Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90

KEUKEN

 

1 Keuken = vagina

 

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 194 (refrein 232, verzen 3-4). Zot-amoureus rederijkersrefrein. Een vrouw ontkent haar overspel tegenover haar man en zegt: Ic en vergader voer mij gheen ander worstkens / lief dan tuwer coekenen bereet sijn.
  • 203 (refrein 236, verzen 55-56). Zot-erotisch rederijkersrefrein over geile tienermeisjes. Over dezen wordt gezegd: Die hertgens sietmen in vruechden vlieten / als menclopt voer haer coekendoere. Hetzelfde in Arnold Bierses ed. 1925: 29 (nr. VI, verzen 56-57): Huer hertekens sietmen in vreuchden vlieten / wanneer men cloept voor die kueken duere (1577-90).

sMenschen Gheest van tVleesch verleyt ed. 1953 (circa 1550)

  • 636 (verzen 563-566). Rederijkersspel. ‘tVleesch’ over haar seksuele escapades: ick gheefs wel hondert pond om een pluvierken / en levere den vleespot aen die koeckene / als dan de crevel beghint te ioeckene / ick leydse van bordeaux [= het bordeel] rasch in bruage.

Mars en Venus ed. 1991 (1551)

  • 270 (verzen 631-632). Rederijkersspel. De sinnekes over de geile Venus: Tis al om caluwaerde metten blooten bolle / Dat sij dus tvier heeft in die köcken. ‘De kale met de blote bol’ = de penis (waarbij blote bol = de ontblote eikel).

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 80 (fol. 359v, verzen 29-34). Zot rederijkersrefrein over wat de vrouwen het meest kan verblijden. Maer dat hy [namelijk de man] zelue verblydt met herte met zinne / in haer nieuwe ghefatsoende habitiaidgen / de Cuecken wel voorziene voor ander passaigen / van vleessche van smoutte ende van goet Nat / twelthuusbrynghen verblydt der vrauwen Couraidgen / in huer blende schuetel hebben zy gheerne wat.
  • 93 (fol. 368r, verzen 26-29). Rederijkersballade. Over kermisvertier: Ionghe meyskens tropplen naer de groote knechten / daer tloerooghen ouerzendt de missiuekens / tspit zy voor de Cueckene vpRechten / men taster en wroetter naer de Ronde Schyfuekens. Ronde schijfjes = (hier) borsten.

Spel ed. 1976/77 (1567-76)

  • 81 (verzen 21-24). Rederijkersklucht. Dubbelzinnige dialoog tussen een pantoffelheld en zijn bazige vrouw: [De Man] Maer, wyueken, wye zal inde kuekene tvleesch speten? / Willet my berechten doch nv int platte. / [Twyf] Ey, ghy zullet speten, wat vraghe es datte? / Wie pleghet te doene anders dan de mans, ziet! In deze kluchtige context tegelijk een verwijzing naar het pantoffelheld-gedrag van de man én erotisch-dubbelzinnig: ‘vlees speten in de keuken’ = coire.

 

2 Keuken = achterwerk

 

Dronckaert die wonder siet ed. 1950 (XVIb)

  • 63 (vers 210). Dramatische versmonoloog (rederijkerslyriek). Een monnik valt van zijn paard en zijn pij slaat omhoog: Nu leyt hy achter metter keuckenen bloot.

 

[explicit 24 juli 2020]

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram