Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90

IJS (bevriezen, schaatsen)

 

Vergelijk over de negatieve connotaties (de hel, de zondige wereld) van het semantisch veld ‘ijs’ (kou, bevriezing) onder meer Herman Pleij, De sneeuwpoppen van 1511 – Literatuur en stadscultuur tussen middeleeuwen en moderne tijd, Amsterdam-Leuven, 1988, pp. 63-73.

 

1a Ijs // onbetrouwbaarheid (algemeen)

 

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 340 (verzen 14-16). Vroede rederijkersballade. Over omkoopbare rechters: Daer toe behoort des volcx punitie / Vergheuen sy midts compositie / Die trecht maeckt broosschere dan verrot ys.

Doctrinael des tijts ed. 1946 (1486)

  • 203 (hoofdstuk L). Moraliserend prozatraktaat. Desgelijcx te consenteren ende prysen haer segghen ende ontseggen, suldi in gracie comen, begripende dese ander dullaerts, die niet simuleren en willen; die al haer fondement fonderen opt ijs.

Spiegel der Minnen ed. 1913 (XVIa)

  • 51 (verzen 1450-1451). Rederijkersspel. De neef van Katherina waarschuwt haar voor bedrieglijke liefdesblikken: Want die tbetuyghen der ooghen acht / Die timmert op het ijs van eender nacht.

Bijns ed. 1875 (1528)

  • 49 (Boek I, refrein 14, strofe k, vers 13). Vroed rederijkersrefrein. Bijns waarschuwt tegen de lutheraanse ketters: Siet toe en timmert op geen bevende ijs. Hetzelfde in Bijns ed. 1902: 227 (nr. III, strofe 10, vers 13): Siet toe en timmert op gheen brekende ys.

Thienen: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 351 (vers 173). Rederijkersspel. ‘Ydel Voortstel’ raadt ‘Staervende Mensche’ af om op Gods genade te vertrouwen. ‘Staervende Mensche’ antwoordt echter: Zo zoudic temmeren op een cranc ijs.

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 200 (nr. 172, strofe 5, verzen 6-10). Amoureus lied, liefdesklacht. De ‘ik’ zegt: Oock bedroghen sal ick zijn / Ghelijck Salomon seer wijs / Ende ooc Absalon seer fijn / Wel schoone rosemarijn / Stae ick op een craeckende ijs.
  • 238 (nr. 202, strofe 5, verzen 6-10). Idem, hetzelfde lied: Oock bedroghen sal ick zijn, / Ghelijck Salomon seer wijs / Ende oock Absolon seer fijn / Wel schoone roosemarijn / Staen ick op een crakende ijs.

Bijns ed. 1875 (1548)

  • 157 (Boek II, refrein 17, strofe a, vers 1). Vroed rederijkersrefrein, waarschuwing tegen de lutheraanse ketters: Eest wonder dat de werelt op schaetsen springt?

Bijns ed. 1902 (circa 1550)

  • 282-283 (nr. XXII). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Waarschuwing tegen de gevaren van de liefde. Verzen 14-16 van de eerste strofe luiden bijvoorbeeld: Maer broosche minne, in deertsche dal, / Heeft menich herte, subtyl ende wys, / Doen timmeren op een bevende ys. Het laatste vers is de stokregel.

Gemeene Duytsche Spreckwoorden ed. 1959 (1550)

  • 6 (regels 23-24). Spreekwoordenverzameling. Opt ijs is niet guet gaen want het en heft ghien balckens. / Gewiss gaet voor ongewiss.

Catechismus der minne ed. 1989 (1564)

  • 24 (verzen 201-203). Een ‘minnecatechismus’ of koningsspel. Een ridder over het feit dat een minnaar zijn geliefde niet graag over een andere minnaar hoort praten: Ick en soecke niet sulcke slidderbanen. / Niemant en hoort gheern, tsijn doude treken, / Sijn lief van ander, vreemde minne spreken. Glijbanen = onzekerheid in liefdeszaken.
  • 34 (verzen 491-494). De jonkvrouw zegt: Dit en is anders niet (goet heere), alsoo my dinct, / Dan tgheveyst ghelaet dat wonder can maken. / Dit ghelijct een ijs vander nacht dat schoone blinct, / Nochtans en machmen niet te vast op staken. Geveinsde blikken van een geliefde worden vergeleken met ijs van één nacht.

Braekman ed. 1976/77 (XVIB)

  • 68 (verzen 3-6). Rijmspreuk. Ende die temmert vp een hys, / Hy mach dies wel wezen wys: / Pyne ende aerbeyt zal hy verliesen, / Want ten zal altyts niet vriesen.

Jongen geheeten Jacke ed. 1905 (XVId)

  • B35-36. Gedrukt volksverhaal. Dit merckende die cluysenaer met goede advijse / Dacht dat hy daer was ghebracht op den ijse / Ende en sach ter werelt gheenen beteren raet / Dan te vertrecken sijnder cluysen waert. De uitdrukking ‘op het ijs gebracht zijn’ betekent hier: zich in een uitzichtloze, moeilijk te controleren situatie bevinden.

Broeckaert ed. 1893 (XVIB-XVIIa)

  • 50 (refrein III, strofe b, vers 7). Amoureus rederijkersrefrein. Een nogal ‘afhoudende’ brief van een meisje aan een kandidaat-vrijer: Jongers worden [woorden] een ijs van eender nacht is. Het gaat dus over de onbetrouwbaarheid van vrijers, loze liefdesbeloften.

 

1b Iemand op het ijs leiden = iemand bedriegen

 

Cristenkercke ed. 1921 (na 1540)

  • 2 (verzen 46-47). Rederijkersspel. In de proloog zegt een ‘doctoor’ tot een leergierige burger in verband met de ketters: ouerlegt nv wat nv dees vleeschelijcke wercken / vette questien voort setten, tvolck leydende vpt ijs.
  • 61 (vers 1394). Een sinneke tot een ridder die op het punt staat de maagd ‘Geloof’ te verleiden: en leijtse ten ijse.

Maestricht ed. 1980 (1555)

  • 207 (regels 219-222). Astrologische voorspelling voor het jaar 1555 (proza). Over de bewoners van het land van Luik: Alleenlijck moeten si voor hen sien dat si nyet gecircumvenieert, bedroghen, noch aenghelockt en worden duer subtijlicheyt, loosheyt ende vernuft van sommige listige gheesten, die in alle manieren soecken om haer op ’t ijs te leyden ende tot haer te trecken.

Abrahams offerhande ed. 1992 (XVIB)

  • 63r (verzen 1393-1394). Rederijkersspel. De sinnekes hebben gefaald en zijn wanhopig: En ick ben desperaet (…) / Mach men ons aldus opt tijs Leijen.

Minckijsers ed. 1992 (XVIB)

  • 107v (verzen 137-141). Rederijkersspel. (…) dat huijdensdaech veel menschen bij hem selven wijs / hem so blindelijcken laeten Leijen opt ijs / van opijnieus vernuft verdoemelijck pladt / en drincken hem inder schriftueren misbruijck so sadt / dat sij niet eenen voet en connen voorts gestellen. Vele mensen laten zich dus bedriegen door de ketters (= hier: de katholieken).

Wie haer op troost verlaeten ed. 1992 (XVIB)

  • 132r (vers 991). Rederijkersspel. De duivelse hoer ‘Werrelt’ scheldend: vervloeckt sijn de geen die u dus opt ijs Leijt.

 

1c Ijs // onbetrouwbaarheid van de aardse ijdelheden (stichtelijk)

 

Dietsche doctrinale ed. 1998 (1345)

  • Boek III (verzen 6010-6017). Stichtelijk rijmtraktaat. Die wise duchtet nacht ende dach / Dat hi iet mestorden mach / Ende es op sine hoede in dere wijs / Ocht hi ghinc op een cranc ijs / Want deze werelt sijds ghewes / Es een ijs dat cranc es / Wanter nieman in en leeft / Die seker enen morghen heeft.

Hildegaersberch ed. 1981 (circa 1400)

  • 47 (nr. 21, verzen 209-216). Stichtelijke rijmtekst. Want alle materien, die wy spellen, / Der aerdscher dinghen machmen tellen / Verganckelijc ghelijc den yse, / Dat voer der sonnen in gheenre wise / En can gheduren, ten versmelt, / Dus is alle dinc ghestelt, / Watter werlt toe behoert, / Verganclijck altoes voert!
  • 129 (nr. 66, verzen 146-147). Stichtelijke rijmtekst. Die werlt is brosscher dan een ijs, / Dat weder smelt in corter uren.
  • 129 (nr. 66, verzen 196-198). Idem. Al maectmen op eerde vasten toern, / Twaert onlanghe, alsmen mach horen, / Als een ijs dat winters vriest.

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 302 (verzen 17-19). Vroed rederijkersrefrein. Zondigheid wordt later afgestraft: Dese aerdtsche blijschap die ons moeyt / Is rechts als Ys oft sneeu die smelt / Een cort gheduer dat langhe vermoeyt.

Wonder van claren ijse en snee ed. 1946 (1511)

  • 35 (verzen 349-360). Strofisch rederijkersgedicht. Beminde vrienden, als de doot compt, / Moet al smelten, vergaen als asschen; / Ten hulpt ghedanst, ghespeelt, ghemompt, / Wijsheyt, rijcheyt noch stercke hernasschen; / Alle ijs ende snee worden groote plasschen, / De doye bringhet al te quiste; / Hoe wijt wringhen, wriuen, wasschen, / De doot smelt ons met eenen miste. / Hoe stercken ijs datmen noyt vant, / Het moet smelten ende water werden. / So worden wi asschen doer de doot met liste, / Hoe sterck, hoe stijf, dat wi hier terden.

Bijns ed. 1902 (circa 1550)

  • 243 (nr. IX, strofe 1, verzen 1-3). Vroed rederijkersrefrein. Al eest dat alle de weerelt op scaetsen gaet, / Soe elck wel sien mach, vol vreemde abuysen, / Ic hoopt anders in gheestelycke plaetsen staet.
  • 305 (nr. XXIX, strofe C, verzen 1-4). Vroed rederijkersrefrein. Tmoet al betaelt zyn, u rekeninghe maect; / Maect, tonghe, dat tveninich stralen gheboet es, / Gheboet es, volgt Agathon, eert yseken craect; / Craect ys, quaet ys, seet hy die vroet es.

Menich Bedruct Hart aen een droege chijsterne verleijt ed. 1994 (1577)

  • 135r (verzen 134-136). Rederijkersspel. ‘Goet Gevoelen van Goodts Goetheijt’ zegt: Est niet te beclaegen dat soo veel mannen en vrouwen / nu Dagelicxs bouwen, Dus onpropijs, / op een Idele waen, broscher Dan ijs.

Minckijsers ed. 1992 (XVIB)

  • 108v (vers 218). Rederijkersspel. De dronkaard ‘Bij U Selven Wijs’ (die het ketterse, hier: katholieke, geloof aanhangt) wordt bekeerd. Zijn kan (genaamd ‘Opinieus Vernuft’) valt aan stukken: het is hier te staen veel gladder dan een ijs. Hier dus: ijs // bedrieglijkheid van de ketters (katholieken).
  • 114v (verzen 864-866 / 876-882). ‘Goet Ingeven’ spreekt verwijtend tot het volk: en woonende sijt twelck ghij seer Luttel acht / in sonder achterdincken, opt ijs van eender nacht / nimmermeer madt noch van sondigen moe / (…) Gelijck het ijs van eender nacht gevroosen / seer weeck is nader natueren ganck / so is oock u Leeven seer brooss en cranck / want ghij moet sterven, dits openbaer / en ghij en weet hoe wanneer noch waer / aldus ick [lees: is] breeckelijck u Logijs als dijs / van eender nacht.

 

1d Op schaatsen gaan // onbetrouwbaarheid van de aardse ijdelheden (stichtelijk)

 

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 25 (refrein 9, verzen 1 / 7-8). Vroed rederijkersrefrein. Die werlt verkeert nu valscheyt regneert nu / (…) Die een dander haet die werlt dus gaet / op scaetsen maet tis al discoort nu.

Bijns ed. 1875 (1528)

  • 45 (Boek I, refrein 14, strofe a, verzen 3-4). Vroed rederijkersrefrein. So dunct mij dat de weerelt op scaetsen gaet / Verkeert, seer wonderlijc, vol confusen. Hetzelfde in Bijns ed. 1902: 222 (nr. III, strofe 1, verzen 3-4): Zoe dunct my dat de weerelt op scaetsen gaet, / Verkeert, zeer wonderlyc, vol confuysen.

Trauwe ed. 1899 (vóór 1595)

  • 160 (vers 606). Rederijkersspel. Een sinneke over de wereld: Noch gaet hy op schaetsen.

 

2 Ijs // zondigheid, de vergankelijke en zondige mens

 

Leven ons heren ihesu cristi ed. 1980 (1409)

  • 165 (hoofdstuk 29). Jezusleven (proza). De auteur tot Jezus, naar aanleiding van Petrus die na het drievoudig verraad van Jezus zijn schuld beseft: Och hoe schier maken dine oghen heet die bevrorenheit des herten ende kieren dat ijs in water der innicheit ende der bitterheit.

Wonder van claren ijse en snee ed. 1946 (1511)

  • 37 (verzen 397-398). Strofisch rederijkersgedicht. God gheue dat wi so doyen moeten, / Smelten ende te nieute doen ons sonden.

Uure vander Doot ed. 1944 (circa 1516)

  • 112 (vers 1021). Strofisch rederijkersgedicht. De ‘ik’ klaagt over zijn zorgeloze en zondige verleden, in het aanschijn van de dood: Hi es sodt die temmert op een broosch ijs.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 8 (refrein 141, vers 37). Vroed rederijkersrefrein, lof op Maria. Lof sonne die thys van sonden doeyt.
  • 99 (refrein 181, verzen 38-41). Vroed rederijkersrefrein. Ic heb noch ter tijt mijn fundament gestelt / Opten gront van enen beuenden ijse / dat mitten wint waer saen gheuelt / Alst wel schijnt in mijn bewijse.

Spel van de V vroede ende van de V dwaeze Maegden ed. 1979 (XVIa?)

  • 142 (verzen 607-610). Mysteriespel. De berouwvolle dwaze maagd ‘Tijtverlies’ zegt: Ic hebbe verloren deighen leven mijn / Ghelijck het water loopt in den Rijn, / Ende ben vergaen ghelicker wijs / Dat de zonne doet smelten het ijs.

Pas der Doot ed. 1936 (1528)

  • 87 (vers 234). Strofisch rederijkersgedicht. ‘Antike’ (Oudheid) zegt: Overdenckt dat ghi menschen sijt broesscher dan ijs.

Bijns ed. 1875 (1528)

  • 6 (Boek I, refrein 2, strofe e, verzen 9-11). Vroed rederijkersrefrein, lof op Maria: Noyt mensch so vervrosen int sondich ijs, / Die troost aen u sochte, hoe out, hoe grijs, / Hij creech ghenade.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 344 (refrein 94, strofe c, vers 6). Vroed rederijkersrefrein, lof op Christus. Over de duivel: Hij belet Gods wet, zijn net hij opt ijs leydt. Hetzelfde in De Bruyne III ed. 1881: 194 (nr. 134, strofe 3, vers 6): hy belet Godts wet synde net hy opt ys leyt.

Ghenaede Goodts ed. 1996 (vóór 1598)

  • 166v (vers 366). Rederijkersspel. ‘Des Gheests Inspiratie’ tot ‘Inwendigen Mensch’: verlusticht niet op haer paden die int quaet sijn bevroosen.

Cranckheijt des Vleijsch ed. 1992 (XVIB)

  • 98v (verzen 1083-1085). Rederijkersspel. ‘Cranckheijt des Vleijsch’ zegt tot zijn ‘helpers’: ghij hebt mij daer getroost met schriftuers bewijs / waer deur mijn harte dat so cout was als ijs / geheel is verwarmpt.

 

3 Ijs = onderdeel van de hel

 

Maerlant: Strophische Gedichten ed. 1918 (XIIIB)

  • 109 (verzen 596-598). Een disputacie van Onser Vrouwen ende van den Heilighen Cruce. Tot Christus: Ons versmoort anders thelsche ijs, / Ghine helpt ons ontladen / Van onsen mesdaden.

Dietsche Lucidarius ed. 1998 (1400-1420)

  • Verzen 5165-5175. Stichtelijk rijmtraktaat. Over het diepste van de hel, waar Lucifer zit: Clerc, ic segge dat men seget / Dat ’t uterste vier van der hellen pleget / Lichter te bernen sonder waen / Dan stro, dat in den oven es bevaen; / Ende t’selker stede, des sijt wijs, / Soe is’t couder dan enich ijs. / Die sielen die in deser pinen staen, / Die moeten eweliken gaen / Van den vier mit groter coude; / Dus dogen si pine menichfoude, / Ende van der couden de hitte.

Boec vander Voirsienicheit Godes ed. 1930 (circa 1410-20)

  • 110 (regels 12-14). Stichtelijk prozatraktaat. Over de hel: Daer is onuerdrachlike coude. ende beuynghe in allen leden. Daer is ys. ende water sonder gront. Daer is reghen. haghel. snee. ende alle onweer.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 249 (nr. 121, verzen 131-132). Vroed rederijkersrefrein, lof op Christus. Over Christus: Verlossinghe wt den verlorenen yse / die dooden een ewich leuen ghebuerende.

Becooringe des Duvels ed. 1996 (XVI)

  • 36r (vers 22). Rederijkersspel. Twee neefkens ruziën. ‘Ewige Haet’ zegt: Datmen u moet ondert ijs smoren in Lucifers viveren.

 

4 Ijs in een positieve stichtelijke context

 

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 193 (nr. 98, vers 57). Amoureus rederijkersrefrein. Het goede huwelijk is een paradijs. In verband met kuisheid in het huwelijk (i.t.t. onreine lust): want reynicheyt blinct voer gode claer als ys.

 

5 Ijs // emoties die verkillen

 

Levene Ons Heren ed. 2001 (1438)

  • 128 (vers 2151). Berijmd Jezusleven. Bij de arrestatie van Jezus mishandelen de Joden hem: sijn herte wert couder dan I ijs.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 134 (refrein 37, strofe c, verzen 16-17). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht van een vrouw: Mijn hertken werdt mij coudt, gelijck den ijse, / Wildij dat bandeken van trouwen schueren.

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 103 (nr. 52, vers 35). Amoureus rederijkersrefrein. Over ontrouwe minnaars die brassen dat liefde vercout als ijs.

 

6 Ijs // erotiek

 

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 188 (nr. 96, vers 29). Amoureus rederijkersrefrein. Het goede huwelijk is een paradijs. Als de coïtus wordt beschreven, zweten de geliefden: mer swetende als een doijende ys.

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 255-256 (nr. 144). Zot-erotisch rederijkersrefrein dat de coïtus tussen een man en een overzadigbare vrouw beschrijft in schaatstermen. Door het ijs zakken en in een wak vallen wordt vergeleken met de penetratie. Zie vooral de verzen 30-39 (p. 256): En stierde mi soot haer lust becuerde, / Opwart ende nederwart, so dat ijs scuerde / Van rutsene, en segs in gheenen roeme. / Recht als een visscher lach ick en puerde / Met haer totten nauel in die loeme [bijt in het ijs]. / Ist nv wel ghereden, sprac ic, schoon blome. / Seer cloec, sprac si, ic en geuoele geen quelens. / Ic liet, tgewaet [ondiep water, wad] lach nat ronts omme; / Doen seyse: versaecht puyt ic v nomme, / Hebdi gedaen nv, mi lust eerst spelens.

 

7 Restmateriaal

 

Wonderlijcke Oorloghen van Keyser Maximiliaen ed. 1957 (circa 1531)

  • Postincunabel. Maria van Bourgondië gaat met haar gevolg schaatsen in Brugge. Jonkheren duwen de kamermeisjes voort: daer veel om ghelachen was, ende dat om die camerieren wille die die ionckers voort stierden, ende altemet vielen dat si tuymelden opt ijs, daer vrou Marie self om loech, die ooc ghinc rijden met scheuerdijnen, ende diese verwaerden reden op scricschoenen. ‘Schaverdijnen’ en ‘schrikschoenen’ zijn woorden voor ‘schaatsen’ [zie MNHW 1981: 514 / 528].

Dove bitster ed. 1997 (XVI)

  • 59v (vers 160). Rederijkersklucht. ‘Faes Blincktant’ is blij: hij denkt dat hij met een knap meidje naar bed zal gaan: mijn hartgen quackelt al ginckt op schaetsen.

 

[explicit 15 juli 2020]

 

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram