Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90

PAD (het dier)

 

Over de pad bij Bosch, zie ook:

 

  • Dirk Bax, Ontcijfering van Jeroen Bosch, ’s-Gravenhage, 1948, p. 33.
  • Renilde Vervoort, “The Pestilent Toad – The Significance of the Toad in the Works of Bosch”, in: Jos Koldewij, Bernard Vermet en Barbera van Kooij (red.), Hieronymus Bosch – New Insights Into His Life and Work, Rotterdam, 2001, pp. 145-151.

 

1a Pad = iets onsmakelijks, vies, lelijks of walgelijks

 

Dialogus miraculorum I ed. 2003 (1219-23)

  • 107 (afdeling 2, hoofdstuk 16). Stichtelijk prozatraktaat, Latijn. Een stervende ridder heeft berouw over zijn zonden (hij had de dochter van een oom als concubine): Nu zou ik nog liever een pad zien dan haar.

Walewein I ed. 1957 (circa 1250)

  • 166 (verzen 5736-5745). Arturroman. De boze stiefmoeder die de edele Roges veranderd heeft in een vos, wordt door een tante van Roges veranderd in een verachtelijke pad. De tante tot de stiefmoeder: Onsen neve, dien ghi hier ziet / tote hi qite wert van desen / tote dier wile moeti wesen / ene padde ende sitten al stille / bin uwer porte onder die zille / ende alle die bi u zullen gaen / die moeten jou steken ende slaen / ende spuwen op u vel! / Dits also quaet, dat wanic wel / als dat ghi Roges hebt ghegheven.

Erec et Enide ed. 1993 (circa 1270)

  • 25. Oudfranse Arturroman. Over het wonderbaarlijk zachte Zwarte Eiland: thunder is not heard there, nor are there storms or lightning; toads and snakes do not inhabit the island, and the temperature is never too hot or too cold.

Van Velthem: Guldensporenslag ed. 2002 (1316)

  • 128-130 (hoofdstuk XXIV, verzen 48-58). Historiërend rijmtraktaat. Eén van de voortekenen van de Guldensporenslag (11 juli 1302): Het quam oec I padde gecropen / al grau uten Vlamscen here. / Men lietse crupen al sonder were / te siene wat het soude bedieden. / Si croep al dore die lieden / recht vort toten Vranken. / Daer stontse ende blies metten lanken / optie Waloys I lanc termijn / ende scoet op hem haer venijn. / Van danen keretsi ter hagen ward, /uten wege metter vard. De pad spuwde dus venijn naar de Fransen (en kondigde zo hun nederlaag aan).

Decamerone ed. 1989 (1349-53)

  • 302-303 (Vierde dag, derde verhaal). Verhalenbundel, Italiaans. Een minnaar en zijn meisje sterven door een salieblad over hun tanden te wrijven. Een recht beveelt de struik te verwijderen: De hovenier voerde terstond het bevel van de rechter uit, maar pas had hij de enorme struik omgehakt, of de oorzaak van de vreemde overlijdens kwam aan het licht. Onder de salie zat namelijk een reusachtige pad, die, naar men vermoedde, met haar giftige adem de bladeren had besmet. Aangezien niemand het monsterachtige dier durfde te benaderen, werd eromheen een grote houtmijt opgeworpen en werd het gedrocht samen met de saliestruik door de vlammen verteerd.

Reis van Jan van Mandeville ed. 1908 (XIVB)

  • 52 (regels 10-26). Reisverhaal in proza. Over een klooster aan de voet van de Sinaï: Ende in desen clooster en comen gheen vlieghen, noch mesien, noch padden, noch alsulke onreynicheit mids miraculen van gode ende van onser vrouwen. Want daer plagher so vele te sijnbi tiden die leden sijn, dat die moneke wouden den clooster laten met allen ende varen ende waren wt ghegaen ende op den berch gheclommen om dese stat te vliene ende te latene. Ende daer quam onse vrouwe tieghen hem ende seide, dat si weder keerden, want nemmermeer voort an en souden die vlieghen noch ander vulicheit in haren clooster comen. Ende doe keerden die moneke weder ende noyt sint gheen vanden ghewormte en wort binnen den clooster ghesien.

Gloriant ed. 1970 (circa 1405-08)

  • 124 (verzen1103-1107). Abel spel. Gloriant vertelt dat hij gevangen zat: Al slapende wardic daer ghevaen / ende in enen kerker ghedaen, / daer mi met rechte uut mocht verlangen, / want aderen, padden ende slanghen / waren daer mijn naeste ghebueren.

Proverbia Communia ed. 1947 (1480)

  • 64 (nr. 303). Spreekwoordenverzameling. Die der padden thooft afbijt troost hem tfenijns.
  • 104 (nr. 750). Wat quader visch es padde.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 111 (nr. 58, verzen 1-2). Zot rederijkersrefrein over een droom. Onlackx droomde my dat sotste dromen / Ja men hadder padden met moghen scoffieren. Hetzelfde in Doesborch II ed. 1940: 270 (nr. 153, verzen 1-2): Onlancx droomden mi so sotste dromen / ia men hadder padden met mogen scoffieren [van hun stuk brengen, beschamen, brutaliseren]. Als zelfs padden door die droom gechoqueerd worden, dan moet het wel heel erg zijn.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 310 (nr. 85, strofe e, verzen 5-6). Zot rederijkersrefrein over ongelijke liefde. Een jongeman over zijn lief (een oud wijf), ironisch: Zij ziet zoe vriendelijck duer haer locxken; / men zouder padden me mueghen vergheven. Als zelfs (giftig geachte) padden ermee vergiftigd kunnen worden, dan moet het wel heel erg zijn.

Groot Labuer ende Sober Wasdom ed. 1920 (1530)

  • 274 (vers 353). Rederijkersspel. Groot Labuer en Sober Wasdom hebben net heel valse muziek gespeeld. Groot Labuer zegt met zelfironie: Padden zouder of wechloopen groote scarden.

Gemeene Duytsche Spreckwoorden ed. 1959 (1550)

  • 3 (regel 14). Spreekwoordenverzameling. Men tredet die Padde wel soe lange/ dat sy van sich spijet. In Proverbia Communia ed. 1947: 42 (nr. 43): Also langhe tardt men den vorsch dat hi pijpt. De Latijnse versie aldaar: Ranula calcatur tantum quam vociferatur. Een bewijsplaats die aantoont dus pad en kikker in de Middeleeuwen makkelijk verward werden met elkaar.

Mars en Venus ed. 1991 (1551 / XVIa?)

  • 294 (verzen 992-993). Rederijkersspel. Juno over zij die vrouwen belasteren: Willen wij die blaemte van vrouwen spreecken / als padden ofte serpenten vervluecken [zullen wij die vrouwenlasteraars veranderen in padden of serpenten?].

Eneas en Dido ed. 1982/83 (1552)

  • 239 (vers 2424). Rederijkersspel. Een ‘laag’ personage (Ongheleerdt Begrijpen) zegt over iemand: Gans doodt, de vent sach of hij een pad gheswolghen ha. Dus: keek zeer onsmakelijk, trok een vies gezicht.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 212 (fol. 273v, vers 17). Rederijkerslyriek. Over de lelijke Vetustina: de borst als een crekele, graeu als een padde.

Eenvoudige Mensch en Schijn van Deuchden ed. 1996 (vóór 1598)

  • 95v (verzen 220-222). Rederijkersspel. Het neefke Schoon voor Dooghen over Eenvoudige Mensch, die de neefkes gaan verleiden tot zonde: Voor al moeten wij hem die waerheijt soo sat maken / en als een pat laeken, dat hij sonder achter docht / haer heel sal verlaeten als een die lachter socht.

Die Mensch veracht die Redelickheijt ed. 1994 (XVIB)

  • 112v (verzen 297-298). Rederijkersspel. Blijnde Begeerte (een neefke) over Die Mensch: Souden wij hem die Redelickheijt niet mogen sadt maken / dat hijse sou als een padt laeken tot alder uuer, siet.

 

1b Pad als invectief voor een persoon

 

Erec et Enide ed. 1993 (circa 1170)

  • 14. Arturroman, Oudfrans. Erec noemt een valse dwerg die hem sloeg, ‘pad’. Erec tot de ridder in wiens dienst de dwerg is: On that occasion you took me for a peasant, and that was a dreadful insult on your part, for when you looked on at such an outrage, you took delight in allowing such a dwarf and toad to strike the maid and me.

Lichtekoij ed. 1997 (XVI)

  • 41v (vers 479). Rederijkersklucht. Lichtekoij scheldend tot Heeroom: Hout daer noch wadt ghij fenijnige padde.

 

2a Pad = onderdeel van de helfauna

 

Dirk De Vos, Hans Memling – Het volledige oeuvre, Antwerpen, 1994, pp. 245-247 (cat. nr. 64). Het Triptiekje van de Aardse Ijdelheid en de Hemelse Verlossing (1485 of later, Straatsburg, Musée des Beaux-Arts). Middenpaneel: de Ijdelheid (een naakte vrouw), linkerluik (?): de Dood. Volgens De Vos: ‘Aan het vrouwelijk schaamdeel van de Ijdelheid beantwoordt de pad die als duivels dier op de genitaliën van de Dood zit.’ Overigens: ‘Het is materieel niet uit te maken of dit paneel zich links of rechts bevond’ [p. 245].

 

Boeck vander Voirsienicheit Godes ed. 1930 (circa 1410-20)

  • 112-113 (regels 26-28 / 1-8). Stichtelijke prozatraktaat. Over de hel: Daer syn oec onuerdrachlike ende ontellike wormen, altoes hongherich, vuerich, venynde, onreyne, stinckende als padden, spinnen, eghelen, slanghen, aderen, euedassen, draken, ende al onreynne ende venynde wormen. Dese crupen om die sielen, ende sukense, ende stekense yammerlike, ende sy crupen hem oec tot allen leden wt, ende als ten monde, ten noese, oghen, ende oren, ende totten leden der onscamelheit, ende tot allen leden nae dien dat si daer in ghesondicht hebben, ende knagense, ende bitense, ende scoerense wredeliken.
  • 147-148 (regels 13-22 / 1-6). Een exempel: Het was een hertoge van borgondien die te rade was gheworden sijns vaders lichaem te veruoeren die cortelic ghestoruen was. Ende doe men dat graf op deden, doe sach hi een grote pad op syns vaders aenschyn sitten ende at sijn tonghe. Doe ghinc die hertoghe wel wijslic in hem seluen ende sprac voir syn ridderen ende heren ende seyde: O valsche glorie der werelt, al hebste den vader bedroghen, du en selste den soen niet bedrieghen. Doe sprac hi voert tot sinen doden vader: O vader, sprac hi, waer syn nv dyn rijcdoeme ende dijn weelden ende dijn ghenoechte die du ghehadt hebste, waer syn nv die lecker morsielen ende costelike spise. Nu warste selue also leliken van eenre padde ghegheten, ende die wormen sullen di nv verslinden. Doe [liet] die hertoghe alle ding after ende ghinc in eenre oerden [geestelijke orde]. Hier dus: een duivelse pad als straf voor het genieten van de aardse ijdelheden.
  • 168 (regels 11-14). Over de straf van de gulzigaards in de hel: Hem wert oec op dese tafel ghesettet rauwe ende leuendighe padden, slanghen, draken ende menighe onreyne dieren, die si an horen danc moeten eten.

Vanden Levene Ons Heren ed. 2001 (1438)

  • 208 (verzen 3969-3972). Berijmd Jezusleven. Over de zondaars in de hel: Daer bi es vele onghiers: / so groet stanc, so vele ondiers, / padden, slanghen, sarpente, draken, / die sielen te verslindene si haken.

Visioen van Jacomijne Costers ed. 1996 (1489 of kort daarna)

  • 179 (regels 680-681). Stichtelijk prozatraktaat, visioen. In een visioen van de hel ziet de non Jacomijne Costers mannen en vrouwen op gloeiende bedden: en in haer leden cropen slangen, padden en ander helsche dieren.

Bijns ed. 1902 (XVIA)

  • 238 (nr. 5, strofe D, verzen 7-8). Vroed rederijkersrefrein. Lucifer tot de lutheranen: Uwe spyse es oock van my bespiet / Tzyn scorpionen, padden, serpenten, slanghen.

Verlooren Zoone ed. 1941 (1583)

  • 97 (vers 107). Rederijkersspel. In een opsomming door de sinnekes van helse dieren die in de hel dienen als voedsel: Padden ende slanghen.

 

2b Pad = duivel

 

Lucidarius ed. 2005 (circa 1300)

  • 393 (vers 716). Catechetisch rijmtraktaat, de zogenaamde Vers-Lucidarius. Over de Val der Opstandige Engelen: ende vielen neder geliken padden.

Visioen van Jacomijne Costers ed. 1996 (1489 of kort daarna)

  • 163 (regels 46-51). Stichtelijk prozatraktaat, visioen. De non Jacomijne Costers ziet in een visioen de duivel: En als sij aldus begost te dencken soo openbaerden haer den boosen vijant sinnelijck inde gedaente van een vreeselijcke padde, grooter dan eenige ratte wesen mach, maer de gedaente en dat maeckxsel was gelijck een padde, de welcke uut haer oogen schoet virige geschutten als groote lange pijlen, en uut den mont quamp een vier en daer mede quamp eenen grooten stanck die dese siel onverdraechelijck docht te wesen.

Leven van Ioannes Ruysbroec ed. 1981 (circa 1490)

  • 156. Stichtelijk prozatraktaat. Een duivel kwelt Ruusbroec: waer bi dat hi oec den goeden prior dicwijl plach quellijc te sijn om hem te ververen, verthoenende hem als nu in die gedaente van eender padde, als nu van enen anderen leliken dier.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 345 (nr. 94, strofe d, verzen 13-14). Vroed rederijkersrefrein, lof op Christus. Wij waren naeckt, ontschaeckt, haddij niet gewaeckt, / padden vol cladden hadden ons verslonden vroech.

Christoffel Wagenaer ed. 1913 (1597)

  • 30. Volksboek. Wagenaer en zijn gezel roepen duivels op: ende daer quamen voor haer eenen gantschen hoop croten, daer onder wasser een so groot als eenen olyphant.

 

2c Pad // hekserij

 

Chronicon ed. 2001 (lopend tot 1332)

  • 308-309 (Jaar 1323, par. 13). Latijnse kroniek. Enkele monniken begroeven hosties samen met een kat en padden. Als men gemiauw hoort, graaft men een kistje op: en toen dat werd geopend, zag men een zwarte kat, aan wie geen enkel proviand, behalve een paar hosties, was voorgeworpen. En er waren daar ook, naar sommigen zeggen, een paar padden (bufones) geplaatst, en boven dezelfde hosties met de kop naar beneden opgehangen, zodat ze de vloek van vergif daarop zouden laten vallen en elke hostie zouden vergiftigen en daarmee tevens de kat. (…) En zij allen [die monniken] werden, nadat deze schanddaad was geopenbaard en nadat zij de zeer kwaadaardige tovenarij hadden bekend, in tegenwoordigheid van iedereen veroordeeld en bestemd voor de brandstapel.

Malleus Maleficarum ed. 2011 (1487)

  • 219-220 (pars II, quaestio 1, cap. 5). Stichtelijk prozatraktaat over heksen, Latijn. Over een heks in een niet nader genoemde stad, die een hostie ontvreemdt: Volgens de aanwijzingen van de duivel gooide ze het ]namelijk het doekje met de hostie erin] in een pot waarin een pad zat en verstopte die, samen met andere dingen waarmee ze haar hekserij bedreef, in de grond in de stal naast de schuur van haar huis. Ze wordt verraden door kindergeschrei dat vanuit de grond komt en gearresteerd: Toen ze gearresteerd en ondervraagd werd, onthulde ze haar misdaad en bevestigde dat ze het lichaam van de Heer samen met een pad in de pot had gestopt en dat ze met het stof ervan naar willekeur mensen en andere schepselen schade kon berokkenen. Zie ook Malleus Maleficarum ed. 1986: 258-259.

 

3a Pad // zondige of ketterse mens, zondigheid

 

Fabulae ed. 1985 (1225-30)

  • 84 (nr. 22). Latijnse verzameling van fabels en parabels. Over mannen en vrouwen die overspel plegen met iemand die lelijker is dan hun eigen partner: Likewise again, a sinner’s soul (which is the bride of Christ) sometimes desires a singular toad more than He whose beauty of form transcends that of the sons of men. For all who engage in fornication, adultery, and deceit relinquish their beautiful spouse and desire a toad. They embracde the Devil and cling to a toad. To such as these, a toad seems more beautiful than the sun or moon – more beautiful than God Himself.

The Canterbury Tales ed. 1995 (XIVd)

  • 610. The Parson’s Tale, een preek, Middelengels. Hierna zullen wij spreken over minachting, hetgeen een boze zonde is, met name als een man geminacht wordt juist om zijn goede werken. Voorwaar, want zulkeminachting is als de vieze pad, die niet het zoete geuren van de wingerd kan verdragen, wanneer die bloeit. Dit staat in het onderdeel over de Ira (Toorn), maar lijkt beter te passen bij Invidia (Nijd). Het origineel luidt: Afterward speke we of scornynge, which is a wikked synne, and namely whan he scorneth a man for his goode werkes. / For certes, swiche scorneres faren lyk the foule tode, that may nat endure to smelle the soote savour of the vyne whanne it florissheth. Zie The Canterbury Tales ed. 1987: 309 (Fragment X, Group II, 634-635).

Wech van salicheit ed. 2009 (circa 1400)

  • 204 (reges 1846-1847). Catechetisch traktaat. Want in also vele als wi sonders sijn, so siwi ergher dan I hont of I padde.

Brugman ed. 1948a (XVc)

  • 85 (preek 7, regels 200-208). Prekenbundel. Over zondige, hyporcriete personen: Mer het is te sorghen, wart dat si haer consciencie te-recht doer-groven, si souden daer soe-veel padden, serpenten, slanghen, ende ander veel onreynen, stinckender wormen ende fenijnder dieren vinden, alsoe dat mense oec wel gelike mach den dooden-graven, die van buyten schoen bemaelt sijn, van binnen sijn si vol onreynicheit ende stinckender wormen. Dat heet ic padden, slanghen, serpenten, ende onreyn stinckede wormen: die quade boese gedachten, daer wi mede van binnen af ontreynicht werden.
  • 215 (preek 18, regels 13-24). Prekenbundel. Over de graden van ootmoedigheid: Den derden graet is: die mensche sal hem-selver snoeder kennen dan heyden ende joden, of dan den duvel vander hellen ende oec snoeder dan padden of slanghen. Ende dat hierom: want die heyden ende joden en hebben dat bekennen ende die gracie niet gehad, die wi hebben. Die duvel hadden oec meer saken der hoverdien dan wi hebben, want hi was inder glorien, ende wi en sijn daer noch niet. Die padden ende die slangen ende ander dieren ende beests en hebben haren scepper ende god niet vertoernt met sunden als wi doen. Want die creaturen bliven in haren staet, daerse god in hadde gescapen, sonder alleen die mensche. Want daer staet gescreven: ‘Vuer, hangel, snee, wijnt der wagen, die werke dat woert des heren’. Voor dit laatste, vergelijk Psalm 148, 7.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 325 (nr. 90, strofe a, vers 12). Vroed rederijkersrefrein. Over ketters: Honden, padden bringhen cladden van dwalinghen voordt.

Menschwerdinge Christi ed. 1992 (XVIB)

  • 17r (vers 208). Rederijkersspel. Doodende Letter tot Misbruijck: ghij der padden gespu, tfenijn der serpenten. Associatie met ketterij.

 

3b Pad = slechte priesters

 

Der Naturen Bloeme II ed. 1980 (circa 1270)

  • 79 (Boek VII, verzen 312-322). Natuurkundig rijmtraktaat. Over de ‘bufo’ (pad): Ets bevonden datmensen brochte / In anderen aert dan in den haren, / Ende daer en songhen si niet te waren. / Dese slachten papen predicaren, / Die nauwer buten prediken varen; / Daermense kent ende dicken plien, / Maecsi den meester philosofien. / Omme dese sake, als ict las, / Was die prophete Jonas / Van den walvische verslonden, / Als ons sine worde orconden. Sommige padden zingen niet meer zoveel, als men ze verplaatst. Zij lijken op priesters die slechts in hun eigen vertrouwde omgeving meesters in de filosofie zijn, maar daarbuiten weinig activiteit aan de dag leggen.

 

3c Pad // Avaritia (Hebzucht)

 

Ysengrimus ed. 1987 (circa 1150)

  • 502 (Boek VI, vers 304). Latijns dierenepos. Reynardus verwijt Ysengrimus dat hij hebzuchtiger was dan een pad bij het verdelen van een kalf tussen leeuw, vos en wolf: Librat bufo tenax atque relibrat humum (the toad measures out in its grasp one lot of earth to eat, and only then measures out another).

Dialogus miraculorum I ed. 2003 (1219-23)

  • 129 (afdeling 2, hoofdstuk 32). Stichtelijk prozatraktaat, Latijn. Een berouwvolle woekeraar wordt in een kist door padden (voortgekomen uit zijn aalmoezen) verslonden. Dit is naar verluidt een straf voltrokken door aardse ‘wormen’, om aan de helse ‘wormen’ te ontsnappen.

Dialogus miraculorum II ed. 2004 (1219-23)

  • 343 (afdeling 11, hoofdstuk 39). Stichtelijk prozatraktaat, Latijn. In de doodskist van een woekeraar zitten twee padden die munten in zijn hart stoppen.

Fabulae ed. 1985 (1225-30)

  • 146 (nr. 99). Latijnse verzameling fabels en parabels. Over hebzuchtige personen: These men are toads of the Devil.

Der Naturen Bloeme II ed. 1980 (circa 1270)

  • 78-79 (Boek VII, verzen 293-306). Natuurkundig rijmtraktaat. Over de ‘bufo’ (pad): In daerde neemt si haren aert, / Die si nochtan so nauwe spaert, / Dat siere nemmermeer te live en doet / Sdaghes dan si beluuct onder den voet, / Omme dat si vruchtet al, / Dat haer aerden ghebreken sal. / Dus slacht si den vrecken wel, / Die sine lichame es fel, / Ende onthout hem sijn bedaerve. / So coemt een vreemde in sijn aerve, / Die verdoet ende verteert / Dat hi swaerlic heeft ghespaert, / Ende des dier zielen en danct niet / Van al dat si achter haer liet. De pad eet dus aarde, maar nooit meer per dag dan zij onder haar poot heeft. De vrek spaart heel zijn leven en na zijn dood verdoen anderen zijn goed.

Boeck vander Voirsienicheit Godes ed. 1930 (circa 1410-20)

  • 165 (regels 7-13). Stichtelijke prozatrakaat. Hy [de gierige mens] is ghelyc der padden, want men seit dat die pad leeft vander aerden ende nochtant als si vol is ende voert crupet, soe neemt si horen enen voet vol aerden mit haer, want si meent dat haer die aerde ontbreken sal. Alsoe is de ghierighe mensche want wat hi meer heuet wat hem meer ghebreket.

Blome der Doechden ed. 1904 (XVa)

  • 85-86 (hoofdstuk 28). Stichtelijk prozatraktaat. Over de Gierigheid: Dese ghiericheit machmen ghelijken bijden padde die ewelijc inder erden is, ende nochtan ducht sij van natueren alle weghe dat hoer die erde ghebreken sal. Alsoe ist recht mitten ghierighen minsche dat hij sijn huys vol gouts ende goets hadde ende hij altoes dat gout voer sijnen oghen sage waer hij hem keerde. Soe soude hij nochtan alle weghen sorghen ende anxt hebben dat hem gouts ende goets breken soude in sijnen leven.

Een Nyeuwe Clucht Boeck ed. 1983 (1554)

  • 190 (nr. 202/2, regels 5-8). Een kluchtboek. Een vader komt op bezoek bij zijn zoon, die net een gebraden hoen gaat eten, maar de zoon verstopt het gerecht. Als de vader eens ghedroncken hadde, ghinck hy wederom wech. Als hi wech was, ghinc die soon ende woude syn hoen wederom haelen. Doen was ’t in een gropadde verandert ende spranck hem in ’t aensicht. De pad wijst hier op zondigheid (vader en moeder niet eren), en meer bepaald op gierigheid.

Vanden .X. Esels ed. 1946 (1558)

  • 34 (regels 19-24). Volksboek. Over de 8ste ‘ezel’, de vrek: Maer hi slacht der padden / hy sorghet dat hem eerde ontbreken sal / want die padde neemt een cluytken eerden in haren poot wanneer sy slapen gaet / sorghende dat die eerde smorghens soude vergaen zijn / soo doet oock die ghierige mensche / want dese meynt dat hy nymmermeer genoech en sal hebben.

Menich Mensch en Onversadelijcke Begeerte ed. 1998 (1597)

  • 41v (verzen 917-920). Rederijkersspel. Een dialoog tussen de sinnekes Eijgen Baet en Giericheijt: [Eijgen Baet:] Ick souder wel om worden dul / [Giericheijt:] en ick wel als een pad.

Al Hoy ed. 1964 (circa 1600)

  • 11 (verzen 185-186). Rederijkersspel, tafelspel. Buijcxken Selden Sat en Ijdel Lustken over de vrek Willeken Noijt Genoech: [Buijcxken:] Hy en heeft niet aerde gnoech! / [Ijdel:] Hy slacht der padde, / die altoos even ghierich sidt in haer hol.

 

3d Pad // Ira (Toorn, opvliegendheid)

 

The Canterbury Tales ed. 1987 (XIVd)

  • 309 (Fragment X, Group I, regels 635-636). ‘The Parson’s Tale’. Over minachting als onderdeel van Ira: Hierna zullen wij spreken over minachting, hetgeen een boze zonde is, met name als een man geminacht wordt juist om zijn goede werken. Voorwaar, want zulke minachting is als de vieze pad (tode), die niet het zoete geuren van de wingerd kan verdragen, wanneer die bloeit [The Canterbury Tales ed. 1995: 610].

Die pelgrimage vander menscheliker creaturen ed. 2005 (1463)

  • 368 (Boek II, regels 6-7). Stichtelijk-allegorisch prozatraktaat. Gramscap over zichzelf: Ic ben oec ghenoemt Gramscap, die putertierne deerne. Ic ben oec ghelijck der padden, die vol venijns es ende vol quaetheden.

Leenhof der Ghilden ed. 1950 (1564)

  • 27 (verzen 630-631). Satirisch-allegorisch strofisch rederijkersgedicht. Over opvliegende personen: Van quaetheyt swillen ghelijc een padde, dat leyt [ligt] / ter tweeder aen eenen quaden oorde.

Lazarus ed. 1992 (XVIB)

  • 139v (verzen 1238-1239). Rederijkersspel. Judas Ijschariot zegt: Al datter is mijn lichaemen gewelt / van quaetheijden gelijck den padde swelt.

 

3e Pad // Luxuria (Onkuisheid)

 

Boeck vander Voirsienicheit Godes ed. 1930 (circa 1410-20)

  • 179 (regels 13-15). Stichtelijk prozatraktaat. Over onkuise personen in de hel: Voert soe wart bi elke oncuysche siele een dier gheleyt, paddes ghelyc, dat alsoe groet is als dat onuerdrachlike bedde daer si op legghen. Dit beest bedrijft de liefde met de zondaars (zie regels 21-23).

 

3f Pad // Superbia (Hoogmoed)

 

Houwaert / Vier Wterste II ed. 1965 (1580-82)

  • 282 (strofe 564, vers 7325). Strofisch rederijkersgedicht. De ikverteller ziet in een visioen van de hel zielen als padden gheswollen van houerdije.

 

4 Pad // de dood

 

Indestege ed. 1951 (XVd)

  • 33 (nr. VI, strofe 12, verzen 1-4). Gedicht over de dood. Och, wat gheselscap vinden wy daer! / Padden, pieringhen, wormen voerwaer / ende een donckel, stinckende ghewant. / Dus voert men ons in dander lant.

 

[explicit 6 mei 2022]

 

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram