Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90

KIKVORS

 

De Middelnederlandse woorden voor kikvors zijn pude, puut, vorsch.

Het Latijnse woord voor kikvors is rana.

 

1 De kikvors in de Oudheid

 

In Aristophanes’ komedie Kikkers (Bátrachoi, 405 v. Chr.) trekt Dionysus, die niet te spreken is over het niveau van de Atheense dichters, naar de Onderwereld om Euripides terug onder de levenden te brengen. In de Onderwereld leidt dat tot een hevig debat tussen Euripides en Aischulos rond de vraag wie nu de beste schrijver is. Tijdens zijn overtocht van de Acheron werd Dionysus gekweld door een koor van kikkers (verzen 209-267): ‘Elles sont le symbole des chantres qui se croient du talent et qu’on ne peut faire taire’ [Miquel 1992:159].

 

Naturalis Historia III ed. 1983 (1ste eeuw)

  • 78-79 (Boek VIII, XLVIII.110). Encyclopedisch werk in Latijns proza. Also the bramble-frog [rana rubeta], which is amphibious in its habit, is replete with a great number of drugs, which it is said to evacuate daily and to replace by the food that it eats, always keeping back only the poisons for itself. De ‘rubeta’ zullen we hieronder nog tegenkomen. Tekstbezorger Rackham vertaalt met ‘doornstruikkikker’ (bramble-frog), maar voegt er in voetnoot aan toe: ‘i.e. the toad’. Met de ‘rubeta’ wordt dus blijkbaar een (gehoornde) pad bedoeld, die – zoals nog zal blijken – in de Middeleeuwen als een soort kikker werd gezien.

Naturalis Historia VIII ed. 1975 (1ste eeuw)

  • 492-497 (Boek XXXII, XVII.48-XVIII.52). Encyclopedisch werk in Latijns proza. If the flesh of river frogs is eaten, or the broth drunk after boiling them down, it counteracts the poison of the sea-hare, of the snakes mentioned above, and of scorpions if wine is used in the preparation. Democritus indeed tells us that if the tongue, with no other flesh adhering, is extracted from a living frog [ranae viventi], and after the frog has been set free into water, placed over the beating heart of a sleeping woman, she will give true answers to all questions. The Magi add also other details, and if there is any truth in them, frogs should be considered more beneficial than laws to the life of mankind. They say that if frogs are pierced with a reed from the genitals through the mouth, and if the husband plants a shoot in his wife’s menstrual discharge she conceives an aversion to adulterous lovers. It is certain that frogs’ flesh placed in weels or on a hook makes excellent bait for the purple-fish. It is said that the liver of a frog is double, and should be thrown in the way of ants; that the part that the ants attack is an antidote for all poisons. Some frogs there are that live only in brambles, and so they are called bramble-toads [rubetarum nomine], as I have said, and by the Greeks phrunoi. These are the largest of all frogs, have as it were a pair of horns, and are full of poison. Our authorities vie with one another in relating marvellous stories about these toads: that when brought into a meeting of the people silence reigns; that if the little bone found in its right side is let fall into boiling water, the vessel cools, and does not afterwards boil unless the bone is taken out; that it is found when a frog [rana] has been thrown to ants and the flesh gnawed away; that one at a time these bones are put into oil; that there is in a frog’s left side a bone called ‘dog’s bane’ [apocynon], which dropped into oil gives the appearance of boiling; by it the attacks of dogs are repelled, and if it is put in drink love and quarrels brought about; that worn as an amulet it acts as an aphrodisiac; that the bone again on the right side cools boiling liquids; that worn in fresh lamb’s skin as an amulet this bone also cures quartan and other fevers, but love is restrained. The spleen of these frogs is also a remedy for the poisons that come from them, while their liver is even more efficacious.

 

2a Bijbel: de tweede plaag van Egypte (kikkers als straf van God)

 

Zie Exodus 7, 25-29 en 8, 1-11.

Aan deze plaag wordt herinnerd in Psalm 78 (77), 43-45. In een Middelnederlandse vertaling van de late 14de eeuw: Also als Hi settede sine teekene in Egypten ende sine wondere int velt van Chanaos. Ende hi verkeerde hare reviere in bloede ende hare regen, omdat sise niet drinken en souden. Hi sant in hem die honts vliegen, ende hi atse, ende den vorse, ende hi verdervetse [Psalmi ed. 1978: 237].

Eveneens in Psalm 105 (104), 30. Dezelfde vertaling: Ende haer lant gaf vorssce in hare coninghe binnensten husen.

Eveneens in Wijsheid 19, 10. In de Delftse Bijbel (1477): Want si waren noch ghedenckende  der dinghen die ghedaen  waren int lant haerre vreemtheit: hoe die aerde vlieghen uut brochte voer dat geslachte van beesten: ende hoe die vluet uut crielde ene menichte van vorsschen voer visschen.

 

Rijmbijbel I ed. 1858 (1271)

  • 169-170 (hoofdstuk 82, verzen 3807-3824). Berijmde historiebijbel. Titel van het hoofdstuk: Hoe God die puden worden liet. Te Moysese seide echt onse Here: / Ghanc te Pharao ende kere. / Laet hi mijn volc niet rumen tlant / So doe Aaron up heffen sine hant / Up marassche ende up riviere; / Daer uut sullen comen vorsschen sciere. / Also daden si: al te hant / Benediden si Egipten lant / So dattie huse ende tsconics zale / Daer af vul waren al te male. / Die toveraers daden mede / Dies ghelijcs daer ter stede. / Pharao sprac: Bidt uwen Here / Dat hi dese plaghe van mi kere / Ende ic sal tfolc laten ghaen. / Moyses baedts; het was ghedaen. / Pharao looch ende ne wilde niet / Doen dat hi hem daer behiet.

Spiegel Historiael I ed. 1982 (circa 1285)

  • 55 (I Partie, Boek II, hoofdstuk 2, verzen 49-52). Berijmde wereldgeschiedenis. Over de tweede plaag van Egypte: Dander was dat alle die lude / Huus ende lant was al vul pude, / Ja, des coninx camere ende heimelechede / Was al vul vorssche mede.

Noordnederlandse historiebijbel ed. 1998 (1458)

  • 316 (Exodus 8). Historiebijbel in proza. Doe seide die Heer tot Moyses: “Gaet mit Aaron tot coninc Pharo ende sect hem, dat hi mijn volc laet varen, opdat si Mi mogen sacrifici doen. Wil hi dat niet doen, so sel Ic al dat lant plagen mit vorschen.” Pharo en woudse niet laten varen. Doe verhief Aaron sijn hant over al die wateren ende al dat lant quam vol vorschen. Si cropen in die husen, in cameren, in bedden, in ovenen, in potten, in ketelen, in alle spise. Doe riep Pharo Moyses ende Aaron ende seide: “Bid uwen God dat Hi dese vorschen van ons neme. Ic sel sijn volc laten varen ende laten hem sacrificie doen.” Doe seide Moyses: “Hoeneer [wanneer] sel gise laten varen?” Doe seide Pharo: “Morgen.” Doe seide Moyses: “Op dat woert sel ic Gode bidden, opdat gi weten moecht, datter geen God en is dan Hi, die onse God is.” Doe bat Moyses an Gode. Ende alle die vorschen verghingen ende bleven al doot. Doe Pharo den plaech van den vorschen quijt was, doe en woude hi die kinder van Ysrahel niet laten varen.

 

2b Bijbel: Apocalyps 16, 13-14 (kikkers = duivels)

 

In de Vulgaat luiden deze Bijbelverzen: Et vidi de ore draconis et de ore bestiae et de ore pseudoprophetae spiritus tres inmundos in modum ranarum / sunt enim spiritus daemoniorum facientes signa et procedunt ad reges totius terrae congregare illos in proelium ad diem magnum Dei omnipotentis (en ik zag uit de mond van de draak en uit de mond van het beest en uit de mond van de valse profeet drie onzuivere geesten uitgaan in de gedaante van kikkers / want het zijn duivelse geesten die tekenen verrichten en die zich begeven naar de koningen van de ganse aarde om hen bijeen te brengen voor de strijd tegen de grote dag van de almachtige God). De auteur van de Middelnederlandse Apocalyps-vertaling geeft ‘in modum ranarum’ nochtans weer als in de wise der padden, althans in het handschrift Parijs, BN, Ms. néerlandais 3. Zie Apocalyps ed. 2001: 98 (regels 17-19).

 

3 De kikvors in de Physiologus/Bestiaria-traditie

 

Wilma George en Brunsdon Yapp, The Naming of the Beasts, 1991, pp. 201-202, over de rana en meer bepaald de rubeta in de bestiaria: ‘Some are said to be aquatic, some live in marshes, some are green and live in trees. Those that live in thorn-bushes (in vepribus) are larger than the others and are called rubete [lees: rubetae]. These are presumably toads, which are more terrestrial than most batrachians and are browner than the common frog.’

 

Physiologus ed. 1979 (circa 200)

  • 60-61 (hoofdstuk XLVI). Natuurkundig-allegorisch traktaat, Latijns proza. There is a frog called the cerseus, meaning ‘the one from the dry place’. This frog is not bothered by the heat during summer but, if he is caught in the rain, he will die. If the water frogs, however, who live in bodies of water look upon the rays of the sun and become warm, they baptize themselves in a stream. ‘The ones from the dry place’ represent, fine, abstinent men, who are unaffected by working patiently in abstinence; however, if they are caught in the rain (that is, in worldly desires), they die. The water frogs, however, are those who cannot stand abstinence. If these abstain until daytime, not being able to bear a ray of intelligible sunlight, they slip back again into their former desires.
  • Een Nederlandse vertaling in Physiologus ed. 1994: 91 (hoofdstuk 29): Er is een kikvors op het land en een kikvors in het water. De Fysioloog zegt over die op het land, dat hij de hitte van de zon en de vlammende vuurgloed verdraagt. Maar wanneer een strenge winter hem overvalt, sterft hij. Maar wat de kikvors in het water betreft: als hij uit het water komt en de zon treft hem, dan duikt hij direct weer het water in. De ware burgers [begrijp: van het hemelse Jeruzalem] lijken op de kikkers van het land. Want zij verdragen de hitte van de verzoekingen. Maar als een zeer strenge winter hen overvalt, dat wil zeggen een vervolging omwille van hun deugdzaam leven, sterven zij. Maar zij, die uit de wereld zijn, zijn de vochtigen. Want wanneer hen ook maar een weinig de gloed van de verzoeking of begeerte treft, houden ze het niet uit, maar duiken weer onder in dezelfde begeerte en wellust. De Fysioloog heeft juist gesproken over de kikvors.
  • Nog een andere editie in Physiologus ed. 1967: 26 (hoofdstuk 29): Es gibt einen Landfrosch und einen Wasserfrosch. Der Physiologus sprach vom Landfrosch, dass er den Brand der Sonne und ihre flammende Glut erträgt; wenn aber ein heftiger Regen ihn trifft, dann stirbt er. Der Wasserfrosch dagegen, wenn er aus dem Wasser kommt und die Sonne ihn fasst, taucht er wieder in das Wasser ein. Gleich sind die wackeren Glieder der Gemeinde dem Landfrosch; denn sie ertragen den Brand der Versuchungen, wenn sie jedoch der heftige Regen erfasst, nämlich die Verfolgung um der Gerechtigkeit willen, dann sterben sie. Die Weltkinder aber sind die Wasserfrösche; denn wenn auch nur ein bisschen von der Wârme der Versuchung und Begierde sie packt, dann halten sie dieser nicht stand, sondern tauchen wieder hinein in die Geilheit der Sinnenwollust. Wohlgesprochen hat also der Physiologus über den Frosch.

Bestiary ed. 1993 (1220-1250)

  • 116. Bestiarium, Latijns proza. Frogs are so called from their chattering, because they croak among the marshes where they are born, and utter harsh cries with their voices. In the Apocalypse, frogs represent demons: ‘And I saw three unclean spirits like frogs come out of the mouth of the dragon’ [Revelation 16: 13]. For frogs signify the heretics and their demons who linger at the banquet of the decadent senses, and do not cease to utter their vain chatter.

Der Naturen Bloeme II ed. 1980 (circa 1270)

  • 96-97 (Boek VII, verzen 836-885). Berijmde natuurencyclopedie. Rana dat es die vorsch of die puut. / Metten woermen telmen uut. / Some sijn si roet ende some groene. / Die roetste sijn van quaetsten doene. / Sijn crauwen scijnt van sulken treken, / Of hi altoes pijnde om spreken. / Hi vrucht al dat hi siet, / Bedi springhet hi in den vliet. / In oestmaent seghtmen, dat verstaet, / Dat sijn mont niet op en gaet / Noch om ate noch om sanc, / Noch oec om selfs tontfane dranc; / Ende alsi noten in haren spele, / Scieten si saets harde vele. / Men waent ende leec volc dat seghet, / Dat die puuts tonghe neemt ende leghet / Slapende onder des menschen hovet, / Dat hi cout of hi ware verdovet, / Ende vortbringhet dat verholen es. / Quenicum [oudewijvenpraat], ghelovet mi des! / Plinius seghet, diet weet, / Dat een puut rubeta heet, / Die in wacker aerde levet, / Ende an hem medicine hevet. / Kirammidarium boec die seghet, / Dat hi te pulvere verberrent pleghet, / Werptmene in een bat, dats waer, / Den mensche of doet vallen sijn haer. / II horne heeft hi, des is men vroet, / Daermen vele quaets mede doet; / Ende die auctore scriven te stride: / Een beenkijn uut sire rechter side, / Werptmen in een vat dat wallet, / Sine hitte te hant tevallet. / Jeghen venijn dat hi doet / Es sijn pulver ghedronken goet. / Een ander puut leghet onder rietbladen, / Dienmen en hoert no vroe no spade, / Want hi tallen tiden stom dinct. / Alsene ene beeste drinct, / Wast haer die buuc boven ghelove. / Echt sit een ander puut in love, / Die wel can voersien den reighen [regen], / Bedi hi singhet daer jeghen; / Ende selden singhet hi dan om nat. / Van desen pude seghtmen dat: / Werptmene enen honde in den mont, / Dat hi blijft al stom ter stont. / Clene es dese, sonder waen, / Ende groene als dat loef ghedaen. Maerlant voegt geen moraal toe aan zijn tekst over de kikvors.

 

4 De kikvors in de wetenschappelijk-exegetische traditie

 

Etymologiae XII ed. 1986 (7de eeuw)

  • 218-219 (Boek XII, hoofdstuk 6, paragrafen 58-59). Isidorus van Sevilla, Latijns prozatraktaat. Titel van hoofdstuk 6: ‘De vermibus’. Ranae a garrulitate vocatae, eo quod circa genitales strepunt paludes et sonos vocis importunis clamoribus reddunt. Ex his quaedam aquaticae dicuntur, quaedam palustres, quaedam rubetae ob id quia in vepribus vivunt, grandiores cunctarum. Aliae calamites vocantur, quoniam inter arundines fruticesque vivunt, minimae omnium et viridissimae; mutae et sine voce sunt. Agredulae ranae parvae in sicco vel agris morantes; unde te nuncupatae. Negant quidam canes latrare, quibus in offa rana viva fuerit data (Les grenouilles sont nommées de leur caquetage, parce qu’elles coassent aux alentours des marais où elles naissent et émettent leurs cris en clameurs désagréables. On distingue les grenouilles aquatiques, celles des marais, et les rubetae, ainsi nommées parce qu’elles vivent dans les buissons, les plus grosses de toutes. D’autres sont appelées calamites, parce qu’elles vivent dans les roseaux et les taillis; elles sont les plus petites de toutes, très vertes, muettes et sans voix. Les agredulae sont de petites grenouilles vivant en terrain sec et dans les champs [agri], d’où leur nom. Selon certains, les chiens n’aboient pas si on leur a donné une grenouille vivante dans une boulette).

De Universo ed. 1852 (9de eeuw)

  • 228A (Boek VIII, caput II). Rabanus Maurus, wetenschappelijk-exegetisch traktaat, Latijns proza. Caput II heeft als titel ‘De minutis animalibus’. Ranae a garrulitate vocatae eo quid circa genitales strepunt paludes, et sonum vocis importunis clamoribus reddunt. Ranae daemones. In Apocalypsi: Vidi de ore draconis spiritus tres inmundos in modum ranarum [Apoc. XVI]; sunt autem spiritus daemoniorum. Ranae heretici, qui in coeno vilissimorum sensuum commorantes, vana garrulitate latrare non desinunt, ut in Exodo legitur (Kikkers danken hun naam aan hun gekwek omdat ze lawaai maken rond de poelen waarin ze verwekt zijn en er met vervelend gekwaak hun stemgeluid laten weerklinken. Kikkers staan voor duivels. In het boek Apocalyps: ik zag uit de mond van de draak drie onreine geesten verschijnen in de gedaante van kikkers [Apoc. XVI]; dit zijn namelijk duivelse geesten. Kikker staan voor ketters, die zich ophouden in de modder van de meest waardeloze ideeën en wier ijdele babbelzucht niet ophoudt te kwekken, zoals men kan lezen in het boek Exodus).

De bestiis et aliis rebus ed. 1854 (12de eeuw)

  • 110D-111A (Boek III, hoofdstuk 55). Pseudo-Hugo van Sint Victor, Latijns prozatraktaat. Titel van caput 55: ‘De piscium diversorum naturis’. Ranae a garrulitate, eo quod circa genitales strepunt paludes, et sonos vocis importunis clamoribus reddunt. Ex quibus quaedam aquaticae dicuntur, quaedam palustres, quaedam rubetae, ob id quod in rubis et vepribus vivunt, caeteris grandiores. Aliae calamitae vocantur, quoniam inter arundines fruticesque vivunt; minimae omnium, et viridissimae, mutae, et sine voce sunt. Agredulae sunt ranae parvulae in sicco vel in agris morantes, unde et sic vocantur. Negant quidam canes latrare, quibus in offa rana viva fuerit data (kikkers danken hun naam aan hun gekwek, omdat ze lawaai maken in de poelen waarin ze verwekt zijn en er met hun vervelend gekwaak hun stemgeluid laten weerklinken. Sommige leven naar verluidt in het water, sommige in het moeras en sommige heten rubeta omdat ze leven in braam- en doornstruiken en deze laatste zijn groter dan de andere. Een andere soort wordt calamita genoemd, omdat ze leven in het riet en het struikgewas. Deze zijn de kleinste van allemaal, zeer groen en ze zijn stom, zonder stemgeluid. De agredula is een kleine kikker die vertoeft op het droge of op de velden [agris], vandaar zijn naam. Sommigen zeggen dat honden niet meer blaffen als men hen zulk een levende kikker te eten geeft in een snoepje).

De proprietatibus rerum ed. 1964 (13de eeuw)

  • 1107-1108 (Boek 18, hoofdstuk 89). Bartholomeus Anglicus, Latijns prozatraktaat. De Rana. Rana à garrulitate vocis sic est vocata, eo quod strepunt, et sonos vocis importunis clamoribus reddunt in palustribus ubi generantur, ut dicit Isid. lib 12 cap. 3 de piscibus. Ex ranis autem quaedam sunt aquaticae, quaedam palustres, quaedam rubetae, de quibus supra dictum est in litera B. de bufone. Aliae calamitae, quae sic sunt vocatae, quoniam inter arundines habitant et frutices: unde et in calamis conversantur, et sunt valde parvae et virides et mutae sine voce. Aliae sunt agredulae ranae parvulae in sicco vel in arvis morantes, unde sic sunt nuncupatae. Est autem quaedam species ranae, quae misia in os canis, facit eum obmurescere. Sed hoc multi negant, ut dicit Isidorius lib. 12. Aristotel. autem dicit de rana lib. 4 quod habet linguam propriam, quae anterius linuae suae applicatur ori suo, et quasi ligatur, sicut extremitas linguae piscis, licet posterius et inferius ad linuam cannam habet absolutam. Et propter hoc habet rana linguam propriam, et est coax, et non facit hoc nisi in aquam tantum. Et proprie masculus tempore coitus clamat foeminam, quia quodlibet animal habens vocem, vociferat tempore coitus. Rana autem multiplicat vocem, quandi ponet mandibulam inferiorem aequaliter in aqua, et extenderit superiorem, et per extensionis conatum duarum mandibularum. Lucent eorum oculi sicut candelae, et hoc de nocte maxime, sed coeunt de nocte plus quam de die. Et omnes pices nutriunt pullos suos praeter ranam, ut dicit idem lib. 7. Quando autem primo in aqua formantur ranae, videntur totaliter esse caput cum quadam extremitate dependente ad modum caudae, deinde dilatatur totaliter in ventrem, sublata cauda, crescunt et pedes, et in animal quadrupes transformatur. Moventur omnes ranae praeter bufonem vel rubetam, potius saltando quam gradiendo, nam verus rubeta raro salit. Rana igitur aquosa est seu paludosa, clamosa, limosa, ventrosa, rumorosa, sub ventre maculosa, venenosa, et ideo abominabilis hominibus, et maxime odiosa, in terra vivit pariter et in aqua.
  • De Middelnederlandse vertaling van deze tekst in Van den proprieteyten der dinghen (Haarlem, 1485, Jacob Bellaert), boek 18, hoofdstuk 85: Rana dat is een vorsch inden water ende heeft den name van garrulare daer om dat hi veel gheluyts maect inden broeken daer si wassen ende werden als ysidorus seyt libro xij. capitulo iij. vanden visschen Item vanden vorschen sijn sommige waterich sommige broekich sommige sijn padden diemen rubete hiet daer voer af gheseyt is in die letter b. van bupho ende sommige sijn inden riede ende dese sijn cleyn ende groen ende si sijn oec inden strevelen ende dese sijn stomme ende sonder stemme ende daer sijn ander die cleyn sijn diemen agredule hiet ende wonen inden droghen of inden water ende daer is een speci van vorsschen die welcke alsmen dier een in eens honts mont werpt die en soude niet meer bassen mer daer seggen vele luden tegen als ysidorus seyt libro xij. Item aristotiles seyt vander vorsschen libro iiij. dat si een proper tonge heeft want dat voerste van hoerre tongen dat voeget si voer inden monde ende wert daer ghebonden als dat uterste vander tonghen eens vischs al ist dat si die tonge vry heeft after ende binnen aen die pipe ende daer om heeft dye vorsch een proper tonge ende is coax dat is tgheluyt dat si mitter tonghen maect ende dat en doet si niet dan int water alleen ende sonderlinge tmanniken inden tiden als hi hijlict [paart] als hi twijf roept want een ygelick dier dat een stemme heeft dat roept inden tiden als si hyliken willen Item die vorsch menichfoudicht hoer stemme wanneer dat si dye nederste kinneback ghelijc int water hout ende strect die overste uut ende van dien arbeyde des uutstekens vanden tween kinnebacken soe luchten haer ogen als een kaers ende sonderlinghe des nachts meer dan des daechs ende alle visschen voeden haer ionghen sonder die vorschen, als die selve seyt libro vij. ende als si eerst openbaren soe schinen si slechs een hoeft te wesen mit enen smalen stertken datter after aen hanget daer na wort hi breet al tot enen buke ende als die start af is soe wassen hem die been ende wert een viervoetich dier ende si werden al beroert meer springhende dan gaende sonder rubeta dat is die oude padde want die springt selden of luttel ende die waterighe vorsche die inden sloten ende inden broeken is die roept vele ende is slikich ende bukich ende heffende ende onder den buke gespockelt ende is vol venijns ende is den mensche vervaerlic aen te sien ende te tasten ende wert vanden mensche zeer ghehaet ende si leeft inder aerden ende oec inden water.

De animalibus ed. 1987 (13de eeuw)

  • 439-440 (Boek 26, hoofdstuk 32, paragrafen 23-24). Albertus Magnus, wetenschappelijk traktaat, Latijns proza. [23] The frog [rana] is a four-legged worm [vermis] shaped like a toad but lacking its poison. Its long hindlegs and short forelegs have elongated digits with interdigital webs for swimming. Its tongue clings to the palate, giving its voice a croaking sound that emerges from the gullet to the mouth; since its vocal spirit or breath does not proceed in a straight line due to the interference of the tongue, it produces two inflated pouches on each side of the mouth. When the frog croaks, it holds its lower lip at the surface of the water and raises its upper lip above the water line. Only the male makes the croaking sound when he calls to the female. There is a popular opinion that in August the frog holds its lips so tightly closed they cannot be pried open, even with a metal instrument. When a frog is frightened by being removed from the water, it emits a weak cry like a scared mouse. The frog mates in the springtime and lays many eggs in the water during the spring of the following year. In the center of these eggs a tiny frog lies hidden. When the young emerge from the eggs, they have a large head attached to an abdomen that tapers at the rear to a tail equipped with fins for swimming. After the month of May the tail is shed and four legs sprout from the body. During the winter the frog hibernates outside the water in warm crevices and occasionally under the mud in bodies of water that are relatively warm in winter. Then, in the spring it returns to the water. Sometimes when it begins to feel the chill of autumn, it enters human abodes where it has been known to hop onto a man’s lap or abdomen. Some people say that if the tongue of a croaking aquatic frog is placed on the head of a sleeper, he will talk in his sleep and reveal secrets.
  • [24] A certain frog is called ‘rubeta’ or ‘rubetum’ because it usually sits on a bramblebush [rubo] or thicket of reeds [harundineto]. This frog leads an amphibious life, spending equal time on land and in the water; it may be classified as poisonous, though its venom is scanty. Some marvelous stories are related about this frog. For example, a hook baited with this species lures and attracts the purple murices of the sea. If one places an ossicle obtained from the right side of this frog into a vessel of boiling water, the boiling will cease and not resume until the little bone is removed from the water. The charred remains of this frog, like the ashes of a sea hare [leporis marini], is an antidote against its own poison. A tiny voiceless frog that lives among the reeds is sometimes inadvertently imbibed by cattle drinking the nearby water; the cow’s bellies become so distended that they seem ready to burst. There is also a green frog that climbs trees and foretells rainstorms by its peeping, but remains silent at other times. According to common belief, the incessant barking of a dog can be stopped by tossing one of these frogs into its mouth. Deze laatste kleine groene kikker is de hyla arborea (aldus een voetnoot van de tekstbezorger).

De natura rerum ed. 1973 (13de eeuw)

  • 307 (Boek 9, hoofdstuk 35, regels 1-21). Thomas van Cantimpré, Latijns prozatraktaat. De rana. Rana, ut dicit Liber rerum, inter alios vermes deputatur. Colore viret rubetque aliquando, sed hec que rubet deterior est. Loquax est et vocibus importuna. Timet omne quod spirat suspecta ab omnibus odio se haberi. In mense Augusto nunquam os suum potest pro quolibet ministerio cibi vel potus vel voci aperire, quod si etiam manu vel baculo aperire temptaveris, difficulter poteris aperire. Rana propriam vocem habet coax et nichil aliud preter hanc vocem coax dicere potest, nisi cum premitur vel leditur: tunc enim mutat vocem et exilem emittit instar muris. Ratio eius vocis coax ex hoc perpendi potest, ut dicit Aristotiles, quod clauso ore et inflatis lateribus co sonat in gutture; ad sillabam vero ax os aperit et instar follium reprimit latera, ut fortiori spiritu vox elata promatur. Multiplicat vocem, quando posuerit mandibulam inferiorem equaliter in aqua et extenderit superiorem; et cum extenderit ambas, lucent oculi sicut candele. Coitus earum magis nocte quam die fit, et in hoc notatur verecundia coitus. Hoc contra illos qui indifferenter et impudenter coeunt de die sicut in nocte. In coitu ranarum magna mora est, et multum seminis effundunt. Mas rana vocat ranam feminam per vocem cognitam. Ranas mare habet, que alas habent. Omnis piscis nurrit fetus preterquam rana. Hoc notatur ex dictis Artistotilis, quod rana piscis sit. Lingua rane aquatice si supponatur capiti dormientis, eum loquacem in sompnis facit et revelare secreta, ut ambigua loquitur antiqua rusticitas (Over de kikker. Volgens het Liber Rerum behoort de kikker bij de andere wormen. Sommige zijn groen, andere zijn rood, maar de rode zijn kwalijker. De kikker kwaakt veel met een onaangenaam geluid. Hij is argwanend, vreest alles wat ademt en wordt door iedereen voor onaangenaam gehouden. In de maand augustus opent hij nooit zijn mond, noch om te eten, noch om te drinken, noch om geluid te maken. Zou je proberen zijn mond open te krijgen met de hand of met een stok, dan zou dit moeilijk lukken. De kikker maakt als typisch eigen geluid ‘kwaak’ en hij kan geen ander geluid maken dan dit, behalve wanneer hij beloond of gekwetst wordt: dan immers verandert hij zijn stem en maakt een zwak geluidje als dat van een muis.Volgens Aristoteles kan hij dit soort geluid voortbrengen, omdat ‘co’ in zijn keel weerklinkt als hij zijn mond sluit en zijn flanken opblaast, terwijl hij voor de lettergreep ‘ax’ zijn mond opent en als een blaasbalg zijn flanken intrekt, zodat een hoog geluid met grotere kracht wordt uitgestoten. Hij versterkt zijn geluid door zijn onderkaak op gelijke hoogte met het water te plaatsen en zijn bovenkaak op te heffen. En als hij beide kaken opent, dan lichten zijn ogen op als kaarsen. Hun paring gebeurt vaker ’s nachts dan overdag, en hier merkt men hoe hun paargedrag getuigt van schroom. Dit in tegenstelling tot mensen die onverschillig en onbeschaamd zowel ’s nachts als overdag paren. Hun paring duurt lang en zij stoten veel zaad uit. Het mannetje roept het vrouwtje met een typisch geluid. De zee heeft kikkers die vleugels hebben. Alle vissen voeden hun jongen, behalve de kikker. Men notere dat Aristoteles de kikker rekent tot de vissen. Als men de tong van een waterkikker op het hoofd van een slaper legt, dan begint deze te praten tijdens zijn slaap en onthult hij geheimen, volgens een oud maar twijfelachtig volksgeloof).
  • 307 (Boek 9, hoofdstuk 36, regels 1-11). De rana, que et rubeta dicitur. Rana est, que a Plinio rubeta dicitur, cuius et in terra et in humore vita est, pluribus referta medicaminibus. Hec, ut dicit liber Kyrannidarum, degit in agris siccatis. Cinis combuste sparsus in balneo deponit pilos corporis. Ipsa medicamina deponit ac resumit quando vult, et hoc assidue in pastu facere dicitur. Venena autem illa deponunt nunquam, sed quasi arma sua penes se reservant. Carnibus earum in hamum positis purpuras precipue allici certum est. Habent gemina cornua plena veneficiorum. Mira de hiis certatim narrant auctores. Dicunt, ut si ossiculus dextri lateris in aquam ferventem mittatur, refrigerari vas nec postea fervere nisi exempta rubeta. Contra venena leporis marini et rubete cinis eorum remedio est in aqua potatus (Over een kikker die ook rubeta heet. Er is een kikker die volgens Plinius rubeta wordt genoemd. Hij leeft zowel op het droge als in het water en is geschikt voor vele medische toepassingen. Volgens het boek Kyrannidarum huist deze kikker op droge akkers. Hun verbrande as in een bad gestrooid doet de lichaamsharen uitvallen. Deze kikkers maken zelf geneesmiddelen aan en scheiden ze weer uit naar believen, en naar verluidt halen ze deze voortdurend uit hun voedsel. Vergif stoten ze echter nooit uit, maar ze behouden dit als een wapen voor zichzelf. Als men hun vlees aan een haak hangt, dan trekt dit zeker onmiddellijk purperslakken aan. Ze hebben twee hoornen vol vergif. Over hen vertellen de auteurs om strijd wonderlijke zaken. Men zegt dat als een beentje uit hun rechterzijde in kokend water geworpen wordt, dan stopt het met koken en dat blijft zo tot het beentje weer verwijderd wordt. In water gekookt is hun as een remedie tegen het gif van de zeehaas en van de rubeta zelf).
  • 308 (Boek 9, hoofdstuk 37, regels 1-3). De rana parvula muta et nociva. Rana parvula est, ut dicit Plinius, in arundinetis et herbis maxime vivens, muta ac sine voce, viridis. Que si forte hauriatur a bobus, ventres boum enormi corpulentia distenduntur (Over een kleine kikker die stom en schadelijk is. Volgens Plinius is er een kleine kikker die voornamelijk leeft tussen riet en planten. Hij is stom, heeft geen stem en is groen. Als deze toevallig wordt opgedronken door het vee, zwellen de buiken van de runderen enorm op).
  • 308 (Boek 9, hoofdstuk 38, regels 1-5). De rana, que corriens dicitur. Rana etiam parva est corriens cognominata. Hec arbores ascendit et ibi inter folio quiescit. Hec pluvias naturali presagio in nubibus sentiens clamat fortiter, nuntia scilicet future inundationis. Reliquo autem tempore vix unquam cantat. Hec in ora canum proiecta vocem canibus demere vulgus opinatur. Est autem hec rana viridis et parva (Over een kikker waarvan men zegt dat hij loopt. Er is ook een kleine kikker die als bijnaam ‘de loper’ heeft. Deze klimt in bomen en daar rust hij tussen het gebladerte. Wanneer deze door natuurlijke intuïtie aanvoelt dat het uit de wolken zal regenen, roept hij harder, als een soort aankondiger van te verwachten overstromingen. Op andere tijdstippen laat hij zich echter nauwelijks horen. Volgens het volksgeloof kan hij de stem van honden wegnemen als hij in hun bek geworpen wordt. Deze kikker is groen en klein).

Der Dieren Palleys 1520 (1520)

  • L3r (Deel I, hoofdstuk 122). Wetenschappelijk prozatraktaat, postincunabel, bewerking van de Hortus Sanitatis. Isidorus seyt: Die vorsschen roepen ende woennen in die vochtighe plaetsen Daer isser oock die int riet ende die in die bome woenen ende dat sijn loofvorsschen ende dye sijn seer gruen ende dye sijn stom ende roepen niet/ daer isser de in die hagen ende onder die doornen woenen ende dat sijn die grootste. In dat boeck vanden natueren der dinghen. Die vorsch is een worm die somtijts gruen es van verwen ende die sommige zijn root ende die sijn arger maer si roepen meest In die Oogstmaent en can die vorsch haren mont niet opdoen/ noch om eten noch om drincken noch om roepen want besocht ghi dat metter hant oft met eenen stock ghi sout hem qualijc den mont op connen ghebreken. Die Operatien Plinius seyt Een vorssche levende in eenen pot ghebrant de asschen daeraf met honich verbetert dat uutvallen vanden hare maer ghesmolten peck is beter. Die gal vander vorschen neemt al wech die wormen die den mensche in dat lijf wassen. Die asschen ghebrant vander gallen es goet teghen de cortse Avicenna seyt Dye asschen gebrant vanden vorsch ende gheleyt daert bloet stelpt dat bloet Bezehar seyt Die vorsschen ghecooct met sout ende olie es die rechte medecijn der lazarien ende der wormen fenijnighe eetinghe. Dat lijf vanden vorsschen die onder steen woenen ende meest [mest] dat vet doet lichtelijck die tanden uutvallen Die beesten die de eeten metten grase die vallen de tanden uut.

 

5 De kikvors in fabels

 

‘In the Esopet the frog is represented as cowardly and afraid, and also as proud,’ schreef Bax [1983: 41]. Dit beeld van de kikker treffen we ook aan in andere Middelnederlandse fabelcollecties: het dier gedraagt zich hoogmoedig, laf en dwaas. Zie Esopus ed. 2016: 152-155 (26ste hystorie) / 164-165 (Boek I, fabel 3) / 188-189 (Boek II, fabel 1) / 196-197 (Boek II, fabel 8) / 210-213 (Boek II, fabel 20) / 360-361 (Boek VII, fabel 5). Zie voor een overzicht van kikker-fabels Anda Schippers, Middelnederlandse fabels – Genre – collecties – catalogus, 1995, pp. 253-255 (nr. 168-176).

 

6 De kikvors en het diabolische

 

Des coninx summe ed. 1907 (1405)

  • 417 (paragraaf 410). Stichtelijk prozatraktaat, biechtboek. Er zijn naar verluidt vijf dingen die de mens het biechten van zonden beletten: Dat eerste is scaemte; ende dat is die duvel, die hem die scaemte voerset, om hem die mont te stoppen ende te sluten, als die dief duet, die den hont die cleyne vorsch inden mont werpt om dat hi niet bassen en sal (want die cleyne vorsch is van dier naturen, datsi den hont stom maect, als mense hem inden mont werpt). Ook Maerlants Der Naturen Bloeme vermeldt dat kleine kikkers honden op deze manier stom kunnen maken. Zie supra.

Der Byen Boeck ed. 1990 (1451?)

  • 238 (Boek II, hoofdstuk 55, regels 19-24). Stichtelijk prozatraktaat. De vorsche leggen laghe [belagen] den byen als se water drinken. De duuel en heuet ghene bequamer stede te bedreghene dan als em de ghelouighen vnmaneerlicke storten vp de spise ende vp den dranck ende dan werden se lichtelicke verwecket to vnbequemen kallinghen. Ende se en comen nicht allene to vnnutten mer oeck to schadeliken worden.

Malleus Maleficarum ed. 2011 (1487)

  • 137-138 (Pars I, quaestio 10). Stichtelijk traktaat in Latijns proza. Over de duivels die dingen kunnen creëren: En als hij [de Canon Episcopi] zegt dat geen schepsel kan worden geschapen door de macht van de duivel, is dat waar als ‘maken’ als ‘scheppen’ wordt begrepen. Als het woord ‘maken’ echter wordt begrepen als ‘natuurlijk voortbrengen’, dan is het een vaststaand feit dat demonen bepaalde onvolmaakte schepselen kunnen maken. Hoe dat kan gebeuren verklaart de heilige Thomas in zijn Summa Theologiae [I, 114.4] als volgt: ‘Alle veranderingen van lichamelijke dingen kunnen door natuurlijke krachten worden bewerkstelligd, zoals het zaad dat in elk onderdeel van deze wereld kan worden aangetroffen, bijvoorbeeld in de aarde of in het water waarin kikkers en slangen hun zaad deponeren. Andere gelijkaardige dingen kunnen ook door demonen worden bewerkstelligd, die dit zaad gebruiken. Zo gebeurt het wanneer iets in slangen of kikkers wordt veranderd, want die kunnen worden gecreëerd door een verrottingsproces’. Voor een Engelse vertaling van deze passage, zie ed. 1986: 156.
  • 228 (Pars II, quaestio 1, hoofdstuk 8). Ten tweede moet er een onderscheid worden gemaakt tussen de schepselen. Sommige zijn volmaakt, zoals de mens, de ezel, enz.; andere zijn onvolmaakt, zoals slangen, kikkers, muizen enz., want ze kunnen ontstaan uit rottende dingen. Voor een Engelse vertaling, zie ed. 1986: 270.

 

7 Kikvors = zondaar

 

Fasciculus morum ed. 1989 (XIVa)

  • 148-151 (Pars III.i, regels 25-37). Hoofdzonden-traktaat in Latijns proza. Pars III behandelt de hoofdzonde Invidia. Whence it seems to me that one can apply to such people the words of Revelation 16: ‘I saw, and behold three unclean spirits issued from the dragon’s mouth lke frogs, working signs and going to the kings of the earth to gather them for battle.’ Frogs as you know, are animals that jump, are horrible to look at, live in swamps, and croak against storms and bad weather. They can well symbolize envious people who, as it were, constantly jump from place to place and wee where they cn spit out their venom best. But they live in swamps rather than in other, pleasant places, because an envious person takes greater pleasure in the turbid water of his neighbor’s tribulation and anxiety than in the pleasure of his prosperity and joy. Furthermore, frogs by nature croak at the coming of storms and rain. For when an envious person hears of the storm of his neighbor’s ruin, loss of reputation, or anxiety, he at once opens his mouth and cries out, croaks, and adds whatever evil he can.

 

8 Kikvors als invectief

 

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 256 (refrein 144, verzen 38-39). Zot-erotisch rederijkersrefrein dat seks beschrijft in schaatstermen. De man komt te snel klaar, en zij zegt: Doen seydse: versaecht puyt ic v nomme, / Hebdi gedaen nv, mi lust eerst spelens. Laffe kikker = man die teleurstelt in sexualibus.

 

9a Kikvors // naaktheid (letterlijk)

 

Lodder ed. 2002 (XIVB)

  • 64 (verzen 120-123). De boerde ‘Vander vrouwen die boven haren man minde’. Een vrouw laat haar minnaar ’s nachts in het donker naar haar slaapkamer komen (terwijl haar man naast haar slaapt), maar de minnaar vergist zich en legt zich op de man, die denkt dat het een dief is, en deze laat vasthouden door zijn vrouw om zelf vuur (en licht) te gaan halen. Terwijl de man weg is, hebben de vrouw en de minnaar seks, waarna de vrouw haar man wijsmaakt dat het om een losgebroken kalf ging. De man zegt: Bi Gode ende siere moeder mede, / Sprac die man, ane sine huut / Soe docht mi calu alse I puut / Alsict di gaf in dine arme. Zie ook Middelnederlandse Boerden ed. 1957: 118 (nr. XIX, verzen 122-125).

 

9b Kikvors // naaktheid (figuurlijk)

 

Bijns ed. 1902 (circa 1550)

  • 252 (nr. XII, strofe A, verzen 11-12). Vroed rederijkersrefrein, lofdicht op Rhetorica: Myn conste ruyt, naect als een puyt, / O tgodlyc conduyt binnen uwen verbande es. De auteur noemt hier zijn kunst ‘naakt als een kikker’, dus: weinig indrukwekkend, niet veel waard.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 123 (fol. 221v, vers 8). Zot rederijkersrefrein dat waarschuwt om mensen niet te snel te vertrouwen: ick zacher veel ontcleeden, Naecter dan een Puut. Naaktheid verwijst hier naar beroofd worden, bedrogen worden.
  • 191 (fol. 262r, vers 19). Vroed rederijkersrefrein dat jonge mannen waarschuwt voor slechte vrienden en vrouwen. Ook voor dobbelen en kansspelen: end eer hu den teerlyngh maect naecter dan een puut. Naaktheid verwijst hier naar het verliezen van geld, naar armoe.

Verlooren Zoone ed. 1941 (1583)

  • 161 (verzen 66-68). Rederijkersspel. De sinnekes spotten met de aan lager wal geraakte Verloren Zoon: Ten speele ten danse, / Als zouden zy naeckt gaen als een verknesen puut! / tBlyckt wel an desen ghuut. Naaktheid verwijst hier naar armoe als gevolg van geldverlies door kansspelen en losbandig leven.

 

10 (Al dan niet gevilde) kikvors = persoon waar het slecht mee gaat of afloopt

 

Lodder ed. 2002 (circa 1440)

  • 168 (verzen 278-281). De boerde ‘Sint dat wi vrouwen garen’. Een goede ridder slaat een slechte ridder met een takje: Vande slaghen diemen gaf / Soe had hi bloedighe huijt / Ende quam als een ghevloghen [gevilde] puut / Weder gheraect ter camer dure. Gevilde kikker = man die tot bloedens toe is geslagen.

Sevenste Bliscap van Onser Vrouwen ed. 1978 (1455)

  • 182 (vers 993). Mysteriespel. Lucifer, scheldend tot zijn duivels: Datmen u villen moet als een puut! Gevilde kikvors = gestrafte persoon (duivel).
  • 204 (verzen 1511-1512). Een Jood die Maria’s lijkkist wil aanranden, wordt op miraculeuze wijze op de grond geworpen. Hij zegt: Ic en sie nyemen, ic ligge en wroete / Al waric een puyt. Dits wonder groot.

 

11a Kikvorsen als negatief ervaren

 

Roman van de Roos ed. 1991 (circa 1230)

  • 55 (verzen 1381-1384). Allegorisch rijmtraktaat. De bronnen in de liefdestuin zijn vrij van kikkers: Je vond ook bronnen hier en daar, / glashelder, niet door het misbaar / van kikker of dikkop veroverd, / maar door de bomen overloverd. We zitten hier in het gedeelte dat geschreven werd door Guillaume de Lorris, en dus gedrenkt is in een hoofse sfeer. Het originele Frans heeft: Il ot par leus bonnes fontainnes, / Sans barbelotes et sans rainnes, / Cui li arbre fesoient umbre, / Mes n’en sai pas dire le numbre [Roman de la Rose ed. 1974: 76 (verzen 1383-1386). Het gekwaak heeft Van Altena dus aan het origineel toegevoegd. ‘Barbelotes’ zijn muggen (door Van Altena vertaald als ‘dikkoppen’). In de Middelnederlandse bewerking van Heinric van Aken (circa 1300) werden de kikkers en muggen weggemoffeld: Menichge fontaine so stont daer, / Die scone waren ende claer, / Die ic en mochte genomen al, / Want ic niet en weet tgetal [Die Rose ed. 1976: 22 (verzen 1289-1292)].

Tondalus’ Visioen ed. 1917 (circa 1470)

  • 9 (handschrift N, regels 1-6). Stichtelijk prozatraktaat, visioen. Handschrift N ontstond rond 1470. Over Ierland: Dit lant is soe suver van serpenten, van vorssen, van padden ende van allen besten [beesten] die venyn dragen, waert sake datment holt [hout] of riemen of horne of gemul uut den lande in ander lant brachten, men solde fenyn daer mede verjaghen. Komt ook voor in andere handschriften, zie ibidem: 6-9.

 

11b Het gekwaak van kikvorsen wordt als negatief ervaren

 

Sancti Hieronymi Epistulae ed. 1991 (384)

  • 164-167 (Brief XXXVIII, paragraaf 5). Brief in Latijns proza, ‘Ad Marcellam’. Over hen die kritiek leveren op ascetische monniken (Engelse vertaling): Let men indulge in even sharper witticisms, if they please, and parade before us their fat-paunched friends. Our dear Blesilla will laugh at them,a nd will not deign to listen to the abuse of noisy frogs [loquacium ranarum]. She knows that her Lord was called by men Beelzebub. Blesilla was één van de vrouwelijke sympathisanten van Hiëronymus in Rome.

Der Byen Boeck ed. 1990 (1451?)

  • 86 (Boek II, hoofdstuk 12, regels 13-18). Stichtelijk prozatraktaat. Want de hillighe apostel sunte iacob secht. So we ment dat he gheestlic is ende sine tunge niet en bedwinget sine ghestlicheit is idel. Egiptus dat alre vruchtbaerste lant wort ghegeyselt mit den ropenden vorschen ende daer omme worden se ghedwunghen moysen to bidden dat he van em neme de vorsche also werden oec verware ghestlike lude mer becoert myt den vorschen dat is mit callen dan werlike lude. Het gekwaak van kikkers wordt hier dus geassocieerd met het te veel praten van religieuzen.

Siecke Stadt ed. 1917 (1539-1564)

  • 24 (verzen 652-653). Rederijkersspel. Het sinneke Hijpocrisije zegt: Want sij sienter die lieuer hooren der vorscen gesanck / dan der rethorijcken geclanck, dus ist beeter gesweegen.

 

12 Kikkers en kraanvogels

 

Ulenspieghel ed. 1980 (1560)

  • 71 (verzen 172-177). Spotprognosticatie. Onder de hoofding ‘Van pays ende oorloghe’ lezen we: Door Martis’ oppositie salder veel ghedrays [onrust] wesen, / Maer door Venus’ conjunctie sal’t wederom pays wesen. / Dit jaer en sal men niet veel kijven sonder spreken. / De vorsch sal dicwils teghen die crane willen steken. / De man sal op ’t wijf dickwils vergrammen. / D’wijf sal ’s mans hooft met eenen stoele kammen. Verwijst de kikker hier naar de vrouw en de kraanvogel naar de man? De regel komt voor in een context van echtelijke ruzie. ‘Steken’ kan betekenen ‘strijd voeren, vechten’, maar heeft tevens een erotische connotatie. Normaal ‘steekt’ de kraanvogel tegen de kikvors, hier is het omgekeerde waar. De man, die normaal de vrouw ‘steekt’, wordt nu ‘gestoken’ (afgetuigd) door de vrouw. Kikker en kraanvogel zijn overigens traditionele aartsvijanden.

 

13 Restmateriaal

 

Proverbia communia ed. 1947 (1480)

  • 42 (nr. 43). Spreekwoordenverzameling. Also langhe tardt men den vorsch dat hi pijpt.
  • 80 (nr. 484). Men sette een vorsch op een stoel hi sprinct weder in sinen poel.

Sinnepoppen ed. 1949 (1614)

  • 104 (Tweede Schock, nummer XLIII). Emblematabundel. De afbeelding toont twee kikkers, de titel is ‘Nerghens beter’. Dit is klaer ghenoegh om sonder uytlegghinghe te passeeren; want de Dronckaerts die daghelijcx singhen, Meum est propositum in taberna mori [ik ben voorbestemd om in de herberg te sterven]. Dese zijn de Vorsschen in de slooten ghelijck, altijdt met de beck in het nat, krytende borrekick/kick/kick/ met een ongracelijck geluyt. De kikker is hier dus een beeld van de dronkaard.

 

[explicit 11 augustus 2021]

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram