Jheronimus Bosch Art Center

KAMEEL (dromedaris)

 

In de Middeleeuwen werd de dromedaris (camelus dromedarius) beschouwd als een soort kameel (camelus bactrianus), net zoals de rat een soort muis was. Janetta Rebold Benton, The Medieval Menagerie – Animals in the Art of the Middle Ages, New York-Londen-Parijs, 1992, p. 81: ‘Although the bestiaries explain that other animals, the Bactrians, are stronger and have only one hump, the Arabian camels are more numerous and have two.’

 

Bestiary ed. 1993 (1220-50)

  • 101 (zonder verdere nummering). Latijns bestiarium. The dromedary is a kind of camel, but smaller in stature and swifter: hence his name, because the Greeks call swiftness and running ‘dromos’. It can cover a hundred miles or more in one day.
  • 94 (zonder verdere nummering). Bactria produces strong camels, but Arabia produces the greatest quantity. They differ in that the Arabian camels have a double hump and the Bactrian camels only one.

Buch der Natur ed. 1897 (circa 1349-50)

  • 110 (boek IIIa, cap. 23). Natuurkundig prozatraktaat (Duits). ‘Vom Dromedar’. In Duitse hertaling: Dromedarius ist ein Thier von der Art und Natur des Kameles. So spricht Rabanus. Aber es ist kleiner und viel schneller wie ein Kamel. Desshakb heisst es griechisch Dromedarius, das heisst auf deutsch ein Läufer, denn es läuft in einem Tage mehr wie hundert Meilen.

 

1 Kameel = invectief voor misprezen man

 

Tielebuijs ed. 1934 (1541)

  • 40 (vers 250). Rederijkersklucht. De meid van de vroedvrouw over Tielebuijs: Wat botter kemele.

Voorleden Tijt ed. 1932 (XVI?)

  • 36 (vers 519). Rederijkersspel. dOude Trouwe scheldend over Elck Een: Eij, Elck Een, onaerdich kemel.

 

2 Kameel = zondige persoon (bulten = zonden)

 

Sancti Hieronymi Epistulae ed. 1991 (403)

  • 344-345 (Brief CVII, paragraaf 3). Latijnse brief. Over Johannes de Doper: Hic fugit urbes, zona pellicia cingitur, locustis alitur et melle silvestri et in typum paenitentiae praedicat tortuosissimi animali vestitus exuviis (the other avoided cities, wore a skin girdle, and fed on locusts and wild honey, clothing himself in the hair of the most twisted of all animals as a symbol of the repentance which he preached. Het ‘tortuosissimum animal’ is natuurlijk de kameel met zijn twee bulten.

Der Naturen Bloeme I ed. 1980 (circa 1270)

  • 43-44 (Boek II, verzen 565-574). Natuurkundig rijmtraktaat. Over de ‘cameel’: Jacob seght, alsmense sal laden, / Clopmen an sine knien bi staden, / Ende knielende ontfaet hi dan / Den last, dien hi draghen can. / Aldus soutstu ontfaen, sondare, / Du best onschone ende ommare, / Ghebuult ende onschone van zonden: / Oetmoedelike ontfaet tallen stonden / Die penitencie van dinen daden, / Dat es die last dien du moets draghen.

Die pelgrimage vander menscheliker creaturen ed. 2005 (1463)

  • 403 (Boek III, regels 5-19). Stichtelijk-allegorisch prozatraktaat. Ghiericheit spreekt: Seker vrient, soe segghic dij dan dat mijn mont es die ghene bij den welken dat vele lieden hebben grote bulten, de welke waren sculdich suver ende slecht te sijne ende gherechtich ghelijc der regulen. Maer mijn mont es een dinc superfluerende ende overvloyende, ende hij maect alle dinc oneffene ende gebult ende soe impedieert ende becommert al dat recht es ende dat wel toe poente steet. Du best sculdich oec te wetene, dat sij es die ghene die compareren doet den riken menschen jeghen den kemel, de welke ghebult es ende boven maten hooghe, de welke niet lijden en mach doer eender naeldien oge overmits sijnen groten bulte. Ende hier inne soe es te verstane: als de mensche nuwe es geboren, ter werelt comende doer een cleyne poorte van sijnre moeder scheedende, moeste hij al de werelt dore keeren. Als hem bulten ghemaect waren jegen Gode ende jeghen Nature, soe ware hem onghereet te lijdene, ten ware dat de poorte ghewijdt [verbreed] ware. Oft anders en soude hij daer dore niet mogen comen, of hij en dade sijne bulten af ende bescroeden [besnoeide] hem smal ende cleyne.

De Bruyne III ed. 1881 (1579-83)

  • 90 (nr. 109, strofe 2, verzen 1-4). Vroed rederijkersrefrein. Wee haerlieden die daer gaen vergult, bepeirelt, / opgeblasen met kemels bulten groot; / tis wel eenen schoonen schyn voer de blinde weirelt / maer, eylacen, sy syn allevende doot.

 

3 Kameel = duivel

 

Christoffel Wagenaer ed. 1913 (1597)

  • Gedrukt volksboek. Also heeft hem den Duyvel vier Vren so schandelijck gefexeert ende gequelt. Doen worde hy gewaer, wt den Roock quam een Kemeel voor hem, die sprack tot hem: Wat wilt ghy van my hebben? Hy antwoorde: Ick begeere, dat ghy my sult verschijnen in de ghedaente van eenen Aep, gelijck als ghy my ende mijnen Heere belooft hebt. Doen veranderde hem den Geest terstont in eenen Ape, maer hy hadde vier Hoofden, dat en behaechde Wagenaer niet.

 

4 Kameel = voorbeeld voor de (zondige) mens

 

Der Naturen Bloeme I ed. 1980 (circa 1270)

  • 44-45 (Boek II, verzen 594-600). Natuurkundig rijmtraktaat. Over de ‘cameel’: Men seghet dat die kemele pleghen, / Stater enich in den stal / Siec onder dander al, / Ende niet en eet, dat dandre mede / Vasten dor die ontfaermichede. / Ende du mensche, dune achtes niet / Al hevet dijn evenkerstin verdriet.
  • 45 (Boek II, verzen 610-616). Die kemel draghet, men weet wel, / XII maenden ende si noten / Gaende met langhe stoten, / Ende danne sijn si in hemelichede. / Scaemdi, mensche, van dinen seden, / Alstu souds soeken dijn ghenoet, / Dattu di laets sien al bloet.

 

5 De kameel en het oog van de naald

 

Zie Mattheus 19, 23-24: ‘Nu sprak Jesus tot zijn leerlingen: Voorwaar, Ik zeg u: het is voor een rijke moeilijk, het rijk der hemelen binnen te gaan. En nog eens zeg Ik u: Een kameel gaat makkelijker door het oog van een naald dan een rijke in het koninkrijk der hemelen’ (Petrus Canisius-vertaling).

 

Der Leken Spieghel I ed. 1844 (1325-30)

  • 110 (Boek I, hoofdstuk 28, verzen 35-40). Didactisch rijmtraktaat. Over de gierigheid: Ons seghet een heylich man: / Also een kemel niet comen en can / door eenre naelden gat, / also en mach, verstaet wel dat, / die vrecke man rike / niet comen in hemelrike.

Hildegaersberch ed. 1981 (circa 1400)

  • 227 (nr. 106, verzen 63-69). Lang gedicht, ‘Van karitas’: Want sonder minne in aertrijc / worden wy Gode soe onghelijc, / als ons die meesters doen ghewaghen, / men soude een kemel lichter jaghen / doer een naelde sonder sneven / dan hem ten eweliken leven / die Gode in minnen niet en dient.

Boeck vander Voirsienicheit Godes ed. 1930 (circa 1410-20)

  • 142 (regels 9-13). Stichtelijk prozatraktaat. Onse lieue here seit oec een gruwelic woert dattet mogehlicer is enen camele doer eenre naelden oghe te gaen dan enen rijcken mensche, die dat aertsche goet mint, ten ewighen leuen te comen.

Crul ed. 1954 (XVIA)

  • 94 (verzen 116-118). Rederijkerslyriek. Soe qualic mach trijcke Gods zijn beclijvende / den rijcken deser werelt, zoe Cristus verhaelde, / als een kemel sou gaen deur dooghe van der naelde.

Rijckeman ed. 1941 (1550)

  • 178 (verzen 185-193). Rederijkersspel. [Schriftuurlijk Bewijs:] Men zou eer een kameel grof dringen / door eens naalden oog, als een rijke man ten hemele. / [Broederlijke Liefde:] Al schijnt ’t voor ’t volk ondoenlijk van den kemele, / ’t es licht bij Gode, wiens kracht wonder kan werken. / Dit mocht men an Abraham, Izak, Jacob merken, / aan Josep, Josaphat, Job, ook Ezechias / en Zacheus, daar mijn Vader zo gaarn bij was. / Dees waren alle rijk ende Godes vrienden, / dien zij met Milde Aalmis, mijn dochter, dienden.

Const van Rhetoriken ed. 1986 (1555)

  • 234 (verzen 9-11). Rederijkersgedicht, een ‘parabole’: Tsghelijcks zonder dueght en sal niement coomen / ten hemel binnen, hoe wijs, hoe habele, / exemple an de naelde ende an den cabele [lees: camele].

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 139 (fol. 231r, verzen 10-14). Vroed rederijkersrefrein. Christus sprack tzynen disciplen in deerdsche stede / voorwaer seghick hu lichtelicker eist zaen / dat een cabel [sic] duer een naelden ooghe tghaen dede / dan een rycke zou int rycke der hemelen ghaen / want de rycke meest qualick zonder zonde staen.

Gebooren Blinde ed. 1994 (1579)

  • 53v (verzen 365-368). Rederijkersspel. De apostel Johannes tot Jezus: Wie machher dan salich werden, ghij hebt wel verhaelt / dat een cameel veel lichter voor die hant / sow gaen off passeeren doer tooch van een naelt / dan een rijck man sow coomen int hemelsche pant.

De Bruyne I ed. 1879 (1579-83)

  • 87 (nr. 20, strofe 1, verzen 10-12). Vroed rederijkersrefrein. Noch vindy beschreven, op ander plecken: / men sou eer een kemel duer een naelde trecken, / eer de rycke inden hemel soude swermen.

Sommich Mensch en het huijs van Nering ed. 1993 (XVIB)

  • 16r (verzen 1535-1538). Rederijkersspel. Goet Onderwijs zegt: Daerom matheus int negenthiende ock bint / dat het so onmogelick is een rijck mensch te comen / int rijck der hemelen so daer staet geprint / als een kemeel doort ooch van een naelt dus moecht ghij wel schromen.

 

6 Kameel = Christus

 

Bestiary ed. 1993 (1220-50)

  • 96 (zonder verdere nummering). Latijns bestiarium. The camel signifies the humility of Christ, who bears all our sins, or the Gentiles converted to the Christian faith. In the Gospel it says: ‘It is easier for a camel to go through the eye of a needle, than for a rich man to enter the Kingdom of God, meaning that it is easier for Christ to suffer for those who are enamoured of this world than for such men to be converted to Christ. He was willing to assume the part of a camel, in taking on Himself the burdens of our weakness which he did out of humility. This is the meaning of the verse: ‘The greater thou art, the more humble thyself’ [Ecclesiasticus 3, 18]. The needle reminds us of pricks, the pricks of pain He underwent in His passion. The eye of the needle is the straitness of Our Lord’s passion, by which He in some measure rent the clothing of our nature, that is, He deemed it worthy to be put on, so that after the fall we should be remade in better fashion.

 

7 Kameel // seks, onkuisheid

 

Rebold Benton 1992: 82, noteert: ‘But because of the animal’s “sexual appetite”, he is also a symbol of lust.’

 

Bestiary ed. 1993 (1220-50)

  • 95 (zonder verdere nummering)/ Latijns bestiarium. Over de kameel: they go mad when it is time to mate.

Der Naturen Bloeme I ed. 1980 (circa 1270)

  • 44 (Boek II, verzen 575-578). Natuurkundig rijmtraktaat. Over de ‘cameel’: Plinius seghet, alst coemt in tiden, / Dat si willen noten ende riden, / Danne sijn si verwoet ende wreet, / Ende hebben alle paerde leet.

Buch der Natur ed. 1897 (circa 1349-50)

  • 102 (Boek IIIa, cap. 8). Natuurkundig prozatraktaat (Duits). ‘Vom Kamel’. In Duitse hertaling: Zur Brunstzeit, wenn es sich begatten will, sucht es einen verborgenen Platz auf, damit die Leute es nicht sehen. Es begattet sich von hinten und das Weibchen ist so brünstig, dass es vor Wollust knurrt.

 

8 Kameel // gematigdheid in sexualibus

 

Blome der doechden ed. 1904 (1415-28)

  • 45 (hoofdstuk 13). Stichtelijk prozatrakaat. In het hoofdstuk over ‘temperancia’ (gematigdheid): Men mach die ghetempertheit bij den kemel ghelijken die van groten wederstant is daer vele oncuyscher minschen exempel aen nemen moeghen dat toch een domme beeste is want die kemel hoe wel hij die luxurioeste beeste is die men vint ende gaet bij wijlen wel hondert milen verre na een kemelinne van groeter ende heiter luste. So is hij nochtan alsoe ghematich ende wederstandich sijnre luste dat hij sijn suster niet noten en wil noch ghemack daer mede hebben, die nochtan daghelijxbij hem gaen ende staen ende te samen weiden in eenre scare.

 

9 Kameel: restmateriaal

 

F.P. van Oostrom, “Hofcultuur en literatuur in Holland omstreeks 1400”, in: Ons Erfdeel, jg. 30, nr. 5 (november-december 1987), p. 660. In 1408 krijgt graaf Willem VI van Holland een dromedaris cadeau van de vrouwe van Egmond. Hij schenkt hem vervolgens op zijn beurt aan de hertogin van Brabant.

 

Ferguut ed. 1982 (circa 1250)

  • 119 (verzen 2231-2232). Berijmde Arturroman. Beschrijving van een naen (dwerg): Hi was ru alse een camore, / den bult haddi achter ende vore.

Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 383 (Winterstuc, hoofdstuk 49, regels 168-173). Theologisch compendium. Christus waarschuwt voor de farizeeërs: si siften vlieghen ende vloen ende slucken heel cameel in.

Dryakelprouver ed. 1920 (1528)

  • 205 (verzen 243-244). Rederijkersspel. Knecht zegt: Den hongher ontstelt gheheel mynder kelen. / Se dynct me als eenen graeuwen kemele gapen. Omwille van de grote muil van kamelen?

Colloquia familiaria ed. 1967 (1533)

  • 124 (Apotheosis Capnionis). Latijns tweegesprek. Brassicanus zegt: At ego Lovanii Camelum quendam audivi concionantem (en ik heb in Leuven een kameel horen preken). Woordspel camelus / carmelitus. Zie ed. 2001: 541 (noot 1). Voor de tekst zie ook ed. 2001: 89, en ed. 1947: 381.

 

[explicit 28 mei 2024 – Eric De Bruyn]

 

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram