Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90

OOIEVAAR

 

Er zijn twee soorten ooievaars: een witte (ciconia ciconia / ciconia alba) en een zwarte (ciconia nigra). In de middeleeuwse bronnen gaat het meestal om de witte ooievaar, net als op het middenpaneel van Bosch’ Tuin der Lusten.

 

Masami Okubo, “Notre-dame ou la fille du Diable? Ambiguïté de la cigogne”, in: Reinardus, vol. 7 (1994), pp. 65-79. In deze bijdrage wil Okubo aan de hand van enkele minder bekende teksten, zonder daarbij volledigheid na te streven, aantonen dat de ooievaar in de Middeleeuwen zowel positieve als pejoratieve connotaties heeft [pp. 65-66].

 

Over de symboliek van de ooievaar, zie ook: Dom Pierre Miquel, Dictionnaire symbolique des animaux – Zoologie mystique, Parijs, 1992, pp. 101-108, en: Herbert Friedmann, A Bestiary for Saint Jerome – Animal Symbolism in European Religious Art, Washington D.C., 1980, pp. 297-298.

 

Over de ooievaar-folklore zie ook: Handwörterbuch des deutschen Aberglaubens, herdruk 2021, deel 8, pp. 498-507.

 

1 De ooievaar in de Bijbel

 

Leviticus 11, 17 / Deuteronomium 14, 18

 

De ooievaar wordt in Middelnederlandse vertalingen van het Oude Testament genoemd onder de onreine vogels (ook Bax 1948: 81, vermeldt dit). De vogel die in de Vulgaat (in Leviticus 11, 17 en Deuteronomium 14, 18) twee maal vermeld wordt als ibis, wordt in de Delftse Bijbel (1477, ed. 1977) twee maal weergegeven als den oudeuader. De Eerste Historiebijbel (1360) geeft in Leviticus den odevare [ed. 1977: 145], en in Deuteronomium eveneens den odevare [ed. 1977: 243].

 

Exodus 2

 

In de Noordnederlandse Historiebijbel [ed. 1998: 308], tekstbron uit 1458, wordt onder verwijzing naar de Historia Scolastica, hoofdstuk 2 van Exodus aangevuld met het verhaal van Mozes die met zijn Egyptische troepen Ethiopische invallers achtervolgt, en daarbij ooievaars loslaat om de woestijn waar zij doorheen moeten en die een kortere weg is, te zuiveren van adders en slangen: Mer dat en mocht men niet reysen om der venijnden dieren willen die in der woestinen waren. Doe dede Moyses nemen voel wagenen mit corven mit oudevaren. Doe si in der woestinen quamen, doe liet Moyses die oudevaren vliegen ende die aten die adderen ende die slangen. Ende doe toech Moyses mit sijn volc in Etyopien ende was eer daer int lant, dan die den roef gehaelt hadden.

 

Hetzelfde verhaal lezen we ook in Jacob van Maerlants Rijmbijbel [I ed. 1858: 159-160 (hoofdstuk 77, verzen 3562-3574), tekstbron uit 1271]: There leedde hi tors ende voet / mids in die woestine sonder sparen / die alle vul serpenten waren. / Met hem voerdi odevaren [de Hist. Scol. heeft ciconias] / in husekine die byesin waren [in biezen huisjes]. / Dat sijn vogle die haten / worme ende serpente utermaten. / Ende daer si laghen, liet sise ghaen / dat si verdorven die worme saen. / Ende waren in Ethiopen comen / eer mens twint hadde vernomen / ende eer die andre waren ghekeert / die Egypten hadden onteert.

 

De bron van dit verhaal is blijkbaar Flavius Josephus’ Antiquitates Judaicae [I ed. 1996: 155 (Boek II, 246), tekstbron uit 93/94 na Chr.], waar echter sprake is van ibissen: Hij [Mozes] liet manden maken van papyrusriet. Ze leken op houten kisten. Die manden stopte hij vol met ibissen, en die nam hij mee. Ibissen zijn de ergste vijanden voor slangen. Zodra ze die zien, gaan ze op de vlucht. Op de vlucht worden ze dan door de ibissen gegrepen, precies zoals herten dat doen, en met huid en haar verslonden. Ibissen zijn overigens tamme beesten, ze zijn alleen agressief tegen slangen.

 

De schijnbare verwarring ooievaar/ibis wordt verklaard door een passage in Reis van Jan van Mandeville ed. 1908: 36 (regels 13-15), waarin over de Nijl in Egypte gezegd wordt: Omtrent den oeuer van deser riuieren sijn vele odeuaern, diemen daer heet ybes.

 

Jeremias 8, 7

 

Dit Bijbelvers luidt in de Delftse Bijbel (1477, ed. 1977): Die wuwe bekende inden hemel hare(n) tijt; die tortele die zwaluwe ende die odeuaer wachten den tijt haers toecome(n)s; mer mijn volke en kende des heren vonnisse niet.

 

2 De ooievaar in bestiaria en aanverwante teksten (niet-symbolische info)

 

Florence McCulloch, Mediaeval Latin and French Bestiaries, Chapel Hill, 1962, p. 174: ‘STORK ciconia. According to the Aviarium (i.42), repeating Isidore (xii.7.16,17), storks are named after the rattling sound which they make by striking their beaks. They are harbingers of spring, companions of society, and enemies of snakes. When they cross the sea to Asia, crows lead them. They care for their young diligently, and the young reciprocate when their parents grow old. Ovid noted the stork’s clattering noise (Met. vi.97), and Pliny (x.23.31,32) speaks of the attention of the young to their parents, a trait also mentioned by Aristotle (ix 615b 23). In Latin bestiaries the stork is usually portrayed in a recognizable manner with a frog in its mouth (Bodl. 764, f. 64) or with a snake (Bodl. 602, f. 62v.).’

 

Over de ooievaar in middeleeuwse handschriften, zie ook: Brunsdon Yapp, Birds in medieval manuscripts, Londen, 1981, pp. 14-15 / 18.

 

Over de ooievaar in bestiaria-handschriften, zie ook: Wilma George en Brunsdon Yapp, The Naming of the Beasts – Natural history in the medieval bestiary, Londen, 1991, pp. 126-128.

 

Etymologiae XII ed. 1986 (7de eeuw)

  • 234-235 (boek XII, paragraaf 16). Didactisch prozatraktaat. Latijn. De ooievaars (ciconiae) maken met hun bek een klepperend geluid. Zij kondigen de lente aan, zijn zeer sociaal, haten slangen, vliegen over de zee en verzamelen in grote groepen om naar Azië te vliegen. Kraaien vliegen met hen mee.

De universo ed. 1852 (9de eeuw)

  • 244-245 (boek 8, hoofdstuk 6). Latijns prozatraktaat (Rabanus Maurus). Mijn vertaling: Ooievaars (ciconiae) heten zo vanwege het geluid waarmee ze, zoals krekels (cicaniae), klepperen, welk geluid eerder een bekgeluid dan een stem is, omdat ze het maken door met hun snavel te slaan.Deze vogels zijn boden van de lente, gezellen van de samenleving, vijanden van serpenten. Zij vliegen over de zeeën, en reizen als een gezamenlijke troep naar Azië. Kraaien gaan hen als leiders vooraf, en zij volgen als waren zij een strijdmacht. Hun genegenheid voor hun jongen is groot. Want ze koesteren de jongen zo intens, dat ze tijdens de lange broedtijd hun pluimen verliezen. Voor de allegorische interpretatie, zie verder.

Aviarium ed. 1992 (1132-52)

  • 212-213 (hoofdstuk 47). Latijns aviarium. De ciconia. Storks (ciconiae), like crickets (cicaniae) are so called from their chattering sound, which is considered to be a sound of the beak rather than of the voice, because they make it by clacking the beak. These messengers of Spring, companions of society, enemies of snakes, fly across the sea, and proceed as a flock into Asia. Crows precede them as leaders, and the storks follow like an army. Storks have an exceptional sense of duty toward their offspring. For so much more than other birds do they warm their nests, that they constantly pluck out their feathers in brooding. Moreover, as much time as they spend in rearing a brood, so much are they in turn nourished by their offspring. Voor symbolische betekenissen, zie hieronder.

De bestiis et aliis rebus ed. 1854 (XII)

  • 43 (boek I, hoofdstuk 42). Latijns prozatraktaat (Pseudo-Hugo van St. Viktor). Mijn vertaling: De ciconie naturae. Ooievaars (ciconiae) worden zo genoemd vanwege hun klepperend geluid, welk geluid eerder een mondgeluid is dan een stem, omdat ze het maken door met hun snavel te slaan. Deze vogels zijn de boden van de lente, vrienden van de maatschappij, vijanden van serpenten, zij vliegen over de zeeën en reizen samen in een zwerm naar Azië. Kraaien vliegen voor hen uit als leiders en zij volgen als ware het een strijdmacht. Zij hebben hun jongen ten zeerste lief, want steeds verwarmen zij hun nesten zozeer dat zij hun pluimen uittrekken tijdens het voortdurend broeden. En zoveel tijd als zij besteden aan het grootbrengen van hun jongen, zoveel tijd worden zij op hun beurt door hun jongen gevoed. Vervolgens worden deze kenmerken allegorisch geduid. Zie verder.

Unterkircher ed. 1986 (XIIIa)

  • 43-44. Bestiarium (Oxford, Bodleian Library, MS. Ashmole 1511). Auch die Störche fliegen in vereinten Scharen über die Meere. Sie tragen ausserordentliche Liebe zu ihren Jungen. Ihre Nester halten sie mit solchem Eifer warm, dass ihnen beim ständigen Brüten die Federn ausgehen. Für die Aufzucht der Jungen verwenden sie lange Zeit, werden aber dann ebensolang von ihren Jungen erhalten. Voor symbolische betekenissen, zie verder.

Bestiary ed. 1993 (1230-50)

  • 131-132. Latijns bestiarium (Oxford, Bodleian Library, MS Bodley 764). Storks are called ‘ciconie’ in Latin because their cry is like that of the cicadas, and they make it with their beaks rather than their voice, using the clashing of their beaks. They are the messengers of spring, gregarious, enemies of snakes. They fly across the sea in great flocks towards Asia. These birds are said to have no tongues. Crows fly in front of them as leaders, and they follow like an army. Their love for their young is extraordinary. For they keep the nests so warm that their feathers fall out with the continuous incubation. The same length of time that they spend bringing up their young is spent in return by their offspring in caring for the parents. Voor een symbolische betekenis, zie verder.

De natura rerum ed. 1973 (1244)

  • 188-190 (boek V, hoofdstuk 28). Latijns prozatraktaat (Thomas van Cantimpré). Mijn vertaling: Ooievaars, zegt Isidorus, hebben een asgrauwe kleur. Volgens Solinus heten ze ooievaar (ciconia) vanwege het geluid waarmee ze klepperen (crepitant), wat eerder een geluid van de bek dan een stem is. En zij klepperen om vier redenen: bij de ontmoeting met een soortgenoot, en dit uit blijdschap; bij het overvliegen van vogels, en dit uit vrees; als ze kwaad zijn, en dit ter verdediging; en bij een overwinning zoals de haan, en dit van zelfgenoegzaamheid. De ooievaar legt eieren of brengt jongen groot naargelang er te weinig of voldoende voedsel is: meerdere bij verwachte overvloed, weinig bij verwachte schaarste, maar nooit minder dan drie, tenzij toevallig één van de gelegde eieren verloren gaat. Wanneer de ooievaar stevige wind voelt aankomen of een hevige hagelbui – stomme dieren zijn namelijk bedreven in het waarnemen van windrichtingen – dan buigt hij zich met gespreide vogels en de bek naar de wind gekeerd over de jongen en voor hen trotseert hij vaak gevaren.
  • Als ze de zeeën oversteken, begeleiden kraaien hun zwerm. Ambrosius en de grote Basilius zeggen dat zij naar streken in het oosten trekken, dat zij reizen in een troep zoals kraanvogels, en dat de kraaien hen helpen te vechten tegen vijandige vogels, wat bewezen wordt doordat zij soms met bloedende wonden terugkeren naar hun gewone plek. In Thessalië genieten ze omwille van het feit dat ze serpenten uitroeien zoveel eer, dat het een halsmisdaad is, ja zelfs een moord, om een ooievaar te doden, zoals Plinius vermeldt. Groot is hun affectie voor de jongen, zodanig dat als ze met plezier hun nesten verwarmen, ze pluimen uittrekken tijdens de lange broedtijd. Maar de jongen vertonen niet minder genegenheid voor hun moeder. Want even lang als de moeder tijd besteedt aan het verzorgen van de jongen, wordt zij door de jongen verzorgd. Daarom wordt de ooievaar een liefhebbende vogel genoemd. Zij keren jaarlijks terug naar hun nest. Wanneer ze toch niet willen terugkeren naar hun nest, meent het onwetende volk dat zij een eenzame verblijfplaats maken op zoek naar rust en verlatenheid. Het blijkt dat de ooievaar een zeer reumatische kop heeft, doordat water bijna voortdurend van zijn bek druipt, en dit meer in de winter. Deze vogelsoort aast op vele plaatsen op serpenten, en ofschoon hij deze en andere giftige dieren opeet, sterft hij er niet aan, zoals Adelinus zegt. Padden eten zij echter niet, tenzij zij grote honger hebben, en hieruit blijkt de kwade aard van de pad. Plinius zegt dat de maag van de ooievaar een remedie is tegen gif. Zij werpen één van hun jongen, als het gepluimd is, naar beneden bij wijze van geschenk aan de heer op wiens huis zij broeden. Maar wellicht is de oorzaak hiervan eerder dat zij het jong niet willen voeden.
  • Vanwaar ze komen of waar ze heengaan, is tot nu toe onzeker. Solinus zegt dat ze bij hun vertrek samenkomen op een bepaalde plaats, en ze laten niemand van hun soort achter, tenzij deze gevangen zit. In Azië is er een veld, waar ze samenkomen en lawaai maken, en degene die laatst aankomt, verscheuren en doden ze. Volgt dan het verhaal van het overspelige ooievaarsvrouwtje (zie infra).

Der Naturen Bloeme I ed. 1980 (circa 1270)

  • 197-199 (boek III, verzen 807-856). Natuurkundig rijmtraktaat. Cyconia dats die odevare, / die met den becke maket mare: / anders en heeft hi luut noch sanc, / dan dat hi daer mede maect clanc. / Men seyt dat hi jonghe winnet, / na dien dat hi int lant kinnet / dat bejach, es groet of clene. / Wederwijs (op de hoogte van het weer) sijn si alle ghemene, / ende als hi quaet weder vorsiet, / hine begheeft die jonghen niet. / Hi keert sijn hovet in den wint, / ende beschermetse als diese mint. / Alsi over zee varen, / so leden die craien die scaren; / ende si vechten te samen bede / jeghen die hem allen doen lede. / Dit es gheproevet bi hem somen, / die ghewont te neste comen. / Ambrosius ende Baselis mede/ segghen dit over waerhede. / So lief sijn si in Tessalen, / hi moet metten halse betalen / so wie dat doet den odevare, / want si serpenten verteren dare. / Plinius die wille bekinnen, / dat si doersere (zeer veel) haer jonghen minnen. / Oec sijn die jonghen hare moeder goet, / want also langhe voeden sise weder. / Te haren neste beten si neder / van jare te jare, als et wel scijnt. / Al eten si worme ghevenijnt, / si ne bliver niet of doet; / padden scuwen si, ende en doen die noet. / Die crop van den odevare / ende die maghe, seght openbare / Plinius, dats medicine / jeghen die cracht van venine. / In wat lande dat si varen / es mensche onbekent te waren. / Alsi wech willen, seghet Solijn, / in wat jeghenode dat si sijn / versamen si op een velt ghemene, / ende sine later achter enghene, / eer si hare vaert bestaen, / en ware dat si waren ghevaen. / Een velt es in Asia, / daert al versament verre ende na. / Die achter coemt, dat sietmen dicken, / dien so schoeren si te sticken.

De animalibus ed. 1987 (XIII)

  • 213-214 (boek 23, paragraaf 35, nr. 24). Natuurkundig prozatraktaat, Latijn (Albertus Magnus). Ciconia (Stork) is a well-known bird whose name is taken from the clicking noise it makes with its beak. The coloration of this bird is a combination of white and black, its wings being black, its tail and other parts being white. One species of stork is completely black on its dorsal region and off-white on its belly; it builds nests in marshy wastelands rather than on houses occupied by humans. This bird is more aquatic than terrestrial and feeds on fish, earthworms, frogs and some nonvenomenous snakes; also, it shows no hesitation in consuming mice and enjoys meat and eggs fried in oil. But, it does not eat truly poisonous animals such as toads. When it catches a small animal, the stork first crushes the body repeatedly between the jaws of its beak until the animal’s bones are comminuted; then it swallows the animal whole, retaining it in the crop until soft enough to pass into the stomach. When feeding its young, it regurgitates this macerated food and serves the nourishment to its delicate fledglings. Sometimes when it is unable to feed the entire brood, it ejects one of the pullets from the nest. A common belief among city folk is that storks offer these rejected birdlets to their human landlords in payment for the privilege of nesting on the roofs of urban dwellings.
  • The stork has a very strong beak and fights with considerable acerbity for its nest. When about to do battle, it lowers one wing in front of its leg as a shield and sometimes fights several opponents to the death. It even attacks eagles and other birds of prey in defense of its young; if it is unable to ward off the predators on its own, it calls for the help of other storks; as a result, many storks mobilize for the assault, aligning themselves as if in battle array against a common foe.
  • The stork emits its bill-clattering call by opening and closing its beak in rapid succession. The staccato sound is especially noticeable when it greets a companion, expresses delight over a victorious fight or shows satisfaction over the well-being and feeding of its young. In any of these circumstances it continues to make the raucous sound for a long time, all the while flexing its head backward and forward over its back. When stirred by fear, it sends forth a shorter call to invoke help. A stork which senses any unfriendly or unaccustomed presence at night betrays its dread by fluffing its plumage, thereby enlarging its image.
  • 214 (boek 23, paragraaf 36, nr. 24). According to legend, the stork tends to the wants of its parents for the same length of time as the parents had nurtured its needs during infancy. Hence, the ancients revered the stork as a model of filial piety.
  • Some misinformed individuals have upheld the untenable claim that storks migrate to parts of the Orient during the winter, and that there is an open plain in Asia where they await the arrival of their fellows. The same authors claim the storks bite and peck at stragglers in the flock which delay the progress of the migration, in the same way that crows round up and defend truant members of their flocks but in the process peck at the vagrants until they return to the flock wounded and covered with blood. This story of the storks is patently false for three reasons. First, the zones of latitude that extend from East to West have the same climatic conditions in terms of heat and cold; therefore there would be no advantage for the storks to migrate eastward in the winter. Second, it is well known that the storks leave the entire region in which we live and remain in no part of this habitable world. Third, the stork is a cold-blooded bird that consumes cold, viscous foodstuffs and consequently must hibernate during the season when phlegm is generated, as we explained before. In all truth, the location of the stork’s hibernation has never been ascertained, since at that time they hide away in marshy wastelands and coverts, secreting themselves like other hibernating animals.

Livres dou Tresor ed. 1993 (XIII)

  • 120-121 (boek I, hoofdstuk 160). Oudfrans prozatraktaat (Brunetto Latini). The stork is a bird without a tongue, and this is why people say that it does not sing, but it pecks with its beak and makes a great commotion. They are enemies of the snake, which is why the ancients forbade them to be killed. [2] At the beginning of spring they come to live among us, and they build their nests and have their little ones. They are so solicitous in protecting them and nourishing them that all their feathers fall off of their underside, so that it sometimes happens that they cannot gly, and then the little ones feed and protect them as the parents did for them. [3] When the summer comes to an end and the weather begins to turn to winter, they gather together in great flocks and cross over the sea and go to Asia in such a way that the crows always precede them as guides and leaders. You should know that the last one to arrive in Asia, in that spot where the others have gathered, has its feathers plucked and is cruelly cut to pieces by the others. [4] For this reason we can know that birds and beasts have some knowledge which nature has given them. Volgt dan een verhaal over een ooievaarswijfje dat ten onrechte van overspel werd verdacht. Paragraaf [5] begint dan met: In the Nile River there is a kind of bird which resembles a stork, and it is called an ibis. Déze vogel eet krengen op de oevers, want hij kan niet zwemmen, en als hij buikpijn heeft, spuit hij zout zeewater in zijn anus om zichzelf te reinigen van onzuiverheden. Dit zou Hippocrates op het idee van lavementen hebben gebracht. Ovidius beschouwde de ibis als het smerigste schepsel dat hij kende.

Buch der Natur ed. 1897 (circa 1349-50)

  • 145-146 (Boek IIIa, hoofdstuk 16). Natuurkundig prozatraktaat. In Duitse hertaling: Ciconia heisst ein Storch oder, in anderem Deutsch, ein Adebar. Dieser Vogel ist, nach Isidorus Angabe, aschgrau. Solinus sagt, der Vogel habe keine Stimme und könne nur mit dem Schnabel klappern. Er klappert aus drei Gründen. Einmal wegen der Jahreszeit, die so wonnig und warm ist. Da klappert er vor Freude. Er klappert aber auch, wenn er sich vor anderen Vögeln, die über ihn hinfliegen, fürchtet, und endlich aus Zorn, wenn er sich rächen will. Wenn die Störche über das Meer fliegen wollen, so fliegen die Krähen ihnen voraus und zeigen ihnen den Weg hinüber. Die Störche bemühen und sorgen sich sehr um ihre Jungen, die sie zärtlich lieben, reissen sich die eigenen Federn aus und legen sie beim Brüten in das Nest, damit die Jungen weich sitzen. Umgekehrt hegen auch die jungen Störche grosse Zuneigung zu ihren Müttern, widmen ihnen ihre Sorge ebenso lange, wie diese sie ihnen gewidmet haben und nähren sie auch so lange. Daher heisst der Storch der sanfte Vogel. Er hasst die Schlangen sehr und stellt ihnen fleissig nach. Adelinus bemerkt, dass der Storch, wenn er auch die Schlangen und andere giftige Dinge fresse, doch nicht daran zu Grunde gehe. Kröten frisset er nur, wenn ihn der Hunger plagt. Man erkennt daraus, dass die Kröten ein starkes Gift sind im Vergleich zu anderen Giften, wie Plinius sagt. In Asien liegt ein Feld, auf dem die Störche sich versammeln und mit einander klappern, als ob sie sprächen. Den Letzten, der ankommt, zerreissen sie und fliegen von dannen. Die Störche tödten ihre Weibchen, wenn sie die Ehe gebrochen und nach ihrem Vergehen nicht im Wasser sich gereinigt haben. Das hat man oft gesehen.

Van den proprieteyten der dinghen (1485, Jacob Bellaert, Utrecht)

  • Boek XII, hoofdstuk 9, regels 34.241-34.316. Incunabel (digitale editie: dbnl.org). Dat ix. Capitel vanden oudeuaer. Cyconia dat is een oudeuaer / dese pleecht hem seluen te meysteren mit sinen beck / want wanneer dat hi yet quaets inden liue voelet soe vliecht hi mit sinen gheselle op die zee ende daer neemt die een die daer gesont is vanden ghesouten water ende spoyst den anderen in sijn eynde ende set hem een clistier ende daer af sijn die clisteren gecomen ende hi wort ghenesen.
  • Dese voghel leeft vanden serpenten van visschen ende van vorsschen ende van deser gelijc ende hi maect een gheluyt mit sinen becke oft twe sculpen waren ende hi is een voerbode vanden leynten ende brengt ons vernuwinge des tijts ende is viant der serpenten hi steectse mit sinen beck ende dootse ende onderwilen slint hise ende hi mint dat menschelike gheselscap / ende daer om wonen si gaern opten huzen ende maken daer haer nesten ende si en laten haren eersten nest niet gheern after ten si dat sijt van node laten moeten ende si maken hoer nest seer vast van houte van wijngaert rancken ende van menigherhande riseren ende des winters als si voert willen so vullen si hoer nest mit stenen mit benen ende mit aerden op dat hi des winters ymmer niet af wayen en sal op dat si dien weder vinden moghen teghen die leynten…
  • … ende also langhe alst wijf leeft so en voecht hem die man tot ghenen anderen wiue. mer hy houdt hoer trouwe als totter winninghe der ionghen ende totten nest te maken Ende gheuielt dattet wijf ouerspel dede soe en soude die man mitten wiue geen geselscap hebben noch mede wonen mer hi soudse mitten becke biten slaen ende dodense hadde hijs macht als aristotiles seyt Die man en doet den wiue niet dan inden nest…
  • … ende die man verwandelt sijn stonde inden broeden mitten wiue als nv broedt die een ende als nv die ander ende hi mint sijn iongen mit groter begeerten ende verwaertse ende als die vader inder weyden is soe is die moeder opten nest ende also weder om als die man coemt so vlieget twijf ende die man verwaert die iongen als ambrosius seyt…
  • … Die oudeuaers vliegen ouer die zee mit enen gegaderden here te gader tot warmen landen ende als si en wech willen soe hebben si leydsmannen die voir vliegen of daer enighe voghelen teghen quamen die hem misdoen wouden / alsmen seyt in exameron / ende al ist sake dat si venijnde dingen eten als vorschen serpenten ende deser gelijc nochtans en gaet dat venijn der naturen des odeuaers niet bouen noch en verkeert sijn natuer niet ende daer om ist hem een sadinghe ende een voetsel want die grote hetten die si binnen hebben lescht dat venijn altemael…
  • … Item si werden in haren ouderdom van horen iongen gheuoedt ende want die ouden die iongen also vol gedaen hebben in hare ioecht daer om louen die kindern den ouders weder als ambrosius seyt Item wanneer dat die iongen eerst wt comen so hebben si been voeten ende becke gelijc een lam / mer alleyncsken als die swarticheyt vast vergaet soe beghinnen si vast meer te roden ende hoe dat si dagelix meer beghinnen te ouden hoe dat si roder werden als becke ende die been Deze tekstbron wordt ook gesignaleerd in Bax 1948: 81.

Hortus sanitatis 1491 (Mainz, Jacob Meydenbach, 1491)

  • Fol. x4r (Tractatus de avibus, hoofdstuk 27). Latijns prozatraktaat, incunabel. Mijn vertaling: Uit Isidorus: de ooievaars (ciconie) heten zo omwille van het geluid waarmee ze klepperen zoals krekels (cicanie), welk geluid eerder een bekgeluid dan een stem is, omdat ze het maken door met hun snavel te slaan. Zij zijn de boden van de lente, de gezellen van de samenleving, de vijanden van de serpenten en zij vliegen over de zeeën. Gezamenlijk reizen zij naar Azië in een troep. Kraaien vliegen voor hen uit als leiders en zijzelf volgen als waren zij een strijdmacht. Uit het Liber de natura rerum: in Thessalië wordt de ooievaar zo geëerd omdat hij serpenten uitroeit, dat het als een misdaad wordt beschouwd als men hem doodt, alsof het een mens betrof. Op vele plaatsen jaagt hij op serpenten, hij eet die en andere giftige dieren op, maar sterft er niet van. Padden eet hij echter niet, tenzij hij grote honger heeft, waaruit de kwaadaardige natuur van de pad blijkt. Men stelt vast dat de kop van de ooievaar zeer vatbaar is voor reumatiek, omdat het water bijna voortdurend uit zijn bek druipt, en dit vooral in de winter. Ze keren elk jaar terug naar hun nest terug. En zij werpen één van hun jongen als het pluimen heeft uit het nest, alsof het een geschenk betreft aan de heer van het huis waarop zij broeden. Maar wellicht doen ze dat veeleer omdat ze dat jong niet willen voeden. Sommige volksmensen zeggen dat zij het doen om God Zijn recht op tienden te geven. En daarom komen of wonen ze niet in Thüringen, zoals de ervaring leert, omdat men daar geen tienden geeft. Bij hun vertrek (zegt Solinus) komen ze samen op een bepaalde plek en zij laten niemand van hun soort achter, tenzij deze gevangen zit. In Azië is er een veld waar ze vergaderen en lawaai maken en degene die laatst aankomt, verscheuren en doden zij. Ook weer uit het Liber de natura rerum: de ooievaar wordt een liefhebbende vogel genoemd. Want als de oude ooievaars hun pennen verliezen en hun eigen voedsel niet kunnen zoeken, dan verwarmen de jongeren de koude ledematen van de ouders en onderhouden zij hen, totdat hun vleugels weer sterk zijn geworden. Zoals ook Isidorus zegt. Volgt dan het verhaal van het overspelige ooievaarsvrouwtje (zie infra). En ten slotte enkele ‘operationes’ (medische toepassingen).

Der dieren palleys 1520 (Antwerpen, Jan van Doesborch, 1520)

  • R2r-R2v (boek 2, hoofdstuk 27). Prozatraktaat, postincunabel. Isidorus seyt. Ciconia die oyuer is een voghele die clappert met sinen becke en(de) maect groot gheluyt. Dese vogel is een voorbode vanden meye si sijn via(n)den vanden serpemten. In Asia vergaderen si met eenen groten hoop ende vlieghen dan ouer zee, en(de) dye crayen vlieghen vore recht oft si hem dye weghen wesen ende die oyuers volghen metten hoep na. In dat boeck van die natueren der dinghen. Die in Thessalien eenen oyuer doode die soude dat lijf ende leuen soe wel v(er)bueren als oft hi een man doot hadde gheslaghen. En(de) dese voghel vermaect alle iaer sijn nest. ende waer hi die serpenten vindt die veruolcht hi ende eet die. Die padde en eet hy niet ten ware door groten honger waer door datme(n) mercket dat natuerlijc quaet der padden. En(de) si werpen wt eene(n) van haren ionghen als hi volwassen en(de) ghepluimet is voor een tribuyt de(n) heer daer si nestelen. en(de) somighe segghen dat si god den ionge(n) gheue(n) voor haer thienden Daerom ist in thoringia daermen gheen tiende en gheeft daer en come(n) si niet noch si en woenen daer ooc niet als dat iaerlijcs beuonden wert. Solinus seyt. Als si wech willen vergaderen si in een seker plaetse so dat van hem nyemant en wert achterghelate(n) sondere die gheuanghen sijn. In Asien is eenen campe daer si verghaderen en(de) haer morringhe ende raet houden ende dye daer die laetste comt den verschueren si ende vlieghen dan wech. De oyuaer is een goedertieren vogele want als de oude oyuaers haer pe(n)nen ontualle(n) dat si niet vlieghen en co(n)nen noch haer spijse ghehalen, dan comen die ionghers en(de) onderhoude(n) die ouders van eeten tot dat si weder vlieghen connen en(de) haer pennen volwassen sijn. Volgen dan het verhaal van het overspelige ooievaarsvrouwtje (zie infra) en enkele medische toepassingen. Hier wordt ook vermeld (al is het geen medische toepassing): Men vint ooc oyverrs [sic] die opden rugghe gheheel swart sijn ende onder den buyck sijn si wit maer dye hebben hare nesten by dye wilde deserten in dye natte ende vochtighe plaetsen.

 

3 Ooievaar = Christus

 

Gerd Heinz-Mohr, Lexikon der Symbole – Bilder und Zeichen der christlichen Kunst, Keulen, 1983, p. 278: ‘Da Falke, Ibis und Storch Schlangenvertilger sind, werden sie in der christlichen Symbolik als anti-teuflische Tiere und damit als Symbole Christi betrachtet. Als wiederkehrender Zugvogel ist der Storch ebenfalls sinnbild der Auferstehung.’

 

Physiologus ed. 1967 (circa 200)

  • 48 (hoofdstuk 52). Stichtelijk-allegorisch prozatraktaat, Latijn. Der Storch ist ein Vogel, der gar sehr sein Nest liebt. Von der Mitte nach oben hin ist er weiss, von der Mitte nach abwärts dunkelfarben. So auch unser Herr Jesus Christus: Einmal zeigt er das, was oben ist, als ein Gott für alle, dann aber was unten ist, den Menschen als ein Mensch, weder das Himmlische versäumend noch das Irdische im Stiche lassend. Christus dus als God én Mens.
  • 48-49 (hoofdstuk 52). Wenn nun dieser Storch seine Jungen afgezogen hat, dass sie flügge sind, dann fliegen sie alle zu einer Stunde und in einem Augenblick, und ziehen nach einem anderen Ort, und sie werden wiederkommen zu ihrer Zeit, und werden ihr Nest neu herrichten, und werden ihre Jungen bringen, in der gleichen Weise wie auch unser Herr Jesus Christus von uns genommen wurde nach oben, und wird wiederkommen zu seiner Stunde, und wird aufrichten, die niedergefallen sind, nach dem Worte des Propheten: wo die Sperlinge ihre Nester bauen, und die Wohnung des Storches wird darüber sein. Wohlgesprochen hat der Physiologus vom Storch. In de voorlaatste zin wordt verwezen naar Psalm 104 (103), 17, maar waar de Vulgaat ‘herodius’ heeft, wordt hier blijkbaar vertaald met ‘ooievaar’.

Fasciculus morum ed. 1989 (XIVa)

  • 288-289 (pars III, cap. xxi, regels 230-237). Latijns hoofdzondentraktaat. And notice that in his blessed ascension Christ conferred the greatest honor on mankind in a way similar to the stork (ciconia). For the latter, when its offspring which it had formerly loved so much have left the nest, returns to the nest in grief and fills it with earth. Indeed Christ did the same. His offspring were the shining angels. When these had flown out of the nest of heaven in their pride, God himself, as if in grief, formed man from earth in order to fill their place. As a token of this, Christ the Son of God in human nature took possession of heaven for himself and for his own.

Reductorium morale super totam bibliam ed. 1583 (circa 1350)

  • 199 (boek 7, hoofdstuk 20). Latijns prozatraktaat (Venetië, Hieronymus Scottus, 1583). Auteur: Pierre Bersuire (Petrus Berchorius). Parafrase in Okubo 1994: 76. Volgens Plinius weet men niet waar de ooievaars heenvliegen in de winter, noch vanwaar ze terugkomen. ‘Pierre Bersuite, en reprenant ce passage de Pline l’Ancien, donne de ce phenomène une explication christologique: il préfigure l’arrivée du Christ qui vient d’un lieu que nous ignorons, c’est-à-dire du Paradis, et qui ressuscite ensuite; et c’est pourquoi nous lisons dans l’Évangile selon saint Jean, 3, 8: Nescitis unde venio, aut quo vado; il est évident que l’arrivée des cigognes signifie l’arrivée du Christ, comme dit le prophète Jérémie: Milvus in celo cognovit tempus suum; turtur, yrundo et ciconia cognoverunt tempus adventus sui. Notons que Pierre Bersuire substitute cognoverunt à custodierunt, leçon qu’on voit dans la Vulgate.’

 

4 Ooievaar // Maria

 

Poème moralisé sur les propriétés des choses (XIV)

  • In dit Oudfranse gedicht wordt van de ooievaar gezegd dat hij serpenten eet: Moult s’efforce que leur puist faire / persecucion et contraire (verzen 9-10). Voor de anonieme auteur is de slang de Duivel en even later beschrijft hij Maria met onder meer dezelfde zonet geciteerde verzen: Moult s’efforce que leur [namelijk: de serpenten] puist faire / persecucion et contraire (verzen 231-232). Ook vergelijkt de dichter de bek van de ooievaar, die uit twee delen bestaat, met de mond van Maria: Et biau frere, que senefie / qu’il a deus pars ou bec Marie? / Le bec Marie, c’est la bouche / qui trop bien resamble a la pouche, / vers ciel ouverte, em bas close. / Marie fesoit ceste chose: / du ciel parloit en desirrant, / du monde en lui despisant. / Et ainsi a double partie / le bec a Dame Marie (verzen 105-114). ‘En prenant l’exemple de Notre-Dame – cigogne qui ne parle d’autrui mesfait [vers 117] et qui Par mal parler ne se desfait [vers 118], l’auteur met en garde son public conte le vice de curiosité qui pousse à s’informer des faits et gestes du prochain.’ Bron: Okubo 1994: 72-74. Verder wordt gezegd dat de ooievaar altijd terugkeert naar zijn nest, dat hij bij vertrek verzwaart met aarde en andere dingen zodat het niet wegvliegt in de winter: No nit, c’est nostre conscience (vers 273), en de aarde betekent nederigheid. Bovendien staat het eerste nest dat niet verlaten wordt, voor God: En cest nit se tint bien Marie, / quar de Li ne se parti mie / ne a la mort, ne a la vie. / En Dieu fu toute s’estudie (verzen 313-316). Ook wordt het migreren van de ooievaars naar Azië vergeleken met de hemelvaart van Maria, en verwijst de zorg van de ooievaar voor zijn jongen naar de zorg van Maria voor de zondaars. Bron: Okubo 1994: 75-78.

 

5 Ooievaar = ouders en kinderen die elkaar liefhebben

 

Ilja M. Veldman, “Images of Labor and Diligence in sixteenth-century Netherlandish prints: the work ethic rooted in civic morality or Protestantism”, in: Simiolus, vol. 21 (1992), nr. 4, pp. 227-264. De allegorische gravure Sedulitas (Ijver) van Crispijn de Passe de Oudere (uit een reeks met de Zeven Deugden) toont onder meer een een kip met kuikens en een ooievaar die zijn jongen voedt: ‘Like the chicken, the stork feeding its young on the roof of another house would appear to emphasize the relationship between assiduity and love.’ In voetnoot: ‘In Valerianus (…), van Mander (…), and Ripa (…), the stork feeding its aged parents in the nest stands for familial piety or charity. In that respect the image of the stork neatly complements the love for children represented by the hen protecting her chicks’ [pp. 256-257 (note 118)].

 

Etymologiae XII ed. 1986 (7de eeuw)

  • 234-235 (boek XII, paragraaf 17). Didactisch prozatraktaat, Latijn. Over de ooievaars (ciconiae): Zij zijn opmerkelijk bezorgd voor hun jongen; zij houden hun nesten warm met zoveel zorg dat zij hun pluimen verliezen tijdens het onafgebroken broeden. Maar al de tijd die zij besteden aan het grootbrengen van hun nageslacht, krijgen zij terug wanneer zijzelf gevoed worden door hun jongen.

Bestiaire d’amour ed. 2005 (circa 1250)

  • 87. Oudfrans liefdesbestiarium. En als jij, schone, allerzoetste en geliefde moeder, mij zou willen voeden, zou ik jouw trouwe zoon zijn, even trouw als de jongen van de ooievaar of van de hop zijn tegenover hun moeders. Want als de jonge ooievaars volgroeid zijn, besteden zij van hun kant evenveel tijd aan het verzorgen van hun moeder als de ooievaar besteed heeft aan het voeden van haar jongen; en zo is het ook met de jongen van de hop.

Fasciculus morum ed. 1989 (XIVa)

  • 88-89 (pars I, cap. xi, regels 32-41). Latijns hoofdzondentrakaat. Over kinderen die hun oudgeworden ouders slecht behandelen: To their reproach Ambrose reports in his Exameron that the stork (ciconia) has such great care for its parents that when their parents’ strength has faded and they have lost their feathers because of old age, their offspring stand around them and warm them with their own feathers and do not neglect to feed them with food they have gathered by their own labors, and then they raise their aged parents with the help of their own wings and incite them to fly and to reemploy their unused wings in their former use. Which of us has ever put his aged parent, who has loved us so much in our youth, on his own shoulders as that bird does? Or who has never tired of raising, taking care of, and nourishing his weak or ailing father? ‘Who is this, and we shall praise him?’ [Ecclesiasticus 31, 9] Indeed, I fear, very few.

Iconologia ed. 1971 (1644)

  • 80. Prozatraktaat over iconografie. ‘Danckbaerheyt’: een vrouw die een ooievaar in de hand houdt met een tak erwten of bonen. Orus Apollo seght, dat dit dier de meeste danckbaerheyt aen sijne Ouders of voortteelders wanneer zy oud zijn, betoont, en op de plaets, waer zy opgevoet werden, rusten zy weder haer nest toe, haer selve van de onnoodige veeren beroovende, versorgende dieselve van eeten ter tijd de Ionghskens bequaem zijn, om haere kost elders te gaen soecken. Daerom vercierden de Egyptenaers oock haere scepters met desen vogel, en hielden dienselven in grooter waerde, gelijck Plinius in ’t XVIII boek XIV cap verhaelt, gelijck oock de erten en boonen het land vet maecken, waer op dieselve zijn gewassen, alsoo behooren wy de goede gunste altijd te verdubbelen aen die geene, die ons goed hebben gedaen.
  • 178. ‘Godloosheyd en Geweld door de Iustitie of het Recht t’ondergebracht’: een nijlpaard ligt onder een scepter waarop een ooievaar staat. Het nijlpaard doodt naar verluidt zijn vader om zijn moeder te verkrachten. De Oyevaer is in ’t tegendeel oprecht van gemoed, want hy is Godsdienstigh tegens sijne Ouders, haer in den Ouderdoom te hulpe komende, gelijck Basilius en Plinius seggen.

 

6 Ooievaar = de mens die de onkuisheid of zonde weet te weerstaan, de goede christen, goede monniken en priesters

 

Gerd Heinz-Mohr, Lexikon der Symbole – Bilder und Zeichen der christlichen Kunst, Keulen, 1983, p. 278: ‘Infolge seines regelmässigen Kommens und Gehens zur rechten Jahreszeit zugleich ein Symbol gerechten Wandels. Das ruhige stehen des einzelnen S. auf einen Bein hat ihn ferner in Beziehung zur Kontemplation gesetzt.’

 

Physiologus ed. 1967 (circa 200)

  • 48 (hoofdstuk 52). Stichtelijk-allegorisch prozatraktaat, Latijn. Aber diese Störche, siehe, wie sie beide unterwegs sind und ihre Jungen warten, und sobald das Männchen wegfliegt und Nahrung besorgt, bleibt das Weibchen sitzen und hütet sie, und wechseln miteinander ab und nie bleibt das Nest unbesetzt. Also auch du, o Mensch, der du mit Vernunft begabt bist, lass nicht Morgen noch Abend vergehen ohne Gebet, und du wirst nicht überwältigt werden vom Teufel.

De universo ed. 1852 (9de eeuw)

  • 245 (boek 8, hoofdstuk 6). Latijns prozatraktaat (Rabanus Maurus). Mijn vertaling: De ooievaar betekent dus de vooruitziende mensen en zij die zich in hun levenswandel behoedzame dienaars van God tonen, omdat zij serpenten opjagen en hun gif tot niets herleiden, dat wil zeggen dat zij de boze geesten en hun giftige inblazingen verfoeien en tot niets herleiden. Waarom Jeremias zegt: de tortelduif en de zwaluw en de ooievaar kenden de tijd van zijn komen (Jeremias VIII), dat wil zeggen de tijd waarin de de heilige Kerk zal samenkomen in eenheid bij de komst van de Verlosser.

Aviarium ed. 1992 (1132-52)

  • 212-215 (hoofdstuk 47). Latijns aviarium. They are the messengers of spring, because they show to others the moderation of the converted mind. They are the companions of society because they willingly live among the brethren.
  • It is said of the stork that it is the enemy of snakes. The snakes are wayward thoughts or wayward brothers whom the stork pierces with its beak, while the righteous man checks improper thoughts or reproves the wayward brother with stinging invective.
  • ‘They fly across the sea, and proceed as a flock into Asia.’ Asia means high. Therefore, he who reaches for the heights, having scorned the tumults of the world, crosses the sea and proceeds into Asia.
  • Storks have ‘an exceptional sense of duty toward their offspring,’ with the result that they pluck out their feathers over them in constant brooding. Storks pluck out feathers over their chicks in constant brooding, because when priests nourish their charges, they remove from themselves the feathers of excess and weakness. Furthermore, as much time as they gave to rearing the offspring, that much are they nourished in return by their chicks. However long the young have need of them, so long must the storks nourish them, because however long the pupils have need, so long must the priests nourish them by the word of instruction. Likewise, their charges should cherish the priests by their efforts, so that the priests might provide them with the necessities which they are lacking.
  • Thus, the turtledove and the swallow and the stork reprove those who do not believe that Christ appeared incarnate, and who do not fear the coming judgement of the Lord.

De bestiis et aliis rebus ed. 1854 (XII)

  • 43 (boek I, hoofdstuk 42). Latijns prozatraktaat. Zij zijn de boden van de lente, omdat zij anderen de gematigdheid van de bekeerde geest tonen. Zij zijn vrienden van de samenleving, omdat zij graag onder de broeders verwijlen. Van de ooievaar wordt ook gezegd dat hij de vijand is van serpenten. Serpenten zijn slechte gedachten of slechte broeders, die de ooievaar met zijn bek doorsteekt, terwijl de rechtvaardige ongepaste gedachten intoomt of de slechte broeders berispt met scherpe scheldwoorden. Ooievaars vliegen over de zeeën en reizen als een troep naar Azië. Azië betekent ‘verheven’. En zo vliegen zij over de zeeën en reizen naar Azië, die de beroeringen van deze wereld minachten en streven naar het hogere. Zij hebben hun jongen zeer lief en bedekken hen met hun eigen pluimen tijdens de lange broedtijd. De ooievaars bedekken hun jongen met hun pluimen tijdens de lange broedtijd, omdat wanneer de priesters (praelati) hun volgelingen ‘voeden’, dan verwijderen ze bij zichzelf de pluimen van de oppervlakkigheid en lichtzinnigheid. En de tijd die zij besteden aan het grootbrengen van hun jongen, krijgen zij terug wanneer zij door de jongen verzorgd worden. Zolang als de jongen behoeftig zijn, zo lang moeten de ooievaars hen voeden, want zo lang als de leerlingen onderwijs nodig hebben, zo lang moeten de priesters hen verzorgen met het woord van hun lering. Op dezelfde wijze moeten de volgelingen de priesters verwarmen met hun inzet, zodat de priesters hun volgelingen de dingen kunnen bezorgen die zij nodig hebben. En verder wijzen de tortelduif, de ooievaar en de zwaluw diegenen terecht die niet geloven geloven dat Christus mens is geworden en die het toekomstige oordeel van de Heer niet vrezen [mijn vertaling].

Unterkircher ed. 1986 (XIIIa)

  • 44. Bestiarium (Oxford, Bodleian Library, MS. Ashmole 1511). Es heisst vom Storche, er sei ein Feind der Schlangen. Solche Schlangen sind böse Gedanken oder böse Brüder – so soll der Gerechte böse Gedanke zurückdrängen und böse Brüder mit scharfen Vorwürfen schelten. Wie die Störche durch eifriges Brüten ihre Federn verlieren, so sollen die Vorgesetzten, solange sie ihre Untergebenen erziehen, das Gefieder des Überflusses und des Leichtsinnes von sich abtun. Aber auch die Schüler sollen ihre Vorgesetzten und Lehrer so lange erhalten, als diese früher für sie Zeit augewendet haben.

Fabulae ed. 1985 (XIIIb)

  • 144-145 (nr. 97). Fabelverzameling, Latijn. ‘The Stork and the Serpent’. Een ooievaar daagt een slang uit tot een gevecht, maar de slang pocht dat zij zelfs Adam en Eva heeft overwonnen, hoe zou de ooievaar haar kunnen verslaan? Je zal wel zien, zegt deze laatste. Als de slang aanvalt, steekt de ooievaar naar de kop van de slang, die even later sterft. De moraal luidt: When you note the first stirrings of luxuria or rage, resist immediately. Immediately dash these fledgling impulses against the rock. Now it is Christ who is the rock. All this to say: ‘Kill those early stirrings through the love of Christ. For if you allow them to grow until your whole body is burning with the fire of luxuria, you’ll lack the forces needed to put it out. Because, by then, those small stirrings have grown so much that they can field great champions. So at the beginning, such vices – like coarse string – are easily undone. And yet, when they have grown, they will yield hard bonds which cannot be broken. Whence the Lord, addressing the ancient serpent: ‘I will put enmities between you and the woman; she shall crush your head’ (Genesis 3, 15). The woman is the Blessed Virgin, the holy church, every faithful soul who must crush temptation at the very beginning – as though this temptation were the serpent’s head. This is how the ancient serpent is conquered!

Bestiary ed. 1993 (1230-50)

  • 132. Latijns bestiarium (Oxford, Bodleian Library, MS Bodley 764). The stork signifies prudent men, careful servants of God; just as storks pursue snakes and draw off their poisons, so they pursue evil spirits who make poisonous suggestions, and reduce them to nothing. Jeremiah says: ‘Yea, the stork in the heaven knoweth her appointed times; and the turtle and the crane and the swallow observe the time of their coming; but my people know not the judgement of the Lord’ [8, 7].

Reductorium morale super totam bibliam ed. 1583 (circa 1350)

  • 198 (boek 7, hoofdstuk 20). Latijns prozatraktaat (Venetië, Hieronymus Scottus, 1583). De ooievaar versterkt zijn nest met modder, twijgen en doornen zodat het in de winter niet wegvliegt of vernield wordt. In de lente herstelt hij het nest. De moraal: De ooievaar is de mens, zijn nest is het geweten, de winter staat voor bedrukking en verzoeking, de lente voor gelukzaligheid, de doornen zijn het schuldbewuste berouw, de modder is boete (?) en nederigheid. Wanneer dan de winter komt, dat is de verzoeking van iemands geest, dan moeten wij de doornen van ons nest, dat zijn de stekelige gedachten aan de dood of de hel, samenbinden met modder, dat is nederigheid of de herinnering aan de dood, opdat de winden en de stormen, dat zijn de stoten van de verzoekingen, het nest van ons geweten niet uiteenrukt en vernielt. En als de mens zo handelt in de winter van deze wereld, dan zal hij, wanneer de lente van de eeuwige gelukzaligheid komt, het nest van zijn geweten intact en niet vernield terugvinden en zal hij voor eeuwig daarin kunnen verblijven. Ecclesiasticus 28: omring uw oren met doornen.
  • 198 (boek 7, hoofdstuk 20). Ciconia est avis calidae naturae et multa comedit venenosa, sed propter hoc non moritur, quia virtute caloris omnia digerunt (lees: digeruntur) – unde ei cibus efficitur, quod mors aliis invenitur. Et pedes ciconiarum tanto magis rubent, quanto plus senescunt et quanto plus veterascunt (de ooievaar is een vogel met een warme natuur en hij eet veel giftige dingen, maar hij sterft daar niet van, omdat alles verteerd wordt dankzij zijn warmte: hem dient dus tot voedsel, wat bij anderen de dood veroorzaakt. En de poten van de ooievaar worden roder, naarmate hij bejaarder en ouder wordt). De warme natuur en het gif eten worden dan als volgt geduid: Sic homo qui habet fervorem charitatis, licet comedat venenosa, id est administret mundi negotia de se periculosa, vel et licet videat mala exempla, omnia inde digerit, dividit et distinguit, et more debito virtute caloris charitatis omnia ordinat et disponit. Sicque quod propter hoc non moritur per peccatum, licet exinde simplices alii moriantur. Mar. 16. Si mortiferum quid biberint, non eis nocebit (zo ook, bezit een mens een brandende naastenliefde, dan kan hij giftige dingen eten, dat wil zeggen dat hij de gevaarlijke zaken van de wereld weet te beheersen, en ofschoon hij slechte voorbeelden ziet, kan hij deze allemaal verteren, correct beoordelen en onderscheiden, en zoals gewoonlijk weet hij dat allemaal te regelen en te beheren door de deugd van de warme naastenliefde. En zo gebeurt het ook dat hij niet sterft door de zonde, ofschoon andere simpele zielen daar wel aan doodgaan. Marcus 16, 18: als zij gif drinken, dan zul hun niets kwaads overkomen). Het rood worden van de poten (en bek) wordt als volgt geduid: Homo etiam perfectus et charitativus quanto plus senuerint, tanto os suum id est verba et locutio, pedes id est amor et affectio per charitatis incendium plus rubescunt. Apo.1. Pedes eius similes oricalco, dum est in camino ignis. Vel per pedes intellige finem vitae quia in bonis hominibus quanto amplius vixerint, tanto amplius rubicundus est per charitatis et honestatis spem et decorem (hoe ouder de volmaakte en liefdevolle mens wordt, des te roder worden zijn mond, dat wil zeggen zijn woorden en taal, en zijn voeten, dat wil zeggen zijn liefde en affectie door het vuur van de naastenliefde. Apocalyps 1, 15: zijn voeten schitterden als brons in de oven. Of begrijp onder de voeten het einde van het leven, omdat dat bij goede mensen hoe langer ze leven, des te roder wordt door de hoop op liefde en de tooi van de deugd).
  • 198 (boek 7, hoofdstuk 20). Parafrase: als de ooievaars de zee overvliegen, worden ze begeleid en beschermd door kraaien. De ooievaars zijn de religieuzen die wanneer ze de ‘zee’ van deze wereld doortrekken, moeten beschermd worden door wereldlijke heersers (de kraaien), zoals in Frankrijk de koning doet.

 

7 Klepperen van de ooievaar // achterklap, roddel, kwaadspreken, vleierij, Nijd

 

Zie ook hieronder, bij ooievaar = de zondige mens.

 

Over de ooievaar als beeld van de roddelaar en nijder (in liefdeszaken) in 16de-eeuwse alba amicorum: Clara Strijbosch, “Kijk uit voor de ooievaar! Kletsers en kleppers”, in: Madoc – Tijdschrift over de Middeleeuwen, jg. 27, nr. 3 (najaar 2013), pp. 166-170. ‘Dat slangen gespleten tongen hebben en kunnen bijten, is bekend. Maar ooievaars? Waarschijnlijk loopt de associatie van de ooievaar met gevaarlijke tongen via het Middelnederlandse (en middeleeuws Duits) clappen of claffen, dat behalve klepperen, het karakteristieke geluid dat de ooievaar met de snavel maakt, ook betekent: kletsen, kwaadaardige praatjes rondstrooien. En misschien speelde de scherpe snavel een rol in het beeld van de stekende ooievaar’ [p. 168].

 

Sancti Hieronymi Epistulae ed. 1991 (411)

  • 430-431 (Brief CXXV, paragraaf 18). Latijnse brief. Do not believe your flatterers, or rather do not lend and ear too readily to mockers; such men will warm your heart with fulsome praise and make you in a fashion lose control of your mind, but if you turn round quickly you will see them making stork-necks behind your back. Het Latijn heeft inderdaad ciconiarum deprehendas post te colla curvari (je merkt dat achter je ooievaarsnekken gebogen/gevormd worden). Blijkbaar wordt hier bedoeld dat men de kin verheft, zodat de hals uitgerekt wordt: een gebaar van misprijzen.

Bestiaire: Philippe de Thaon ed. 1841 (1121-35)

  • 81 (verzen 1343-1348). Berijmd bestiarium, Oudfrans. In de vertaling van Thomas Wright: And Physiologus says further of the stork [Wright vertaalt hier ‘cigonie’ foutief als ‘crane’]; / when it will cleanse itself, it will wet its hind part, / and puts its beak there, and makes its hind part quite clean; / know that such is the practice of parasites [in het origineel Oudfrans: losenger], / he who speaks well before, goes lying behind. / Now this discourse finishes, we will speak of another bird.

Tabula Exemplorum (XIIId)

  • Over de lasteraars: Item sunt sicut ciconya, que ranis et venenosis pascitur; sic et illi peccatis, quorum os maledictione plenum est (ook zijn zij zoals de ooievaar, die kikkers en giftige dieren eet; zo doen zij ook met de zonden, waarvan hun mond vol is als zij kwaadspreken). Bron: Okubo 1994: 68.

Reductorium morale super totam bibliam ed. 1583 (circa 1350)

  • 199 (liber VII, caput 20). Latijns prozatraktaat (Venetië, Hieronymus Scottus, 1583). De ooievaar heeft geen stem, maar met de kop in de nek gebogen maakt hij een groot lawaai: Et ideo sicut ponit Ouidius li. 6 Antigone in ciconiam mutata fingitur, quia contra deos striduisse et murmurasse probatur. Sic vere detractores lingua ad bene loquendum videntur carere, stridorem tamen faciunt inquantum contra deos inquam contra bonos solent multotiens murmurare (en daarom, zoals Ovidius schrijft in boek 6, wordt verteld dat Antigone veranderd werd in een ooievaar, omdat zij het waagde lawaai te maken en te morren tegen de goden. En zo hebben waarlijk de lasteraars blijkbaar geen stem om goede dingen te zeggen, maar maken zij al pratend lawaai tegen de goden, dat wil zeggen dat zij gewoon zijn dikwijls de goede mensen te belasteren). Ook vermeld in Okubo 1994: 67. Volgens Okubo [1994: 78-79] wordt Antigone in de Ovide moralisé (XIVa) ook vergeleken met ijdelen en kwaadsprekende vrouwen, maar aldaar krijgt ze ook een positieve interpretatie mee: het opgeven van rijkdom en adel en het zich richten naar de Hemel.

Poenitemini – Contre l’envie (Jean Gerson, circa 1400)

  • Over de Nijd: Et n’est pas, je vous prie, bien maleureuse envie et trop plus qua chetive quant elle prent sa nouriçon de toute meschance, a l’exemple de la cigogne qui vit de couleuvres et de crapaus; elle a toudis le bec enbourbé comme la canne. Bron: Okubo 1994: 68-69.

L’Abbaye du Saint Esprit (XIVd-XV)

  • De tweede van vijf verschillende versies, toegeschreven aan Hugo van Sint-Viktor. De duivel heeft vier dochters, de tweede is Laster. La tierce a nom Detraction ou Mesdit. Ceste est boçue. C’est la cegoigne au Diable; et boute son bec es ordures et vit des viandes envenimees et s’en paist. Elle ne dira ja de nullui bien. C’est elle qui seme discorde par ceste religion et si met hainne entre ceulz qui s’entreaiment. Ceste si est la propre fille au Diable. Bron: Okubo 1994: 70.

Le Mystère de la Passion (Arnoul Gréban, circa 1450)

  • Verzen 23.360-23.361. Lucifer, wiens zonden Hoogmoed en Nijd zijn, wordt genoemd: Lucifer, horrible segongne / au nit d’orgueil sans fin couvant. Bron: Okubo 1994: 69.

 

In andere bronnen is de ooievaar net degene die vleierij en kwaadsprekerij weet te weerstaan.

 

Fabulae ed. 1985 (XIIIb)

  • 150-151 (nr. 105). Fabelverzameling, Latijn. ‘The Stork and the Cat’. Een ooievaar heeft een paling gevangen. Een kat wil die paling afsnoepen, en prijst de ooievaar om zijn schoonheid, onder meer om zijn rode bek. De kat vraagt: is je bek vanbinnen ook zo mooi rood? Als de ooievaar niet reageert, begint de kat hem uit te schelden voor een vuile vogel die zelfs giftige en onreine slangen eet. Maar de ooievaar doet zijn bek niet open (anders zou hij de paling immers laten vallen). De moraal: Thus a just man is neither exalted by praises nor downcast by vituperation. Let other men say whatever they wish. Just don’t lose the eel. Hold fast to charity and patience. Proceed on your way in silence and you shall be saved.

 

8a Het overspelige ooievaarsvrouwtje

 

Zie ook Van den proprieteyten der dinghen hierboven.

 

Dialogus miraculorum II ed. 2004 (1219-23)

  • 297 (afdeling 10, hoofdstuk 59). Stichtelijk prozatraktaat, Latijn. Naar aanleiding van Jeremias 8, 7: ‘Tortelduif, zwaluw en ooievaar houden vast aan de tijd van hun komst; maar Mijn volk kent het oordeel van God zijn Heer niet’. De monnik zegt tegen de novice: Over de ooievaars zou ik je veel bijzonder opmerkelijke dingen kunnen vertellen, als ik me niet naar nuttiger onderwerpen zou haasten. De mannetjes zijn erg jaloers wat hun vrouwtjes betreft en ontrouw wreken ze bijzonder zwaar. Maar de vrouwtjes hebben een heel wonderlijk middel dat ze uit de problemen redt. Als een vrouwtje zich vóór de komst van haar partner onder water kan afspoelen, heeft die absoluut geen weet van haar ontrouw. Zo kan ze aan de doodstraf ontkomen.
  • 297-298 (afdeling 10, hoofdstuk 60). Dit hoofdstuk sluit onmiddellijk aan op het vorige en brengt het verhaal van het overspelige ooievaarsvrouwtje, mét stichtelijke moraal: In de binnenhof van een ridderburcht – dat heb ik als een waar verhaal van een vroom man gehoord – was een ooievaarsnest waarop een paartje huisde. Het vrouwtje beging echtbreuk als het mannetje afwezig was en dook dan herhaaldelijk in een kreek dicht bij de burcht. De ridder merkte dat op en omdat hij de reden wilde weten, liet hij dat water met struiken afdekken. Ik kan kort zijn. Toen zij na haar wandaad weer naar dat water vloog, zoals ze gewoon was, en ze de toegang versperd zag, kwam het mannetje ondertussen terug. Hij begreep wat ze misdaan had en begon met zijn snavel op haar in te hakken. Omdat hij alleen niet in staat was haar te doden, vloog hij woedend weg en kwam na enige tijd vergezeld door een menigte andere ooievaars terug. Zo vond de ongelukkige de dood voor de ogen van allen die in de binnenhof stonden. [De novice:] Die jaloezie lijkt wel iets mysterieus in te houden. [De monnik:] Een juiste gedachte. De Heer vergelijkt zich in de Schrift immers dikwijls met vogels. De trouwe ziel is Zijn bruid. Maar ontucht, dat is elke doodzonde die de scheiding van Hem bewerkt en de band met de duivel aanhaalt. Het water is de doop of de boetedoening die steeds weer herhaald wordt en de schuld afwist. Dan ziet God die niet en kent Hij ze niet om ze te wreken. De mannelijke ooievaar verwijst hier dus naar Christus, de vrouwelijke ooievaar naar de zondaar.

De natura rerum ed. 1973 (1244)

  • 189-190 (boek V, hoofdstuk 28). Latijns prozatraktaat (Thomas van Cantimpré). Het valt ook niet te betwijfelen dat de ooievaars aanhangers zijn van de kuisheid en tegenover elkaar de huwelijkse trouw betonen. Ter bevestiging hiervan doet onder het volk een verhaal de ronde, dat weliswaar onzeker is maar toch gedenkwaardig. Men vertelt dat een zekere man met een scherpzinnige geest op een hoge plek van zijn huis gedurende langere tijd een koppel ooievaars te gast had, zoals dat hun gewoonte is. Nu gebeurde het dat wanneer het mannetje op zoek ging naar voedsel, dat een ander mannetje bij zijn vrouwtje kwam en met haar overspel pleegde. En als de overspeler vertrok, ging de overspeelster zich zonder verwijl in een verre bron onderdompelen en reinigen met water. En als dan haar partner terugkeerde van de zoektocht naar voedsel, dan merkte hij niets van de overspelige wandaad, omdat deze door het reinigen uitgewist was. Zo werd het mannetje dikwijls bedrogen en de heer van het huis merkte dit regelmatig op. Er kwam nu een dag waarop de overspeelster zich naar gewoonte na het overspel wilde wassen in de bron, maar de heer van het huis hield haar ervan weg. Toen het mannetje terugkeerde van het voedsel zoeken, merkte hij meteen bij zijn wijfje de smerigheid van het overspel, en ging weer weg, zich voorlopig van de domme houdend. Toen hij na twee dagen terugkwam, had hij een grote menigte ooievaars met zich meegebracht. En allemaal vielen ze de overspeelster aan, verscheurden de ellendige en doden haar op een wrede manier. Als dus simpel water bij een vogel als de ooievaar dit kan bewerkstelligen, wat zal dan het water van het doopsel met deugdzame woorden kunnen bewerkstelligen bij een mens die bevuild is met eindeloze zonden? En ook tranen van berouw kunnen dat.

De animalibus ed. 1987 (XIII)

  • 214 (boek 23, paragraaf 36, nr. 24). Natuurkundig prozatraktaat, Latijn (Albertus Magnus). Another tale relates that the male stork can sense when his mate has engaged in an adulterous union by the smell emanating from her body, unless she has first taken the precaution of washing in the waters of a spring. But this mistaken report is nothing short of a fable.

Livres dou Tresor ed. 1993 (XIII)

  • 120-121 (boek I, hoofdstuk 160, paragraaf 4). Oudfrans prozatraktaat (Brunetto Latini). It once happened that a Lombard from the bishopric of Milan secretly removed an egg from a stork’s nest and put a raven’s egg in its place; after the eggs hatched and the crow’s black feathers began to show, the male went out and assembled so many storks that it was a marvel to behold, and when they had looked carefully at the little black bird which was among the others, they attacked the female and wounded her so much with their beaks that they killed her cruelly.

Fasciculus morum ed. 1989 (XIVa)

  • 678-679 (pars VII, cap. ix, regels 16-43). Latijns hoofdzondentraktaat. Over overspel: In his book De naturis rerum Alexander reports that once there were two storks (ciconia); the female sat on her eggs in the nest to hatch them, and the male flew about the country to seek food for himself and his mate. It so happened that while she was left behind in her nest she committed adultery with other storks. Out of her natural instinct then, lest her husband on his return should notice the smell of adultery, she washed herself in a spring that was in front of the gate of a knight. After she had done so twice or three times, the knight, who had noticed this, had the spring closed off. When she came as usual to wash herself but could not, she returned to her nest unclean. Upon his return at night, her mate perceived her smell and tore her completely to pieces in revenge for her adultery. This applies spiritually to God and man’s soul, which God has taken to himself as his spouse, according to the words of Hosea: ‘I will espouse you to myself in faith.’ God leaves her here, as if in the nest of this world, so that she may bring forth good works. She does not need to worry about her livelihood, only about living a good life, because God himself will supply all her needs, after the words of Isaiah: ‘Learn to do well,’ etc, because ‘if you are willing and listen to me, you shall eat the good things of the land.’ But the wretched sould commits adultery with other wretches, and when se becomes afraid of the judgment, washes herself in the fountain of penance. This penance is in front of the door of the confessor, of which the Psalmist speaks as follows: ‘This is the gate of the Lord; the just shall enter into it.’ In front of this door must be the wellspring of penance and the water of contrition. After she washes herself, the stench of sin disappears totally. Hence God, too, covers up our sins; Wisdom 2: ‘You have mercy upon all because you can do all things, and you overlook the sins of men because of their repentance.’ Now it frequently happens that since God offers such mercy, the wretched sould relapses into sin. And when she wants to wash herself through penance as usual, she is often prevented from doing so by sudden vengeance, because the wellspring of contrition is closed off by the knight of death. Therefore, as Ecclesiasticus 15 fittingly speaks to sinful man: ‘Do not delay to turn to the Lord,’ etc., ‘for his wrath shall come of a sudden, and in the time of vengeance he will destroy you’.

Buch der Natur ed. 1897 (circa 1349-50)

  • 146 (boek IIIa, hoofdstuk 16). Natuurkundig prozatraktaat. In Duitse hertaling: Die Störche tödten ihre Weibchen, wenn sie die Ehe gebrochen und nach ihrem Vergehen nicht im Wasser sich gereinigt haben. Das hat man oft gesehen.

Spiegel der Sonden ed. 1900 (XIV)

  • 14 (II Oncuuschede, hoofdstuk 12, verzen 1008-1023). Stichtelijk rijmtraktaat. In een hoofdstuk over overspel: Die grote wrake deser sonden / is wel stommen dieren ontbonden, / want vanden storke [een ander handschrift heeft: odevaren] men vint, / als haer een vremede heft bekint, / dan gaet si haer wasschen daer nare, / anders wordes haer genoot geware. / Mer comt vor dat wasschen haer genoot, / hi kent haeste die loesheit groet, / ende dan so moet haer costen tleven, / daer en volghet gheen vergheven. / Gheestelike te verstane, / is der zielen noet van dwane / in tranen van berouwenisse, / anders mach si wel vruchten tvonnisse. / Dus is hoerdom eene sonde quaet / so et voren wel geproevet staet. Ook vermeld in Bax 1948: 81.

Spiegel der Sonden ed. 1901 (1434-36)

  • 48 (regels 18-30). Stichtelijk prozatraktaat. In het deel over ‘oncuuschede’, waar het meer bepaald gaat over overspel: Men leest van vogelen die heiten odeuaren, als haer een vremdt heeft bekent, dan vlieget si haer slecht [geslacht] wassen, anders soldt hoeren gegade ontwaer werden. Ende bevijndt hijt eer si haer gewassen heeft, soe kent hi se misdaen hebben. Dan soe neemt hi haer dat leven sonder ennich vergeven. Dit geestlic te verstaen, soe eest der zielen sunderlingen groet noet haer te wassen inden tranen des rouwen. Anders mach die minsche wael vruchten dat vondenis, daer got die sunder swaerlic in sal doemen. Deze tekstbron wordt ook gesignaleerd in Bax 1948: 81.

Hortus sanitatis (Mainz, Jacob Meydenbach, 1491)

  • Fol. x4r (Tractatus de avibus, hoofdstuk 27). Latijns prozatraktaat, incunabel. Mijn vertaling: Het lijdt geen twijfel dat zij [de ooievaars dus] aanhangers zijn van de kuisheid en tegenover elkaar de huwelijkstrouw bewaren. In dit verband wordt verteld dat op een hoge plek van iemands huis een koppel ooievaars nestelde. En als het mannetje op zoek ging naar voedsel, kwam regelmatig een ander mannetje bij het wijfje en bezoedelde haar met overspel. Maar zij ging zich dan onmiddellijk onderdompelen in een verre bron en waste zo met het water de wandaad van het overspel weg. Zo bedroog ze het mannetje. De heer van het huis had dit regelmatig vastgesteld. Op een dag toen zij weer overspel had gepleegd, hield hij haar weg van de bron zodat ze zich niet kon wassen. Toen het mannetje terugkeerde van zijn zoektocht naar voedsel, merkte hij meteen bij zijn wijfje de overspelige wandaad. Hij hield zich voorlopig van de domme en vloog weg. De tweede dag kwam hij terug met een zeer grote menigte ooievaars die samen de overspeelster aanvielen en de ellendige verscheurden tot zij een wrede dood stierf.

Der Dieren Palleys (1520, Jan van Doesborch, Antwerpen)

  • R2r-R2v (boek II, hoofdstuk 27). Postincunabel. Hieraf seytmen van twee oyuers de op een hooch huys nestelden/ en als dat manneken om spijse was ghevloeghe(n) dan quam daer dicwil een ander man(n)eken en(de) had ghemeenscap met dat wijfken/ en(de) dan vloech dat wijfken af in een fonteyne daer si haer dan wies met dat water van den vlecke des ouerspels en(de) bedroech so haer eyghen man(n)eke(n). Dit had die here des huys dicwil ghesien/ en(de) als dat wijfken weder in ouerspel hadde gheweest met dat ander manneken soe keerde dye heere dat wijfke(n) va(n)d(er) fonteyne(n)/ en(de) corts daerna so qua(m) dat manneke(n) metter spisen en(de) doe beua(n)t hi dat ouerspel ae(n) zij(n) wijfke(n)/ en(de) dat manneke(n) bleef omtre(n)t een huere by haer he(m) veysende/ en(de) vloech doe wech. en(de) qua(m) des andere(n) daghes wed(er)om met eene(n) grote(n) hoop van sine(n) geselscap en(de) ghinge(n) die ouerspeelster sond(er) barmhertich(eit) doorsteke(n) en(de) v(er)schueren en(de) met groter pine(n) ter doot bre(n)ge(n).

 

Vermeldenswaard in deze context zijn enkele tekstbronnen waarin een ooievaar overspel bestraft, niet van een ooievaarsvrouwtje, maar van echte vrouwen…

 

De natura animalium II ed. 1971 (circa 200)

  • 206-207 (boek VIII, hoofdstuk 20). Prozatraktaat over dieren van Claudius Aelianus, Grieks. They say that the stork (pelargos) also is subject to jealousy. At any rate at Crannon in Thessaly a man who had marrid a beautiful wife of the name of Alcinoe left her at home and went away on his travels. So Alcinoe had intercourse with one of the servants. The stork that was about the house got to know of this and would not tolerate it, but avenged his master. At any rate it sprang upon the woman and blinded her eyes. I have earlier on spoken of jealousy on the part of a purple coot, then of a dog in like case, and now of a stork equally affected over a marriage that went wrong.

Evangelien vanden spinrocke ed. 1910 (circa 1520)

  • E2v-E3r (Zaterdag, hoofdstuk 16). Volksboek. Vrouw Berte van den Horen spreekt: Mij(n) vriendinnen voer mijn slot ic v seggen moet een wonderlick secreet also vast naket den heilige(n) sondach dat luttel luyden weten. Ick segghe v dat die oyvaders die hier comen tsomers ende des wi(n)ters weder keeren in haer lant dwelc is biden berghe van synay sijn in haer lant creaturen als wij sijn Ende het blijct oec wel dat sij verstant hebben want si betalen gode altijt tiende va(n) haren iongen (Glose). Mits desen soe recht haer op vrou breye die wond(er)liken out was en(de) seide dattet waer was, want si hadde dicke haren heer horen segghen die geheeten was claes van triere doe hi tot sinte katerinen was ten berge va(n) sinay so hadde hi bid(er) sterften al sijn geselscap v(er)loren en(de) al gae(n)de doer die wildernisse so sach hi van v(er)re eenen mensch totte(n) welken hi ginc en(de) begonst hem te vragen in duytsche na den berch ende hij weessen hem; ende met dien so ghinc die mensche met hem; ende seide hem van sinen staet; en(de)dat hi herwerts ouer een oydeuaer was ende maect sinen nest in vlaendren op sijns ghebueren huys. Claes die dit niet gheloouen en woude badt hem dat hi hem doch een litteiken gheuen wilde op dat hi hem daer af dancken mochte alsoe verre als hy ymmermeer wederom quame tot sinen lande. Doe toechde die oydeuaer eene(n) gulden rinck die hi in anderen tide(n) op dye plaetse daer in vlaenderen geraept had en(de) also schiere als dien claes sach so kende hi hem, wa(n)t het was den rinck daer hi slap ghegordt sijn wijf mede ghetrouwet had. Ende die oydeuaer gaf hem den rinck weder op dye vorwaerde dat hij den verkenwachters en(de) dien coywachters va(n) sinen huse verbieden soude datsi he(m) geen quaet meer en daden also si plaghen En(de) na desen nam mijn heerke(n) orlof en(de) keerde weder te brugghe daer hij na dien so wel leefde dat hij wel xiiij palmen dicke was doen hi sterf. Dirk Callewaert, Die evangelien vanden spinrocke – Een verboden volksboek ‘zo waar als evangelie’ ca. 1520, Kapellen, 1992, p. 138 (noot 2), verklaart: ‘De vrouw van Claes houdt haar trouwring niet aan de vinger tijdens de langdurige afwezigheid van haar man. De auteur bedenkt haar met een typerende naam: “Slapghegordt”, wat gezegd wordt van een vrouw van wie de gordel al te gemakkelijk los te maken is.’

 

8b Ooievaar = de onkuise mens

 

Geraardsbergse handschrift ed. 1994 (1460-70)

  • 54 (Tekst 16, verzen 8-13). Kort gedicht, getiteld ‘Van den bonten houdevare’. Een ‘meester’ legt de ik-verteller uit wat een bonte ooievaar precies is: Een man die een schoen wijf heeft / ende by eer quader lodigghen leeft / ende men hem dan sijn wijf ontbruudt / stille of openbare of ouer luut / so dat ter kennessen comt jnt clare / dats een recht bont houdeuare. Een ooievaar is hier dus een overspelige man, wiens vrouw ook overspel pleegt. Deze tekstbron wordt ook gesignaleerd in Bax 1948: 80.

Twispraec der creaturen (Gouda, Gheraert Leeu, 1481, k6r)

  • Incunabel. De 76ste fabel is getiteld: ‘Vanden ouvaer ende den apoteeker – Dyalogus lxxvi’. Het begin luidt: Die ouvaer is nae der ouder wet een onreyn voghel bouen allen voghelen want si altoes van onreyn crenghen die opt ouer [op de oever] der zee ende der wateren ligghen gheuoet wort ende si reynicht hoor seluen mit horen beck ende eet oec eyer der serpenten. Volgt dan het verhaal van een apotheker die een ooievaar ving en in zijn apotheek zette om deze welriekende kruiden te laten eten, zodat ‘zij’ rein zou worden. De ooievaar lustte echter de kruiden niet, verkoos stinkende krengen en liep weg uit de apotheek om terug te keren tot hoor onreynicheyt. Kort daarna stierf de vogel. De moraal luidt: Aldus doen oec onreyne ende oncuijssche menschen die inden stanck der onsuurheyt staen ende ghewennet sijn inder quader begheerlicheyt Daer om en willen si anders niet noch anders yet en smaket hem van herten. Ende al isset dat si by tijden een weynich daer of ghetoghen warden si lopen nochtant haesteliken weder totter lelicheyt als die hont tot sijn wtgekoorde stanc ende dat verken in dat slijck Daerom seyt Iheronimus Wee den gheen die sijn leuen in onsuuerheyt eyndet Wee den gheen die dan heeft dat eynde der onsuuerheyt. De begeleidende houtsnede toont een apotheker en een ooievaar die met de bek zijn (haar?) geslacht reinigt.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 193 (nr. 231, verzen 33-38). Zot rederijkersrefrein. Een bedrogen man klaagt tot zijn onbetrouwbare, overspelige vrouw en haalt voortdurend sterk erotisch getinte herinneringen op aan de tijd toen het nog boterde tussen hen: Wat mach v ghebreken aen mijn persone / dat ghij dus ander bier wilt tappen / Ick leerde v reijen alderschoonste scone / den oeijeuaers dans ende die scuijten [ketels] lappen / Ick leerde v oeck spelen op maten / den tumelaer ende oeck den hoender draff. De merkwaardige uitdrukkingen in deze versregels zijn alle ongetwijfeld erotisch van aard, maar hun precieze betekenis blijft voorlopig onzeker. Duidelijk is wel dat ‘iemand de ooievaarsdans leren’ hier niet slaat op overspel, maar op het erotisch vertier toen er nog geen sprake was van overspel. Deze tekstbron wordt ook gesignaleerd in Bax 1948: 80 / Bax 1979: 102.

 

9 Ooievaar = de zondige mens (waarbij het klepperen met de bek vaak een rol speelt)

 

Bestiaire: Philippe de Thaon ed. 1841 (1121-35)

  • 80-81 (verzen 1290-1342). Berijmd bestiarium, Oudfrans. In de vertaling van Thomas Wright: Ibex is the name of a bird, which we call stork; / it comes from Egypt from the Nile: it is a very vile animal; / a vile bird is the stork, and it lives on carrion; / it dares not enter into the water, because it does not know how to swim; / near the bank it catches the stinking dead fish, / snakes, and vermin, serpents and game; / of such things it lives; hear what it signifies. / Now hear, man of God, he who is born in baptism, / enters in the intellectual water, in the spiritual sea, / by water is meant knowledge, know that for truth; / by sea, Holy Scripture, or this world by nature; / knowledge is the food which the holy man asks; / and Holy Scripture is food to the soul, / for him who will exercise it and treat it subtilely; / and the man who does not understand it, and who does not make food of it, / this is his blame, he lives as the stork [Wright vertaalt hier ‘cigonie’ foutief als ‘crane’], / and he who shall not do that, but will fly out, / he will live on carrion and will have fruit of the flesh; / fruit of the flesh rightly by fornication, / usury or bad vice, perjury and avarice; / that is what carnal people do, by which man is mortal; / spiritual fruit by which people vanquish the Devil, / that is charity, faith, and humility, / joy and peace, honesty and holy chastity. / And therefore, man of God, listen to authority; / thou oughtest to fly above the sea, that is, to surmount the world; / there are there many fierce beasts of cunning and wicked natures; / by the beasts are meant Devils and wicked people. / He who will surmount it, he must raise his wings; / men have two hands, which are for wings to them; / a man must raise his hands to heaven to worship God, / for from heaven came the force by which Satan was vanquished; / and we always understand that by the sign of the cross. / And see by a similitude the right meaning: / the sun is bright on the earth, when it can show its rays; / the moon extends its horns, when it receives light; / when a bird will fly, it will extend its wings; / a ship which is ready for the wind goes with all its sail raised; / what we have said we show for example: / hear another similitude, and have remembrance of it. / Moses was the servant of God, as authority says: / hear a fair miracle; when the people of Israel / would overcome, he stretched his hands to heaven; / Amalek was a tyrant, and the Jews misbelieving; / he was a very strong man on the earth, made war against Moses; / Moses vanquished him when he held up his hands, / and, when he put them down, Amalek conquered. / And thus ought man to swim, to raise his hands towards God, / that is, to pray to God, to sign himself with the cross; / and he who shall not do that, and shall live carnally, / he shall die in his sin, and shall go to the Devil. / Of such people God tells us truly in his writing, / let us leave the dead to be buried by the dead.

Aviarium ed. 1992 (1132-52)

  • 212-213 (hoofdstuk 47). Latijns aviarium. For a call, storks (ciconiae) make an oral sound by clattering the beak. Moreover, they represent those who give utterance to their wicked deeds with wailing and gnashing of teeth.

De bestiis et aliis rebus ed. 1854 (XII)

  • 43 (boek I, hoofdstuk 42). Latijns prozatraktaat. De stem van de ooievaars bestaat uit een bekgeluid dat zij maken door met hun snavel te klepperen. Zij verwijzen zo naar diegenen die met gejammer en tandengeknars onthullen wat voor kwaads ze hebben gedaan [mijn vertaling].

Unterkircher ed. 1986 (XIIIa)

  • 44. Bestiarium (Oxford, Bodleian Library, MS. Ashmole 1511). Die Töne ihres Mundes bringen sie anstatt mit der Stimme mit dem klappernden Schnabel hervor und sind damit ein Vorbild für die Sünder, die unter Heulen und Zähneknirschen mit dem Munde bekennen, was sie Böses getan haben.

Van den Gheesteliken Tabernakel ed. 1934 (XIV)

  • 344 (deel 5, hoofdstuk 138). Stichtelijk prozatraktaat. Ruusbroec bespreekt de onreine vogels uit de Bijbel. Over de ooievaar (‘Van den odevare’) luidt het: Die dertienste voghel heet Ibis, dat es de Odevare. Ende wandelt bi den oevere der watere, ende edt serpents-eiere ende venijn, corren (krengen) ende doede vessche. Ende hier-mede leven sine jonghe. Ende hi es wit van plumen. Hier-mede verstaen wi dat hen selke menschen ghelaten, ocht si gheesteleec waren; ende cleeden hen met witten plumen dat es: met enen scine van onnoeselheiden. Maer si wandelen op den oever der watere, dat es: bi den wereleken volke, dat onghestadich es ende wandelbaer, ende altoes treckende, dat heme ghelijct, in sonden. Ende hier-omme werden si ghespijst met serpents-eieren ende met venine, dat es: met onreinen becoringhen des viants ende der werelt. Ende dan eten si doede vessche ende corren: want si ghedinken met wille ende met begherten ouder ghenoechten, die si ghehadt hebben, ende ouder ghewoenten van sonden, die si gheploghen hebben. Ende hier-mede spisen si hare jonghe, dat sijn hare inwendeghe senne, crachte, ende ghevoelen. Ooievaar = dus hypocriete geestelijken die zich te werelds gedragen. Deze tekstbron ook vermeld in Bax 1948: 81.

 

10 De zegswijze ‘naar de ooievaar kijken’ = niets doen, luieren

 

Deze zegswijze wordt uitgebeeld in Bruegels Spreekwoorden-schilderij (Berlijn). Zie Jan Grauls, Volkstaal en volksleven in het werk van Pieter Bruegel, Antwerpen-Amsterdam, 1957, p. 114 (nr. 75). Ook vermeld in Bax 1948: 82 (noot 25).

 

De zegswijze wordt ook uitgebeeld in een De Luiheid-prent, waarvan twee staten bekend zijn: de eerste staat, zonder naam van uitgever, circa 1550, de tweede staat uitgegeven door Ioannes Galle, met foutief inschrift ‘Hieronymus Bos inventor’ (de prent is naar een ontwerp van Cornelis Metsys). Zie L. Lebeer, “De Blauwe Huyck”, in: Gentsche Bijdragen tot de Kunstgeschiedenis, 1939-40, pp. 220-222. Bij een schilder die vanuit een zolderraam naar een ooievaar kijkt, staat het bijschrift: Desen kijkt nae den oyevaer – Cet homme garde apres la cigogne. Bij een vrouw die aan de deur van een huis staat met rechts van haar een man die door een open venster kijkt, staat het bijschrift: Deze kijcken nae den oyevaer in plaets van wercke – Ceux-ci chassent les mousches au lieu de travailler. Onderaan op de prent een gedicht, met onder meer de verzen: Iae, sommighe Schilders die den tijdt versmaeyen, / Ligghen met d’ander nae den oyevaer en kijcken. Ook vermeld in Bax 1948: 82 (noot 25).

 

Bouwen en Pleun ed. 1985 (1610)

  • 237 (kolom 116, vers 118). Rederijkersklucht. De boer Bouwen wil zijn zoon aan het werk krijgen, tegen de zin van zijn vrouw in. Hij zegt: Maer metselen is me goet sou ick wanen / Dese drollige hanen [vrolijke kwasten, waarmee de metselaars dus bedoeld worden] hebben so wel gelt eenpaer / Van steygheren [door steigers te plaatsen] als van haren arbeyt zwaer / Of datse na den ouevaer sien ter halver weken. Metselaars verdienen dus geld ook al lanterfanten ze de helft van de tijd.

 

11 Ooievaar: restmateriaal

 

Van Velthem: Guldensporenslag ed. 2002 (1316)

  • 74 (hoofdstuk X, verzen 60-71). Historiografisch rijmtraktaat. De Fransgezinde graaf van Saint-Pol spreekt in de omgeving van Eke de opstandige Gentenaren verwijtend toe: Doen hi dit sprac hirenbinnen, / stoet I odevaer op die kerke / ende ontede daer sine vlerke / ende besmelten [scheet op hem] daer wel onsoeten / vanden hoefden toten voeten / Doe riep hi lude: ‘Sciet, sciet!’ / Die odevare en achtes niet / ende leide thovet inden necke / ende ginc clippen metten becke, / quansijs ‘Dit hebbic wel gedaen.’ / Hierombe werd confuus sonder waen / Simpoel [Saint-Pol] ende reet van daer.

Decamerone ed. 1989 (1349-53)

  • 73 (II, 2). Novellenbundel (Italiaans). Rinaldo, die overvallen werd, legt zich in de vrieskou te rusten vlakbij een kasteeltje waarin de minnares van een markies is ondergebracht: Nu bevond haar badkamer zich vlak bij het poortje waartegen de ongelukkige Rinaldo was gaan liggen, en terwijl ze in haar bad zat, hoorde ze een vreemd gesnotter en geklappertand, dat op het geklapper van een ooievaar leek. Ze riep haar kamenierster en zei: ‘Ga eens boven op de wallen kijken wie er buiten aan de deur zit en wat hij daar uitvoert.’ Het meisje deed wat haar gevraagd was en zag in de heldere vriesnacht duidelijk iemand die in zijn hemd en op blote voeten zat te rillen van de kou. Klappertanden van de kou wordt dus vergeleken met het klepperen van een ooievaar.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 212 (nr. 106, vers 36). Zot rederijkersrefrein, over dwergen en lange mannen. Een dwerg zegt over de lange mannen: die als goy oijevaers achter straten scryen. De benen van de lange mannen worden dus vergeleken met de lange poten van de ooievaar.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 173 (nr. 46, strofe b, vers 3). Zot rederijkersrefrein over winden latende nonnen. Een pater zegt tot een winden latende non: Ghij scheet wel eenen oeyvare uutten neste.

Cristenkercke ed. 1921 (kort na 1540)

  • 41 (verzen 995-997). Rederijkersspel. Dialoog tussen de sinnekes, die de val/verleiding van een christelijke maagd beramen: en gheluctet nv niet, wee onse poot dan, / soe moghen wij ons boersen wel gaen vloijen / ende met den ouwevaer te tije gaen scoijen. Een aantekening verklaart: ‘met de ooievaar gaan schooien’ = in de herfst vertrekken om te gaan bedelen.

De Keyser 1953 (XVIA)

  • 57. P. De Keyser, “Het rhetoricaal ‘exemplum’”, in: De Nieuwe Taalgids, jg. 46 (1953), pp. 48-57. In Handschrift-Gielis Leemans (XVIA, Rijksarchief van België, nr. 140) een lijst met iconografische beschrijvingen van vrouwen. Yustycya een vrouwe in die rechte hant een sweert in dander een balance voer huer eenen vogel als eenen odeuare eenen steen ynden voet. Uit andere bronnen weten we dat dit laatste slaat op wakkerheid, oplettendheid: de ooievaar staat op één poot en houdt een steen in de andere poot: als hij inslaapt, valt de steen en wordt hij wakker (zie bijvoorbeeld Miquel 1992: 105).

Iconologia ed. 1971 (1644)

  • 42. Prozatraktaat over iconografie. ‘Beschut tegens Verraed’: een man met een ooievaar in de arm en een takje platanus in de mond. De Storck of Oyevaer heeft natuerlijcke vyandschap mette Nachtuyl en daerom leyt haer de Nachtuyl dickwils lagen, soeckende haere nesten te breecken, en de eyren selve uyt te broeden, een sake die den Oyevaers seer schadelijck is, komende alles uyt een verborgen haet, die zy dragen. De Oyevaer, om dit nu alles voor te komen, voorsiet sijn nest met een taxken van de Platanus, want zy weet seer wel, dat de Nachtuyl voor soodaenigen struyck een groote schrick heeft, oversulx wanneer hy ’t nest komt naederen, soo ruyckt hy dien tack. En door dese bescherminge blijftse vry van alle verraderyen en listige laegen van den Nachtuyl.
  • 153. ‘Gemeenschap van ’s Menschen leven’ wordt allegorisch voorgesteld door een man die een ooievaar onder de linkerarm vasthoudt. Naar verluidt kan in het leven een mens niets alleen en heeft hij vrienden nodig: Even gelijck de Oyevaers doen, diewelcke om datse langh van hals zijn, soo wort hart dieselve door ’t langh vliegen moede, alsoo datse d’een achter d’ander met haere halsen, op malkanders rugge leunen, en d’eerste voorgevlogen hebbende, komt dan weder op de achterste rusten, gelijck Plinius seyt, ter tijd de vermoeytheyt over is.
  • 159. ‘Geneeskonst’: een vrouw met naast zich een zon met een ooievaar die een takje marjolijn in de snavel houdt. Door de grove Marioleyne wordt de swackheydt van des Oyevaers mage bewaert, en hierom wortse van de Egyptenaers tot dit voorstel gebruyckt, en dat tot een verborgen beeld der Medicine. De Egyptenaers gebruyckten oock daer toe den Vogel Ibis, diewelcke, gelijck elders geseyt is, met haeren snavel haer selve een klistery kan setten, en den buyck suyveren: gelijck het Hert, nae dat het den Chameleon sal hebben gedood, soo verdooft hy het venijn, knauwende Lauwerblaeden, ’t welck de Duyve mede doet, om haere kranckheyt te genesen.

 

[explicit 28 juli 2022 – Eric De Bruyn]

 

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram