Jheronimus Bosch Art Center

MOT

 

1 Mot = iets minderwaardigs

 

Cristenkercke ed. 1921 (kort na 1540)

  • 46 (vers 1122). Rederijkersspel. De sinnekes becommentariëren de verleiding van de maagd Uprecht Simpel Gheloven door de ridder Selfs Goetduncken: want niet waert twe motten der mannen woordt is.

 

2a Mot // vergankelijkheid van de zondige mens

 

Job 4, 19 : God ontdekte zelfs kwaad in zijn engelen: Hoe vele mere van sijn onghestade die in aerden husen wonen die een aerden fondament hebben: si sullen worde(n) verteert als vander motten [Delftse Bijbel ed. 1977].

 

Psalm 39 (38), 11-12: Alleen om de zonde te straffen, slaat Gij den mens, verteert gij als de motten zijn glorie, en is iedere mens maar een zucht. [Petrus Canisius]

 

Jesaja 50, 9: Zie, Jahweh, de Heer, is mijn helper: wie zal mij schuldig verklaren? Neen, ze zullen allen vergaan als een kleed, en de mot vreet hen weg. [Petrus Canisius]

 

Osee 5, 12: Voor Efraim [= Israël] zal Ik zijn als de mot. Voor het huis van Juda als wormsteek. [Petrus Canisius]

 

Fasciculus morum ed. 1989 (XIVa)

  • 52-55 (pars I, cap. v, regels 90-94). Latijns hoofdzondentraktaat. Isaiah 14: ‘Your pride is brought down to hell, your carcass is fallen down; under you shall the moth (tinea) be strewed, and worms shall be your covering.’ [Jesaja 14, 11] Behold, beloved: though a man’s life was flourishing, after his death it is found to be vile and despised.

The Canterbury Tales ed. 1987 (XIVd)

  • 292 (Fragment X, Group I, regel 197). De ‘Parson’s Tale’. Over de zondaars in de hel: Hoor wat God zegt door de profeet Jesaja: ‘Het gewormte (het origineel heeft: motthes) ligt onder u gespreid en maden zijn uw bedekking [The Canterbury Tales ed. 1995: 576]. Vergelijk Jesaja 14, 11.

Uure vander doot ed. 1944 (circa 1516)

  • 111 (verzen 977-978). Strofisch rederijkersgedicht. De ‘ik’ bidt tot God in het aanschijn van de dood: Als een cleet ongheacht dat de motten cnaghen / moet ick sonder appel haest met der spoet sijn.

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 234 (Boek III, refrein 4, strofe a, verzen 8-9). Vroed rederijkersrefrein. Gelijc vuyl etter sal mijn vleesch verrotten / int graf, als een cleet wert geten vanden motten.

Vier Wterste II ed. 1965 (1580-82)

  • 285 (strofe 570, verzen 7404-7405). Strofisch rederijkersgedicht. De stervende dichter heeft een visioen van de hel. Van de zondaars wordt gezegd: Swaermoedich, mispaeyt, vol onghenuchten / laghen sy op de bytende motten ghestreckt. Hier dus motten als onderdeel van de helfauna.

 

2b Mot // vergankelijkheid van de zondige aardse ijdelheden

 

Mattheus 6, 19-20: Verzamelt u geen schatten op aarde, waar roest en worm ze verteren, en waar dieven ze opgraven en stelen. Maar verzamelt u schatten in de hemel, waar roest noch worm ze verteren, en waar geen dieven ze opgraven en stelen. [Petrus Canisius]

 

Jakobus 5, 1-3: Welnu dan, gij rijken; weent en jammert om de rampen die u bedreigen. Uw rijkdom is verrot, uw gewaden zijn verteerd door de mot; uw goud en zilver zijn verroest, en hun roest zal tegen u getuigen en ook wegvreten uw vlees; vuur hebt gij u als een schat opgehoopt voor het einde der dagen. [Petrus Canisius]

 

Handschrift-Jan Phillipsz ed. 1995 (circa 1478)

  • 140 (nr. 117, verzen 33-34). Gedicht, tijdsklacht. Troest vanden zeluere [het roest van het zilver?] roupt om wrake / Die motten des lakens bidden ende caermen.

De Bruyne II ed. 1880 (1579-83)

  • 11 (nr. 44, strofe 4, verzen 1-6). Vroed rederijkersrefrein. Vermaning aan de rijken: En wilt geen schatten vergeeren op eerden schier, / die roesten, vermotten, oft worden gestolen; / maer Godts woort wilt geloovich aenveerden fier; / maeckt u doch schatten in den hemel verholen, / daer roest noch motten en is, oft ghy sult dolen, / & eenlyc derven den schat der genaden.
  • 14 (nr. 45, strofe 3, verzen 1-4). Vroed rederijkersrefrein. Vermaning aan de rijken: Sot is hy die catyvich leeft erm, naect & bloot, / nacht & dach woelende om aertsche schatten groot, / die den roest & de motten duerschaven, / oft dieven nae graven.

De Bruyne III ed. 1881 (1579-83)

  • 137 (nr. 121, strofe 1, verzen 4-16). Vroed rederijkersrefrein. Schout sweirels samblant, al ist u makende / tot wellust, rycdom, hoocheyt telken keere: / tis al niet, soo de propheet betuycht seere. / Als doen hy peysden in wellust te leven al, / hy timmerde huysen & socht sweirels eere, / plantende wyngaerden op berch & dal; / van runderen, schapen had hy een groot getal / & wysheid bleef by hem: wilt dit aenmercken; / maer doen hy aensach syn wercken, int groot & smal, / die syn handt hadde gedaen in sweirels percken, / siet: doen wast ydelheyt niet om verstercken / tsynder sielen, maer vergancklyc als den modt: / sweirels samblant is als dryfsant: niet sonder Godt.

Afval vant gotsalige wesen ed. 1996 (vóór 1598)

  • 119r (verzen 758-759). Rederijkersspel. Goetheijt Ghoodts vermanend tot Die Mensch over de allegorische personages die de zonden en de aardse ijdelheden voorstellen: Al dees moet ghij verlochenen en tegen strijen / dus wiltse mijen als een dootlijcke mot.

Die Ghenaede Goodts ed. 1996 (vóór 1598)

  • 169r (verzen 527-528). Rederijkersspel. Des Gheests Inspiratie zegt: ghij en sult u geen scat op der aerden vergaederende sijn / daerse die motten eeten off den roest versmelt.

De Rijcke Wrecke ende Lazarus ed. 1993 (XVIB)

  • 42r (verzen 399-400). Rederijkersspel. Liefde zegt: Met tverganckelijck goet mach worden gevonden / themelsche schadt twelck geen modt can bederven. Motten kunnen de hemelse zaligheid dus niet aantasten, dit in tegenstelling tot de aardse dingen.

 

3 Mot // Invidia (Nijd)

 

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 247 (nr. 65, strofe f, verzen 9-10). Vroed rederijkersrefrein. Over de nijd: Gelijck de motten een cleedt doorcnagen, / zoo bederft nijdt de gheene dien dragen.

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 105 (fol. 375r, verzen 20-23). Vroed rederijkersgedicht. Over de Nijd: Nydicheit es als een woorme int hout gheseten / beroestheyt int ysere / als een motte int cleed / want zo dees hem zeluen inde materie eten / zoo eit de nydeghe mensche hem seluen ghereed.

 

4 Mot // droefheid (Tristitia)

 

Spreuken 25, 20: Ghelijc dat die motte den clederen ende die worme den houte deert: also deert eens mans zericheit der herten [Delftse Bijbel ed. 1977: z.p. (het boek Parabolae Salomonis I)].

 

Dietsche doctrinale ed. 1998 (1345)

  • Z.p. (boek III, verzen 6030-6035). Stichtelijk prozatraktaat. Salomon aldus ghewaecht / ghelijc dat die motte dore knaecht / die cledre menechfout / ende die worm et dat hout / alsoe bederft meer no min / bedroeftheit des menschen sin.

Spiegel der Sonden ed. 1900 (XIV)

  • 128 (Deel IV: Traechede, hoofdstuk 62, verzen 10.056-10.060). Stichtelijk rijmtraktaat. Over droefheid in de dienst van God, wat grote zonde is: Hier up so secht die wise man: / Ghelike dat die motten den clede / ende die worme den houte doen lede, / also brenghet droefheit an / dere den herte vanden man.

Mellibeus ed. 1950 (circa 1425)

  • 56-57. Stichtelijk prozatraktaat. Ende salomon seyt: Ghelijcker wijs als die motte versliet dat cleet ende dat cleyn wormken dat hout, desghelijx deert die bedructheit dat hertte des mynschen.

Spiegel der Sonden ed. 1901 (1434-36)

  • 180 (Deel IV: Traechede, hoofdstuk Eh, regels 31-34). Stichtelijk prozatraktaat. Droefheid tonen in de dienst van God is grote zonde: Salomon seet: gelijc dat die mot den clederen is Ende die worme den houte lede doen Alsoe brengt droeffheit den minschen verdervenisse in.

Indestege ed. 1951 (XVd)

  • 39 (nr. VIII, verzen 1-10). Gedicht (‘Teghen die quade droefheit’). Die oude wise scriven overal / dat men bedroeft nyet sijn en sal, / mer blide in goeder wise / staet zeer in haren prise. / Des Salomon alsus ghewaecht: / ghelijc als die motte doercnacht / die cleder menichvout / ende die worme eten thout, / alsoe verteert meer noch min / bedroeftheit des menschen sin.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 215 (nr. 58, strofe a, verzen 1-3). Amoureus rederijkersrefrein, amoureuze klacht van vrouw. O liefste, hoe mueght ghij mij dus deerlijck plagen! / Gelijck de motten een cleedt doorcnagen, / zoo doorboordij mijns herte, en weets waer clagen.

 

5 Mot = hoerige vrouw of hoerig meisje

 

Piramus en Thisbe ed. 1965 (circa 1500)

  • 142 (verzen 310-312). Rederijkersspel. De twee sinnekes parodiëren Piramus en Thisbe. Het sinneke dat de rol van Piramus speelt zegt tot het sinneke dat Thisbe speelt: Och alderliefste motte, rolle / als een botte molle, widt gecoluert, / hoe heb ick om u seer lang getruert.

Salomon ende Marcolphus ed. 1941 (1501)

  • 6. Postincunabel, volksboek. Salomon zegt: Enen witten doec chiert wel eenre vrouwen hooft. Marcolphus repliceert: Het staet ghescreven, den pels of het voeder [de voering] en is nyet alsulck als dye mouwen. Onder eenen witten doec bercht haer wel een motte. Salomon zegt iets positiefs over vrouwen en Marcolphus relativeert dat, via de technieken denigrerende omkering en verdierlijking. ‘Mot’ is hier dubbelzinnig: het woord kan verwijzen naar een echte mot, maar ook naar een hoerige vrouw.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 133 (nr. 198, vers 16). Zot rederijkersrefrein. Een hoertje zegt tegen een klant: ghij weet wel ic bin v liefste motteken. Hetzelfde in Doesborch II ed. 1940: 209 (nr. 115, vers 16): Ghi weet wel ick bin v liefste motken.

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 62 (nr. 54, strofe 5, verzen 1-9). Zot liedje (‘Vanden boonkens’). Dan isser menich polleken / so aerdich op den tre / si draghen een siluer dolleken / een mesken fraey van sne / ende een bonten calierken me / Dan trouwen si een motteken / oft een ghebroken potteken / Si torten so lief int rotteken / Men vint so menich sotteken.

Leander ende Hero ed. 2002 (1621)

  • 147 (Spel 2, verzen 500-501). Rederijkersspel. Het sinneke Den Roover der Amoureuse Zinnen scheldt zijn collega Liefs Ghebruyck int Feyt van Minnen uit, deze verwijtend dat zij hoertjes weet voor te stellen als eerbare meisjes: En ghy verkoopt voor eerzame de vuyl motten, / en voor goet en gave de ghebroken potten. Naast ‘vuile motten’ en ‘gebroken potten (kruiken), worden in de voorgaande verzen (495 / 497) ook nog de termen ‘sluipratten’ en ‘kamerkatten’ gehanteerd voor hoerige vrouwen.

 

6 Mot: restmateriaal

 

De Bruyne I ed. 1879 (1579-83)

  • 88 (nr. 20, strofe 2, verzen 8-10). Vroed rederijkersrefrein. Vermaning tot de gierige rijken: ghy ryckaers, gebont, gefluweelt, in sweirels blincken, / ghy laet de motten u cleeren mincken, / & u broeder gaet naeckt voerby u dueren. De rijken laten dus liever hun kleren wegvreten door de motten dan ze aan de armen te geven.

De Bruyne II ed. 1880 (1579-83)

  • 59 (nr. 56, strofe 5, vers 1). Strofisch rederijkersgedicht. Over de Fransen die Antwerpen aanvielen in 1583: Seer naer een jaer hebdy hier liggen vermotten. Vermotten: zijn tijd verslijten, niets doen.

 

[explicit 26 mei 2022 – Eric De Bruyn]

 

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram