hem-selven ciert met scoenen plumen van cleederen, met waerden, met werken, met treckende ghelate, op-dat hi den mensche bedrieghen moghe, ende verleiden na sijn gherief in sonden. Dese mensche stinct vore Gode ende vore alle sine heileghen. Nochtan heeft hi ene scoene croene van plumen, dat es: de glorie sijnre behaghelheit daer hi hem mede ciert. Maer hi wert ghespijst met menschen-messe, alse de hoppe, in dien, dat hi heme verblijdt, alse hi andere menschen ghetrecken can in onsuverheiden van sonden. Ende hi es onreine ende quadere dan de duvel: want al trect de duvel de menschen van Gode, hi en trecse tote heme niet, sijns te ghebrukene. Maer dat doet dese vule mensche. Hi sedt hemselven enen afgod, in dien, dat hi begheert, dat andere menschen in heme rasten ende sijns ghebruken. Maer in den wintere sal hi sitten naect ende bloet onder sine kindere. Dat es: wanneer dat dese tijt der gracien overlijdt tote in de doet, so ontvalt hem al, dat der werelt toe-behoert. Es hi dan naect ende bloet van doechden ende van godleker minnen, so moet hi eweleec sitten in dat helsche coude met sinen kinderen, dat sijn de-ghene, die hi bedroghen ende verleidt heeft in sonden. Bij Ruusbroec is de hop dus eenduidig negatief: de vogel symboliseert de zondige, behaagzieke mens.

Blome der doechden ed. 1904 (begin 15de eeuw)

  • 30 (hoofdstuk VII). Didactisch-moraliserend prozatraktaat van Dirc Potter. Hoofdstuk VII handelt over ‘ontfarmherticheit’. Men mach de ontfermherticheit ghelijken bijder weehoppen jongheren. Als sij sien dat haer ouders soe seer veroudert werden dat sij haer vederen verliesen. Ende haer vlucht van ouderdom seer cranct. ende haer oghen die beghinnen te duijsteren naden lope der natueren. Soe maken die jonghen haren ouders een neest daer sijse in houden ende procureren hen dair sij bij leven. Ende plucken hen die oude vederen en de pluymken wt soe hen die wijse natuer leert. Ende werden aldus bij ontfermherticheit ende doecht van haeren jongheren ghevoet gelaeft ende besorghet tot dat hen haer nu vederen wederen wassen ende sij dan selve moeghe vlighen. Eenduidig positief dus. Potter sluit aan bij PHYS en interpreteert de hop als een voorbeeld van barmhartigheid.

Des Coninx Summe ed. 1907 (1408)

  • 300 (paragraaf 147). Stichtelijk prozatraktaat. Middelnederlandse bewerking van La Somme Le Roi. Over kwaadsprekers wordt gezegd: Si slachten oec der wedehoppen [brontekst Q heeft: der hoptopen], die maken hoer nest in menschen drec, daer si in rusten. Eenduidig negatief, sluit aan bij ETYM 1.

Der Byen Boeck ed. 1990 (1451)

  • 66 (regels 6-16 = Boek II, hoofdstuk 6). Stichtelijk-allegorisch prozatraktaat. Middelnederlandse vertaling van Thomas van Cantimpré’s Bonum universale de apibus. Wi lesen in den boke van der naturen dat somighe voghele als der olderen olt werden ende er vederen verlesen so denen se em weder. Se halen spise ende soken arsedie alse de wedehoppen. So lange hent er olders steruen ofte ghesunt werden. Hijr vmme is en mensche quader dan enich deer de daer nicht te hulpe comet sinen olders als se er guet verloren hebben of kranck gheworden sin. Ende daer vmme radet seneca sodanighen menschen seghende: gif dinen knecht ofte dinen sone ghin boet ouer di. Wo grote vnsinnicheit is dat den erfghenamen guet to vergaderen ende em soluen noetdrift te vnttrecken, vp dat grote erfnisse em sinen vrent make to viant. Want he sal sick so vele te meer verbliden van dinen dode wo he meer van di ontfaet. Positief dus, aansluitend bij PHYS. De moraal is dat kinderen hun ouders in hun ouderdom moeten bijstaan. Hier wordt echter (vrij uniek) aan toegevoegd dat men zijn kinderen geen grote erfenis moet nalaten, want anders zullen ze zitten te wachten op je dood.

Van den proprieteyten der dinghen 1485 (1485)

  • 232r (boek XII, hoofdstuk 38 = Van een weehop) (regels 35.443-35.467 in de online editie van het dbnl). Incunabel: Jacob Bellaert, Haarlem, 1485. Middelnederlandse bewerking van Bartholomeus Anglicus, De rerum proprietatibus. Vpupaals ysidorus seyt dat is een hop ende is also van den grieken genoemt daer om dat hi menschen quaet et ende worter steeds mede gheuoedt ende is een vuyl onreyn vogel ende is gehelmpt mit enen kam ende woent gaern in grauen ende so wie dat hem bestreke mit sinen bloede des auonts als hi te bedde ginge dien soude duncken dat hem dye duuels des nachts smoren souden wes hart den toueraers nut is want si plegense al heel te slijnden ende so weten si alle dinc mer daer staen sonderlinghe tiden toe wanneer datment doen sal van desen vogel seggen die philosophen dat wanneer dese vogel out wert dat hi niet sien noch vliegen en mach so trecken hem sijn iongen die vederen wt die niet goet en sijn ende besmeren hem sijn ogen mit zapen van cruden ende bedeckenen onder horen vloegelen ter tijt toe dat hem sijn vederen weder wassen ende als hi dan also vernuwet is so siet hi weder ende vliecht volcomeliken als hi voer dede als ysidorus seyt. Negatief (ETYM 1, 2 en 3) en positief (PHYS).

 

8 De hop op het middenpaneel van de Tuin der Lusten in de moderne Bosch-literatuur

 

Fraenger 1975 (heruitgave van Fraenger 1947)

  • Fraenger herkent een ‘Wiedehopf’ onder de grote vogels in de Tuin, die hij beschouwt als een soort engelen (Mächten) en Levensdragers waarin het mysterie van de scheppingsdrang zich openbaart. Zij verbeelden tevens het Vogelhuwelijk, een volkse voorstelling. Over de hop in het bijzonder wordt niets gezegd. [Zoals men onmiddellijk merkt, slaat Fraengers gedaas nergens op.]

Bax 1948

  • 161 (+ noot 69). Naar aanleiding van een hop in de buurt van een onkuise vrouw in de hel of het vagevuur op een schilderij van een Bosch-imitator (afbeelding in Lafond 1914, bij p. 30) noteert Bax: de hop is een onkuis dier want ‘omstreeks 1500 betekende “hopken” meretrix en Jeroen beeldde de vogel in zijn Tuin af. Bovendien was hij een symbool van de onreinheid’. Noot 69 verwijst naar WNT VI: 1108 voor de betekenis meretrix. Noot 71 verwijst i.v.m. de onreinheid van de hop naar WNT VI: 1108, MNW IV: 658 en Leviticus XI. [Het schilderij van de Bosch-navolger waarop Bax doelt, is het Tondalus-Visioen in Madrid (Lazaro-Galdiano). De vrouw in kwestie is een man, en er zijn wel een uil en een aap te zien, maar het monster daartussen is zeker geen hop…]

Bax 1956

  • 48 (noot 8). De vogels in de Tuin (onder meer de hop) hebben meestal een fallische functie in hun kwaliteit van ‘vogel’.
  • ‘Een hop draagt twee mannen in zijn kuif. Hopken betekende omstreeks 1500 meretrix.’ Noot 15 verwijst naar Bax 1948: 161 (noot 69).
  • De hop symboliseert de onreinheid.
  • De hop komt voor in randversieringen in handschriften. Noot 6 geeft hiervan twee voorbeelden.

Marijnissen 1977

  • 14-16. Marijnissen vestigt de aandacht op een houtsnede in een Neurenbergse druk uit 1491 van Stephanus Fridolins Der Schatzbehalter oder schrein der wahren reichtuemer des heils vndd ewyger seligkeit genant (Neurenberg, A. Koberger, 1491). Op deze houtsnede wordt Christus aangevallen door zes dieren en zeven vogels die allegorisch de slechte eigenschappen van Christus’ vijanden voorstellen (volgens de begeleidende tekst die iudischen bischoffen vnd die andern die yne verfolgten). Zie voor de houtsnede p. 15 (afbeelding 4) en voor een editie van de relevante tekstpassage pp. 51-52 (document 6). Opmerkelijk is dat in de houtsnede een hop zich bevindt onder de dieren en vogels met gunstige betekenis die rond het hoofd van Christus gegroepeerd zijn en dat de vijftiende-eeuwse auteur expliciet signaleert dat dit een vergissing is: der (widhopf) deshalb nit recht ist gemalet, wann er solt vmbgekert sein vndd auch wider den herren fliegen. Verderop in de tekst worden Christus’ vijanden vergeleken met (onder meer) de hop: zij zijn vnrein als die widhopfen. Volgens Marijnissen brengt deze passage ‘een precisering over de negatieve betekenis van de hop’ in de Tuin. Hij verklaart de associatie hop / onreinheid doordat de hop zijn nest in boomholtes vult met menselijke en dierlijke uitwerpselen (vandaar zijn volkse naam: drekhaan).
  • Marijnissen wijst ook op de encyclopedie De proprietatibus rerum van Bartholomeus Anglicus de Glanvilla. Hieruit leren we dat het bloed en de eieren van de hop voor tovenaarspraktijken werden aangewend. Zie voor de betreffende passages, geciteerd naar de Haarlemse druk van 1485 in het Middelnederlands: document 3 (pp. 41-42). Op fol. 127 wordt de hop een vuyl onreyn vogel genoemd die graag in graven woont. Wie zich met zijn bloed bestrijkt, krijgt ’s nachts nachtmerries over duivels. Tovenaars eten zijn hart, so weten si alle dinc. Op fol. 430 vernemen we dat volgens Plinius (boek 30) tovenaars de eieren van de hop gebruiken.

Chailley 1978

  • ‘(…) une huppe flamboyante, derrière laquelle apparaissent deux hommes dos à dos. Celui de face semble effrayé, celui de dos tend les bras dans la posture désormais bien connue du crucifié alchimique. Quiconque cadrerait la scène en ne gardant de l’oiseau que sa huppe croirait voir ine représentation de damnés dans les flammes d l’enfer. Est-ce déjà une prémonition du châtiment qui sera exposé dans le 3e volet?’ [De achterste man doet inderdaad aan een gekruisigde denken qua houding. Zou hier een alchemistische betekenis achter schuilen? Chailley suggereert het, maar waarom legt hij het niet duidelijker uit? Volgens Chailley 1978: 54-55, wordt in de alchemie de bereiding van de Steen der Wijzen vaak beschreven door te verwijzen naar Christus’ Passie. Christus’ Passie zou dan staan voor de zuivering en de ‘passie’ van de Steen der Wijzen in het vuur. Bij Bosch gaat het echter volgens Chailley om een aanklacht tegen de alchemie en daarom schildert hij vaak parodieën op de alchemie die misschien een heiligschennende indruk geven maar door Bosch net bedoeld zijn om de heiligschennis van de alchemie te bekritiseren: ‘L’un des plus fréquents est le thème du faux crucifié, parodie alchimiste de la Crucifixion de Jésus, dont l’initié imite la posture, souvent de manière obscène [volgen dan enkele verwijzingen naar Bosch-details] et qui évoque éloquemment l’assimilation sacrilège revendiquée ci-dessus, en même temps que la “fixation” des métaux’. Dat dit allemaal een rol zou spelen in Bosch’ Tuin, lijkt niet erg waarschijnlijk…]

Marijnissen 1987

  • Marijnissen wijst erop dat de hop bij Ruusbroec (14de eeuw) symbool staat voor de onreine mens die de wereld wil behagen en zichzelf uitdost met schone pluimen (kleren). Hij verwijst ook naar het negatieve beeld dat van de hop wordt opgehangen in een Franse schaapherderskalender van 1493. In Marijnissen 1996: 15, wordt nogmaals naar Ruusbroec verwezen: de hop stond naar verluidt voor de schone schijn van de geestelijke verdorvenheid. De Franse schaapherderskalender werd al geciteerd in Marijnissen e.a. 1972: 87. In Marijnissen/Ruyffelaere 2001: 68, nogmaals verwijzingen naar de Franse schaapherderskalender, naar de passage bij Ruusbroec en naar de passage bij Bartholomeus Anglicanus.

Vandenbroeck 1989

  • Omdat een aantal vogels in de Tuin niet determineerbaar zijn, is Vandenbroeck van mening dat van een individuele betekenis geen sprake kan zijn. Theoretisch zou dat wel gekund hebben, want de individuele vogelsymboliek was rond 1500 reeds uitgebouwd. Zo werden aan een aantal vogels, onder meer aan de hop, verschillende betekenissen toegekend, meestal negatieve. Noot 1050 gaat dieper in op de betekenissen van de hop. Bij Hugo van St. Victor is de hop een symbool van de onreinheid. Hugo van Folieto noemt hem een ‘avis spurcissima’ die houdt van graven en van drek en een symbool is van de zondige mens. Ook Bartholomeus de Glanvilla vernoemt deze bijzonderheden en vermeldt het gebruik van de hop voor magische doeleinden (vergelijk Marijnissen 1977). De hop was een zinnebeeld van de vuilheid en van de vleselijke liefde. Vandenbroeck verwijst naar Bax (hopken = lichtekooi rond 1500) en naar de Schaapherderskalender van 1493 (vergelijk Marijnissen e.a. 1972 en Marijnissen 1987).

Fritsche 1996

  • Over de Wiederhopf [sic]: ‘Der lange, leicht gekrümmte Schnabel ist so auf den Specht-Reiter gerichtet (…) als wäre er dessen Penis: Geist bringt hier also Körperliches hervor. Man sagt dem Wiedehopf nach, dass er stinke – was auf seine Jungen in der Nesthöhle auch zutrifft’. [De interpretatie (geestelijk-lichamelijk) slaat – net als Fritsche’s totaalduiding van de Tuin – nergens op. De observatie van de penis-snavel is wellicht wel relevant.]

Van Schoute/Verboomen 2001

  • ‘Les oiseaux géants sont reconaissables. Les Bestiaires accordaient un sens à certains d’entre eux. Souvent cependant, on l’a vu, les animaux avaient un côté positif et un autre négatif. Ainsi, la huppe avait mauvaise réputation puisque “la huppe représente les hommes souillés par le péché et qui tirent un grand plaisir de sa crasse”, comme le disait Raban Maur. On disait aussi “que la huppe se plaît dans le chagrin, parce que assurément l’affliction provoque la mort de l’esprit: celui qui aime Dieu doit donc toujours se réjouir…”, mais elle était aussi donnée en exemple car elle honorait ses parents et les soignait dans leur vieillesse.’

 

9 De hop in moderne werken over iconografie en symboliek

 

Klingender 1971

  • Procne, haar zuster Philomela en haar man Tereus (koning van Thracië): in de Oudheid geloofde men dat ze veranderd waren in een zwaluw, een nachtegaal en een hop.
  • Vermelding van de hop in de Tuin.

Friedmann 1980

  • 224-225. Vijf maal een hop (één maal onzeker) in afbeeldingen van de H. Hiëronymus (Cranach, Cornelius Cort, Diana, Marco Meloni, Bartolomeo Montagna).
  • 225-226. De hop heeft een pejoratieve én een positieve traditie. Positief (225-226): symbool van ouderliefde en dankbaarheid. Zou teruggaan op Egyptische bronnen (volgens Aelianus) en komt door de verwarring hop/ooievaar voor in zestiende-eeuwse vertalingen van onder meer de Hieroglyphica van Horapollo. Deze positieve duiding bij Physiologus, Aelianus, Albertus Magnus, Leonardo da Vinci. Pejoratief (225): zeer vuile vogel, nestelend in vuil, menselijke drek en graven (waar hij zich ophoudt met demonen). Bij Isidorus, Hieronymus, Guillaume le Clerc. Deze traditie gaat terug tot Aristoteles, Aelianus, Plinius. Ook in een twaalfde-eeuws, Latijns bestiarium (zie de editie van T.H. White).

Heinz-Mohr 1983

  • Hop = negatief. Duivelssymbool. In Karolingische miniatuur wenden twee hoppen zich af van de Levensbron.

Lurker 1988

  • In Oudheid als amulet: bescherming tegen ‘nächtlichem Ausplaudern’. Plinius en Aelianus: hij bevuilt zijn nest. In Oud Testament bij de onreine dieren (Lev. 11, 19). In de Middeleeuwen gedemoniseerd, als gezelschap van heksen en duivels = wegens zijn kuif en stank. In beelden van oude meesters wendt de vogel zich af van het heilsgebeuren, bijvoorbeeld bij Jörg Ratgeb in diens Herrenberger Altar. Ook positief: als liefdesbode bij Arabische dichters, als voorbeeld van kinderliefde in Physiologus, als beeld van deugdzaam leven op weg naar het heil in de zogenaamde ‘Palmboomtraktaten’ in de Middeleeuwen.

 

Verdere lectuur over de hop

 

  • Warren R. Dawson, “The lore of the hoopoo”, in: The Bridle of Pegasus – Studies in magic, mythology and folklore. Methuen and Co, Londen, 1930, pp. 126-142 [niet geraadpleegd].
  • John Gotthold Kunstmann, The Hoopoo – A Study in European Folklore. Chicago, 1938 [niet geraadpleegd].
  • Hans Muench, Der Wiedehopf. Die Neue Brehm-Bücherei, Akademische Verlagsgesellschaft Geest und Portig, Leipzig, 1952 [biologisch, niet geraadpleegd].

 

[explicit 20 januari 2020]

 

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram