Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90

PIJL (boog, boogschieten, boogschutter)

 

Latijn: sagitta (pijl), arcus (boog), sagittarius (boogschutter).

Middelnederlandse woorden voor ‘pijl’: bout, geschut, quareel, schicht, schut (schutte, scutte), strale, vlieke. Roede met de betekenis van ‘pijl’ komt hieronder slechts één maal voor, namelijk bij Hildegaersberch (zie onder nummer 8).

 

1 Pijl // listige inblazingen, kuiperijen en aanvallen van de duivel

 

In Malleus Maleficarum ed. 2011: 444-447 (pars III, quaestio 34, tekstbron uit 1487), is er sprake van ‘tovenaars-boogschutters’, waarmee blijkbaar een soort wapenbezweerders bedoeld worden die werken in de dienst van wereldlijke heren, iets wat door de auteurs van de Malleus scherp afgekeurd wordt…

 

Vita Beatricis ed. 1993 (XIIId)

  • 69 (paragraaf 72). Latijns heiligenleven. Nergens was er een plek waar de vijand van de mensheid haar geest had kunnen treffen door haar tot instemming te verleiden of haar te slaan met een pijl van oneerzame influistering of verwerpelijke geneugte.

Spiegel der Sonden ed. 1900 (XIV)

  • 112 (deel IV – Traechede, verzen 8832-8835). Stichtelijk rijmtraktaat. Over de luie mens: Als een teyken daer schutters na pleghen / te schietene, so is die ledighe mensche. / Van allen ziden te wensche / mach vanden viant geschoten wesen.

Tafel van den Kersten Ghelove II ed. 1937 (1404)

  • 148 (Winterstuc, hoofdstuk 32, regels 139-140). Theologisch compendium. Het christelijke geloof is een schild tegen de duivel daer wi al sijn vuerighe scutte moghen in lesken (blussen).

Tafel van den Kersten Ghelove IIIb ed. 1938 (1404)

  • 429 (Somerstuc, hoofdstuk 33, regel 155). Theologisch compendium. De vuerighe scutten des viants.
  • 608-609 (Somerstuc, hoofdstuk 48, regels 52-53). Dijns viants scutten.

Leven Ons Heren Ihesu Cristi ed. 1980 (1409)

  • 33. Jezusleven. Die venijnde scutte des bosen gheests.

Spieghel der menscheliker behoudenesse ed. 1949 (circa 1410)

  • 168 (hoofdstuk 28, verzen 197-199). Stichtelijk rijmtraktaat. Over de Zeven Hoofdzonden: Dese sonden zijns sviants wapen / ende schichten, daer zij mede betrapen / ons, die zij brochten gherne int net.

Jhesus collacien ed. 1962 (1480?)

  • 216 (26ste preek, preek van de H. Geest, regel 10). Prekenverzameling. De scutten des vyants.

Uure vander Doot ed. 1944 (circa 1516)

  • 107 (verzen 883-884). Rederijkerslyriek. Maer verblijt v die doer penitencie / ghewracht hebt en bewaert voer tvians schicht sijn.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 108 (nr. 56, vers 71). Vroed rederijkersrefrein. Door het geloof kan men die bernen (lees: bernende) pijlen des viants becleuen
  • 286 (nr. 133, vers 71). Vroed rederijkersrefrein, lof op Maria. Lof Targe die ons behoit voor sviants schichte.

Bijns ed. 1875 (1548)

  • 165 (boek II, nr. 19, strofe a, vers 4). Vroed rederijkersrefrein. Want sviants stralen op ons ooc schieten fel.

Crul ed. 1954 (XVIA)

  • 47 (verzen 55-56). Rederijkerslyriek. Over de duivels: Zij spannen heur boghen, secreet bijsondre, / heur schutten nijdich op mijn ziele gheset. Hetzelfde in De Bruyne I ed. 1879: 175 (nr. 41, strofe 5, verzen 3-4) (datering: 1579-83).
  • 58 (vers 205). Die die vierighe pijlen des viants blusten.

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 349 (boek III, nr. 37, strofe c, vers 13). Vroed rederijkersrefrein. Over de duivels: Wetten doen sij pijlen, die sij op mij setten.

De Bruyne I ed. 1879 (1579-83)

  • 122 (nr. 28, strofe 3, verzen 1-5). Vroed rederijkersrefrein. Nu dit lieff (namelijk: Christus), siende dat ick was bedrogen / van dat quaet duertrocken saet, menichfuldich, / is met grooter liefden te mywaerts getogen, / schendende haer bogen, met sinnen verduldich, / duer syn bitter lyden & doot ontschuldich.

De Bruyne III ed. 1881 (1579-83)

  • 194 (nr. 134, strofe 3, vers 5). Vroed rederijkersrefrein. U licht, dat ons sticht, svyans schicht is swaer.

Afval vant gotsalige wesen ed. 1996 (XVIB)

  • 112r (verzen 183-184). Rederijkersspel. Het ene neefken tot het andere: Maer met wat pijlen fel sullen wij hem aenranden gaen / op dat wij hem mochten tot schanden raen. Neefkens zijn diabolische personages.

Dolende Mensche ende de Gratie Gods ed. 1893 (circa 1600)

  • 30 (vers 396). Rederijkersspel. Het ene sinneke tot het andere, als Mensche zich heeft laten verleiden tot zonde: Wij en schieten niet al verloren bouten. Sinnekens zijn diabolische personages.

 

2 De pijl van de dood

 

Zijdelings interessant in verband met deze topos is dat in de Bijbel de vergankelijke mens vergeleken wordt met een pijl die de lucht doorklieft: zie Wijsheid 5, 12-13. In de Delftse Bijbel (1477) luiden deze verzen: of als een ghescut dat wtghescoten is in die stat daerment sendet en(de) die lucht en(de) dat ghescut gadert in een en(de) stapha(n)s om datme(n) des ghescuts ouerlijt niet beke(n)ne(n) en sal: aldus als wij ghebore(n) ware(n), so liete(n) wi als staphans te wesen: en(de) wi en consten oec gheender duecht getonen: want wij sijn verteert in onser quaetheit.

 

Fasciculus morum ed. 1989 (XIVa)

  • 103-104 (pars I, cap. xiii, regels 125-127). Latijns hoofdzondentraktaat. Fourth, death is likened to a summoner. As a summoner carries letters or a staff as a sign of his office, thus death carries as his staff an acutely painful arrow (sagitta).
  • 104-105 (pars I, cap. xiii, regels 134-135). De Dood wordt vergeleken met een ridder die een schild vasthoudt dat verdeeld is in vier kwartieren. In the third quarter was an archer (sagittarius), as a sign that the last blow man will bear is death.

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 119 (verzen 136-138). Rederijkerslyriek, lofdicht op Christus: Godtlike cracht v niet en faelde / hoe wel de doot v menschelick straelde / dair ghi waert ande cruce hangende.
  • 288 (verzen 4-5). Vroed rederijkersrefrein over de Dood: want voor v stralen zijnde int raecken snel / weet ick my waer wachten.

Drie Blinde Danssen ed. 1955 (1482)

  • 56. Moraliserend-allegorisch droomvisioen. Beschrijving van de Dood: Dese naecte creatuere was gheseten op eenen osse lansem ende traechlic voort gaende hebbende anden hals een slapelaken. Ende de persoen op den selven osse sittende hadde eenen langhen strael ende bloedich gescut in sijn hant.
  • 58. De allegorische uitleg van de vorige passage: Siet de leelike figuere sittende op den osse Is de doot die op den traghen osse ende beeste sit. Nochtans soe en is ter werelt mensche beeste voghel noch gheenrehande ghedierte hoe snel van loope oft vlueghe ende hoe traechliken den osse voert gaet hij en scietse ende gheraectse mit sijnen strael die alsoe sterc is datter niet teghens en hout.

Scaemel Ghemeente ende Trybulacie ed. 1920 (XVIA)

  • 141 (verzen 249-250). Rederijkersspel. De Dood zegt: Ic heete de Doot / die onvoorsien elcx herte can straelen.

Crul ed. 1954 (XVIA)

  • 83 (vers 102). Vroede rederijkerslyriek, bewerking van Psalm 77: De pijlen des doots blijven in mij gheschoten.

Pas der Doot ed. 1936 (1528)

  • 65 (vers 86). Strofisch, stichtelijk-allegorisch rederijkersgedicht. Over twee ridders, Accident en Antijke: Elc ridder met sdoots pijl doorschachtich was. De pijl is afkomstig van Vrouw Dood. Ook in de houtsnede op de titelpagina heeft Vrouw Dood een pijl vast.

Wynghaert ed. 1920 (1534)

  • 517 (vers 697). Rederijkersspel. Over de dag dat ons de doot zal commen straelen.

Jubile ed. 1920 (1534-35)

  • 525 (vers 74). Rederijkersspel, tafelspel. Als tclooster jn nooden was ruum zes weken / vander quaeder siecte duer sdoots bestraelen.

Brugge: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 107 (vers 329). Rederijkersspel. O doodt, waer es u strale beseven?

Nieuwkerke: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 192 (verzen 248-249). Rederijkersspel. Evangelische Leeraer zegt: Ghy zulter in wezen voorzien van trooste, / als u de strael des doodts compt te voren.
  • 193 (verzen 271-272). De Mestroostighe Mensche zegt: Als my de strael des doodts zal duer schieten, / welc zal dan mynen meesten troost zijn?
  • 197 (verzen 365-366). Schriftuerlic Troost zegt: De doodt es verwonnen inder victorye, / hueren strael es plomp, dit es ons waerende (werende) pijn.
  • 200 (verzen 444-446). Schriftuerlic Troost zegt, over Maria en Christus: Zegghende: O doot, ic sal uwe doot wezen; / ende hueren strael es huer ooc benomen, / dwelc es de zonde.

Tielt: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 243 (vers 15). Rederijkersspel. De doot ons allen met hueren strale steict.
  • 259 (vers 369). Roupende: waer es, o doot, uwen strael gram?

Antwerpen: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 299 (verzen 519-521). Rederijkersspel. En Paulus willet ooc bedien, / dat ghy ten wtersten daghe eerst zult zien / de doot gheheel te nieten met hueren strale.

Brussel: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 419 (verzen 214-216). Rederijkersspel. [Staervende Mensche:] Wat strael heift die doot? / [Daude Serpent:] Den strael der zonden, ziet, / U dreyghende om u tijts versommenesse (verspilling).
  • 420 (verzen 229-231). [Staervende Mensche:] Tes waer; dies my de doot nu perseqweirt, / ghevende my veil doodelicke wonden / en iaeght my ter hellen metten strael der zonden.
  • 427 (verzen 385-387). Dlevende Woordt over Christus: Hy zal den strael der zonden van u nemen / daer u de doot met wijst het eeuwigh dangier. Christus an tcruce zegt dan: Nu wil ic nemen den strael der zonden hier.

Loo: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 518 (verzen 164-165). Rederijkersspel. Sgheests Cracht zegt: Christus heeft de cauze des doots op hem gheladen stuere, / dwelc es de zonde, duer wien sdoots strael cam.

sMenschen Sin en Verganckelijcke Schoonheit ed. 1967 (1546)

  • 167 (regie-aanwijzing tussen verzen 821 en 822). Rederijkersspel. Hier wert tprieel geopent en sMenschen Sin en Verganckelijcke Scoonheit sitten mit malcander omhelst, ende de Doot sal bij haer staen met een doots hooft, ofte straele pogende te werpen.

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 188 (fol. 427r, verzen 25-26). Vroed rederijkersrefrein. Tot de Dood: en wat van menschen naer hu mach commen yet / tsdoods Raschslumende strael zalse oock verwinnen.

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 233 (boek III, refrein 4, strofe a, verzen 3-4). Vroed rederijkersrefrein. Tot de Dood: Hoe rijc, hoe schoone, hoe subtijl van geeste, / niemant en mach uwen schichte ontgaen.
  • 235 (boek III, refrein 4, strofe e, vers 2). Vroed rederijkersrefrein. Door diveersche siecten schiet de doot haer stralen.
  • 370 (boek III, refrein 43, strofe g, vers 7). Vroed rederijkersrefrein. Over de Dood: Soo ontsie ic mij seere van haren schichte.

Reyne Maecxsele ed. 1906 (1571-83)

  • 29 (vers 579). Rederijkersspel. Vleeschelickheit over de Dood: Want hy vp my ghemickt staet met zynen schichte.

Verlooren Zoone ed. 1941 (1583)

  • 199 (verzen 1012-1018). Rederijkersspel. [Scriftuerlick Troost:] O doot, zeght Paulus, waer es nu den strael dyn, / Helle, waer es u victoorie die quaet wilt als regael zyn. / Fyguerlick tmorael fyn hebdy hier of doorconde / al nu ten stonde. / [sGheests Inspiratie:] sDoots strael es de zonde, / ende de cracht der zonden es des wedts daet, / zoo ons dat by paulus in zyns ghescriften ghezedts staet, / den zondaren tot een eeuwighen memoorie ghescreven. Vergelijk 1 Corinthiërs 15, 55-56.

 

3a Pijl in positieve religieuze context (als straf van God voor de zondaar)

 

Veer utersten ed. 1975 (XIVd)

  • 82 (regels 15-21). Stichtelijk prozatraktaat. Vor war, als Ysaias secht, so sint sine (Christus’) scutte scharp vnde alle sine bogen ghespannen, vnde he heft vele scotes, dat he noch nicht uth ghetogen en heft, sunder dar wel he (maar daar wil hij) den sunder na dem lesten richte mede sceyten. Dut schot is mennigher hande pine der helle, dar de vnsaligen mede ghequelet schollen werden.

Jhesus collacien ed. 1962 (1480?)

  • 212 (Preek 25, preek van de H. Geest, regels 4-8). Prekenbundel. De H. Geest spreekt: Die gherechticheit heeft ghespannen sijn boghe der gramscap. Ende heeft daer op geleit den pijl der wraken ende yser des pijls heeft hi gheherst mit wreder dreighinghe ende meent doot te schieten die siel die daer swart is ghelijc den raven overmits dootliken sonden.

Ieper: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 155 (verzen 44-46). Rederijkersspel. Cleynmoedighe zegt: Die pylen des almaghtighen hebben my gheraect, / zo dat den troost mijnder zielen zy / nu verre van my. Vergelijk Job 6, 4 en Psalm 38 (37), 3.

Crul ed. 1954 (XVIA)

  • 44 (vers 23). Vroede rederijkerslyriek. Tot God: U pijlen hebben mij alte zeere ghewondt.

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 149 (fol. 403r, verzen 9-17). Rederijkerslyriek. Vertaling van Psalm 38 (37), 3: Wilt my niet straffen heere / doch in huwer Toornicheyt / berespt my oock niet zeere / in huwer verbolghentheyt / want huwe pylen crachtich / die zyn my ghesteken by / end huwe handt almachtich / die hebt ghy oock warachtich / vaste ghemaect ouer my.
  • 218 (fol. 446v, verzen 25-27). Rederijkerslyriek. Wel mueght peysen dat god toornich vp hu bedeghen / thuwaerts gramlick zyn zweerd vpgheheuen heeft / en zyn boghe ghespannen bereed, dus beeft.

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 241 (boek III, refrein 5, strofe g, verzen 12-13). Vroed rederijkersrefrein. Over de Eindtijd: Dan sal de Heere sijn rechtveerdighe schichten / schieten op de verdoemde boose wichten.

 

3b Pijl in andere positieve religieuze contexten

 

Tafel van den Kersten Ghelove IIIa ed. 1938 (1404)

  • 243 (Somerstuc, hoofdstuk 16, regels 56-64). Theologisch compendium. Over Christus die de H. Geest zond naar zijn apostelen: Die ander wisen van senden is, als enich dinc craft van sinen sender ontfaet, ghelijc als een pijl van sinen scieter vlucht neemt ende craft. Recht aldus sendt die Soon van hem den heilighen Geest. Want hi seide: Ist dat ic van u gae, so sal ic u den heiligen Gheest senden. Die Vader is dat armborst; die Soon is die ghespannen pese inder noet; die heilighe Gheest is dat scut. Dair David of seit: die pijl der moghentheit des Heren sijn scarpe ghescutten mit verlaten colen, welke gheestelike scutten sijn vreemde ende wonderlike. Vergelijk Psalm 119, 4.

Nychodemus passie ed. 1926 (XVA)

  • 563 (X.1). Apocrief Bijbelboek. Christus werd aan het kruis genageld dat hi met uytgherecten leden ende verdeende (opgespannen) aderen ende zenewen stont ghespannen als een armborst op synre pese.

Suster Bertken ed. 1924 (1518)

  • 46. Geestelijk proza. Pijl die door de lucht vliegt en de lucht niet kwetst // de maagdelijke geboorte van Jezus: Doe si aldus stille in wonderliken vrede was ende haer geest seer hooch verheven was, doe baerde dy moeder gods haeren soen also snellic sonder hinder oft quetsinge, na gelijke te setten als een pile die doer die lucht vliecht: also als die pile vander lucht niet gescut (gestuit) of gehindert en wordt, noch die lucht nyet gequetst en werdt vanden pile, also quam voert dye soen gods ongehindert ende die moeder goeds bleef ongequetst.

 

3c Pijl = de liefde van Christus

 

Navolghinghe ons Heren Ihesu Cristi ed. 1954 (XVA)

  • 156 (boek III, hoofdstuk 48, regel 23). Stichtelijk prozatraktaat. De ‘ik’ tot Christus: Make blixeme ende scheydetse; sende uut dine ghescutte ende alle die fantasien des viants moeten gestoert worden.

Suster Bertken ed. 1924 (1518)

  • 18. Geestelijk proza. De ‘ik’ tot Christus: Mijn geest wordt ontsteken in vuericheit, de minlijke scutten uwer godliker minnen doergaen mijn binnenste.

Diets gebedenboek ed. 1961 (XVIa)

  • 39. Gebedenboek. O alre suetste Ihesu wonde mijn harte metten gheschutte dijnre minnen ende lieften.

Prieelken der GheestelykerWellusten ed. 1927 (1587)

  • 58 (strofe 2, verzen 1-3). Geestelijke lyriek. De zondige ‘ik’ tot Christus: Compt lief inder noot / Wilt myn cout herte doorstraelen / Met uwer liefden groot.

 

4 De pijl van de liefde

 

Ferguut ed. 1982 (circa 1250)

  • 86-87 (verzen 1230-1246). Arturroman. Die Minne versiet wel ende verstaet / dat tijt ware, datsi in haer quame / ende si te minnen vername. / Si sette een scicht in haren boge / ende scoet der joncfrouwen dore doge / int herte so diep, hen conste verdriven / noit meester; het moeste met haer bliven. / In wil niet dats mi yemen veronste / dat ic seide, dat Minne conste / scichte schieten of quarele. / Al ware een man in drie castele / dore wapent met ysere ofte met stale, / si dore scoten met haren strale. / Die Minne es soe getrahijnt (geslepen), / hare scichte sijn soe ghefenijnt, / wien sie scietet, wijf of man, / dat hijs genesen niet en can.

Beatrijs ed. 1995 (XIV)

  • 50 (vers 115). Berijmde Maria-legende. Beatrijs tot haar minnaar: Der minnen strael stect mi int herte.

Der Minnen Loep I ed. 1845 (1411-12)

  • 16 (boek I, verzen 351-352). Moraliserend rijmtraktaat, ars amandi. Dat gheschut van sridders oghen / bracht die vrouwe in lieflic doghen.
  • 64 (boek I, vers 1688). Geliefden die elkaar al snel laten vallen ende schoten voert mit ander pesen.
  • 65 (boek I, vers 1737). Aan de vrouwen: als een minnaar zijn geliefde voor u laat vallen, zal hij dat vroeg of laat ook met u doen. Twijfel er niet aan hy en schiet di mitter selver strale.
  • 85 (boek I, verzen 2270-2271). Ach! Hoe starck was dat venijn, / dat Venus schoet mit haren strale.

Der Minnen Loep II ed. 1846 (1411-12)

  • 15 (boek III, verzen 394-396). Moraliserend rijmtraktaat, ars amandi. Want tghesicht leyt menighe laghe, / diemen wel veylich soude doergaen, / lietet ghesicht sijn schieten staen.

Middelnederlandse boerden ed. 1957 (circa 1440)

  • 86 (nr. 15, vers 65). De boerde ‘Sint dat wi vrouwen garen’. Een ridder is door Venus gewond metten strale van hare minne.

De Roovere ed. 1955 (vóór 1482)

  • 313 (vers 36). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht van man: Tfy schoot ghy in my der minnen strael.
  • 393 (vers 2). Amoureus rederijkersgedicht. Groet van de ‘ik’ aan zijn geliefde: Aen v die zijt mijnder herten strael.

Drie Blinde Danssen ed. 1955 (1482)

  • 18-19. Moraliserend-allegorisch droomvisioen. Cupido zegt: Mit venus strale sciet icse der steden / van therte.

Triumphe ende ’t palleersel van den vrouwen ed. 1996 (1514)

  • 252 (vers 19). Allegorisch-moraliserend rijm- en prozatraktaat. Met desen strale es gheraect dat herte mijn.

Ghevecht van Minnen ed. 1964 (1516)

  • 45 (verzen 16-18). Berijmde ars amandi. In de proloog gaat de auteur wandelen (het is mei) en hij ziet een jongeman: Eenen iongelinck sach ic staende in een crijt / Tusschen IV vrouwen met hantboghen en pijlen, / Die al na hem schoten te dier wijlen. Die vier vrouwen blijken te zijn: Minne, Ghestadichede, Onghestadicheyt en Jalozije.
  • 54 (vers 227). Dat strael der minnen heeft liefden verwecsele.
  • 56 (verzen 292-294). Nu hoort ghi iongers wat ic u vertellen sal / Vanden iongelinck, als hi dus is doorwont / Metten strael van minnen, die hem noch vellen sal.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 24 (nr. 8, vers 37). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Therte is doerscoten mit venus scichte.
  • 27 (nr. 10, vers 5). Amoureus rederijkersrefrein. Als cupido der lieften strael wt stoude.
  • 43 (nr. 19, verzen 7-8). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Nochtans was ick mit venus scachte / doerscoten soe seere ic en condes ghedoghen.
  • 70 (nr. 36, vers 1). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. Tstrael van vrou venus.
  • 90 (nr. 47, vers 16). Amoureus rederijkersrefrein, liefdesklacht. O venus die my den strael in scoot.
  • 171 (nr. 88, vers 31). Amoureus rederijkersrefrein (thema: het huwelijk is een paradijs): Cupido coomter syn vierich strael schieten.

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 26 (nr. 10, vers 7). Amoureus rederijkersrefrein. Al ben ic gheraect duer der minnen schichte.
  • 64 (nr. 26, verzen 78-79). Amoureuze rederijkersballade. Al schiet ic mijn pijlen met slappen pesen, / die getrouwich mint moet dic met drucke wesen.
  • 71 (nr. 30, vers 5). Amoureus rederijkersrefrein. De ‘ik’ tot Venus: uwen vierigen schicht is therte minckende.
  • 127 (nr. 69, verzen 9-10). Amoureus rederijkersrefrein. Vierighe begheerte was die mi schoot / den schicht van minnen die mi doet steruen.
  • 144 (nr. 79, verzen 1-2 / 6-8). Amoureus rederijkersrefrein. O God Cupido hoe doorschieti mi / mit uwen strale duer Venus gebot / (…) O venus godinne twi ontslootti tslot / der stralender oochskens die mi doorulogen / mits so vierigen heeten gheschot.
  • 208 (nr. 114, verzen 41-42). Zot rederijkersrefrein. Ick lache als ick sie in die baleye / baroogen en schieten met Venus schichten.
  • 254 (nr. 142, verzen 10-11). Zot rederijkersrefrein. De ‘ik’ wordt voor de gek gehouden door een meisje: Doe peisdic: ho ho, hier verschiet ic mijn bouten / sonder gheraken, dats cranck bediet.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 124 (nr. 34, strofe d, vers 6). Amoureus rederijkersrefrein. Ic ben zoo doorschoten metter minnen schichten.
  • 129 (nr. 36, strofe a, vers 12). Amoureus rederijkersrefrein. Want der minnen stralen hebben mij doorschooten.
  • 151 (nr. 41, strofe a, verzen 3-4). Amoureus rederijkersrefrein, een man spreekt: In mijnder herten grondt / heeft mij tstrael uwer reynder minnen gheraeckt.
  • 156 (nr. 41, strofe g, vers 16). Amoureus rederijkersrefrein, een man spreekt: Ic ben zoo doorschoten metter minnen stralen.
  • 191 (nr. 51, strofe b, verzen 1-3). Vroed rederijkersrefrein over de gevaren van de liefde: Bedwingt u oogen, want somtijdts therte / dat werdt doorvloogen metter minnen schichte / met eenen gesichte.
  • 226 (nr. 60, strofe a, vers 9). Amoureus rederijkersrefrein, meilied: Therte es doorschoten met vierigen schichten.
  • 298 (nr. 81, strofe e, vers 13). Amoureus rederijkersrefrein, een vrouw spreekt: Zoe cundij mij metter minnen schichte dwinghen.

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 56 (nr. 49, strofe 5, vers 6). Liedboek. Amoureus lied, liefdesklacht: Door tlast der minnen strale.
  • 125 (nr. 108, strofe 3, vers 4). Amoureus lied. Ghewont ben ic met Venus strale.
  • 126 (nr. 108, strofe 6, vers 1). Amoureus lied. O Venus met uwen strale fel.
  • 132 (nr. 114, sgtrofe 4, verzen 1-2). Amoureus lied. Venus strael van minnen / heeft mijn herte seer doorwont.
  • 134 (nr. 116, strofe 1, verzen 1-2). Amoureus lied. Met Venus geschut ben ic doorscoten / van een die alderliefste mijn.
  • 163 (nr. 141, strofe 13, verzen 5-6). Amoureus lied. Een vrouw zegt: Al met vrou venus strale / hebdi mijn herte doorwont.
  • 189 (nr. 165, strofe 2, verzen 1-3). Amoureus lied. Myn hert is mi doorschoten / met eene vierighen pijl / dat heeft ghedaen een vrouken.

sMenschen Sin en Verganckelijcke Schoonheit ed. 1967 (1546)

  • 141 (verzen 462-463). Rederijkersspel. sMenschen Sin zegt: Want mijn hart is dörschoten metten straele / principaele, liefken, van uwer lieft.

Diversche Liedekens ed. 1943 (XVIb)

  • 19 (nr. 8, strofe 4, vers 5). Amoureus lied. Ick claechs vrou Venys schichten.
  • 53 (nr. 22, strofe 5, verzen 5-6). Amoureus lied. Dies gaett helas aen mynen cant / deur d’last der minnen strale.

Eneas en Dido ed. 1982/83 (1552)

  • 179 (vers 721). Rederijkersspel. Cupido zegt: Mijn straelen en pijlen mennighen smerten.
  • 208 (vers 1565). Dido is vierich dorscooten mit der minnen straele.

Const van Rhetoriken ed. 1986 (1555)

  • 137 (strofe 2, verzen 9-10). Amoureus rederijkersrefrein. Ic claghe vrau Venus myn diepe wonde, / Ende dat my haren strael zoo mordadigh deerdt.

Vanden .X. Esels ed. 1946 (1558)

  • 15 (verzen 9-10). Amoureus rederijkersgedicht, liefdesklacht: Vierighe begheerte was die my schoot, / den schacht van minnen die my doet steruen.

Ulenspieghel ed. 1980 (1560)

  • 63 (regels 90-92). Gedrukte spotprognosticatie. Och, hoe vrolick sal wesen elck venuscamenierken, / makende met die liefste een blijde chierken, / als een dierken doorschoten met venus’ schichte!

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 230 (fol. 283v, verzen 23-24). Vroed rederijkersrefrein. Over Vrau Venus: mids huer zuene Cupido de Libidineuse / beschietende straelich de Luxurieuse.
  • 257 (fol. 298v, verzen 1-4). Amoureuze rederijkersballade. Byder gods gracyen zo zoud ick hopen / ick en zal my zeluen niet Bederuen / maer venis strael gheeft my zulcke nopen / Ick en can myns zins niet wel ontErfuen.

Catechismus der minne ed. 1989 (1564)

  • 40-41 (verzen 680-693). Berijmde minnecatechismus, spel van vragen en antwoorden rond de liefde. Binnen de Minneburcht-topos vraagt ‘de jonckvrouwe’ welke pijlen men er kan afschieten: Edel Jonckheere, welck sijn nv die setelen / inder minnen casteel, sonder verdrieten, / die Damoreuskens soo lieflijck ketelen, / datse daer solais van haren arbeyt ghenieten? / Ende welck sijn oock de schichten diemer can schieten? / Setelen en schichten sijn diuersch van letsen / setelen sijn ghemackelijck, en schichten die quetsen. De Ridder antwoordt: Welck de setelen sijn en oock die schichten, / die dat edel casteel van minnen aencleuen, / ick meyne die setelen sijn die ghesichten / daer damoreuse in rusten en vrolijck leuen. / Die schichten comen daer oock wt ghedreuen, / die Cupido can schieten als God der minnen, / subtylijck tot inder herten binnen.

De Bruyne I ed.1879 (1579-83)

  • 26 (nr. 7, strofe 2, vers 11). Amoureus rederijkersrefrein. Want ic ben cranck van der lieffden stralen.
  • 161 (nr. 38, strofe 1, verzen 3-4). Amoureus rederijkersrefrein. Nae Venus vermaen staen, die daer schoot haer stralen / tot mynder qualen.

De Bruyne II ed. 1880 (1579-83)

  • 167 (nr. 80, strofe 1, verzen 1-2). Amoureus rederijkersrefrein. Hoe hebt ghy my, Cupido, met uwer stralen, / duer dbevel ws moeders, duerschoten soo vierich.

Arnold Bierses ed. 1925 (1577-90)

  • 20 (nr. 2, vers 6). Amoureus rederijkerslied. De ‘ik’ tot Cupido: Raeckt haer met uwer strale.
  • 23 (nr. 3, verzen 23-24). Amoureus rederijkerslied. Sij hevet mijn herteken seer duerwont, / dorschoten met virigen stralen.

Dagelicxs Onderwinden ed. 1998 (XVIB)

  • 47r (verzen 63-64). Rederijkersspel, amoureus tafelspel. De verliefde Onbedochte Jonckheijt zegt: Och ick ben doerschooten met cupidoes scacht / en in venus jacht gevallen met macht.

Veelderhande Geneuchlijcke Dichten ed. 1977 (1600)

  • 71. Vermakelijk gedicht over een jongen die tevergeefs een dienstmaagd opvrijt: Soo haest hy van haer dese afscheyt krege / ging hy van haer t’heeft hem verdroten / Te vergeefs heeft hy sijn pijl gheschooten / Zijn zaeck en trefte hy niet op dat pas.

Amoreuse Liedekens ed. 1984 (circa 1600)

  • 91 (strofe 6, vers 1). Amoureus lied. O Venus met uwen strale.
  • 91 (strofe 7, verzen 1-4). Amoureus lied. Cupido wreet en moordadich / ghy hebt myn jonck hert doorwont / met u pijlen ghenadich / schiet ghy my tot aller stont.
  • 105 (strofe 2, verzen 1-2). Amoureus lied. Cupido Godt reale / troost my met uwe minne strale.
  • 119 (strofe 1, verzen 1-4). Amoureus lied. Wt liefden siet, Lyd’ ick verdriet / Ick en macht oock niet uytspreken / Hoe dat sy hiet diet herte doorschiet / Twelck Venus heeft ontsteken.
  • 130 (strofe 1, verzen 1-2). Amoureus lied. Met Venus strael ben ick gerocht / Sy heeft my ’t herte wel doorschoten.
  • 130 (strofe 4, vers 5). Amoureus lied. Want hy was geraeckt met Venus strale.
  • 132 (strofe 38-9). Amoureus lied. Door Cupido haer zoon / Die door zijn stralen Pluto doet dalen.
  • 143 (strofe 1, verzen 1-2). Amoureus lied. Cupido God door uwe minnen stralen / V scherp gebot doet my in liefde dwalen.
  • 166 (strofe 2, verzen 3-6). Amoureus lied. Cupido spant die boghen / al met u stralent schicht / want haer amoreus ghesicht / door straelt mijn hert van binnen.
  • 180 (strofe 1, verzen 11-12). Amoureus lied. Cupidoos stralen doorwonde my / met liefde pertinent.
  • 195 (strofe 1, verzen 1-2). Amoureus lied. Cupidoos fellich schieten / heeft mijn jongh hert geschent.
  • 202 (strofe 2, verzen 19-20). Amoureus lied. Dus Cupido jent, aensiet mijn swichten / Doorwont haer present met uwe schichten.
  • 207 (strofe 4, verzen 4-6). Amoureus lied. Want alle Iaer / gaet Cupido mijn schieten / met Pijlen klaer.

Broeckaert ed. 1893 (circa 1600)

  • 52 (nr. IV, strofe a, verzen 5-6). Amoureus rederijkersrefrein. O Cupido, hoe quetste mij dus vervaerlyck / Met uwen strael claerlyck, vol van dangiere.

 

5a Boogschieten (pijl, pijlkoker, doelwit) in erotische context

 

De beeldspraak pijl = penis / pijlkoker = vagina is van bijbelse oorsprong. Zie Ecclesiasticus 26, 15. In de Delftse Bijbel (1477) luidt dit (het gaat over de lichtzinnige vrouw): zij is ghelijc dat een dorstich gangher sijn mont opdoen sal ter fonteynen ende van elken naesten water drincken sal en(de) teghen elke stake sitten, ende tege(n) elcke gescut sine koker opdoe(n) sal tot dat hi o(n)machtich wort. Zoals wel vaker het geval is in de Delftse Bijbel, is dit een slappe vertaling. In de Vulgaat luidt het laatste gedeelte: ‘et contra omnem sagittam aperiet faretram donec deficiat’ (en voor elke pijl zal zij haar koker openen totdat zij tenonder gaat).

 

Paul Vandenbroeck, “Vrouwenhiaat, mannenpraat”, in: Jan Van der Stock (red.), Stad in Vlaanderen – Cultuur en maatschappij 1477-1787. Tentoonstellingscatalogus, Brussel, 1991, pp. 109-126, meer bepaald p. 114: ‘Uitlatingen over vrouwen-en-liefde (…) zijn ofwel clichématige beschouwingen over schoonheid e.d. ofwel obsceniteiten. Dit laatste geldt ook voor afbeeldingen op verloren gegane gebruiksvoorwerpen voor mannengroepen, zoals schuttersdoelen. De boodschap is steeds dezelfde: (sexuele en psychische) vrouwenweerstand moet gebroken worden, voor verleiding (van mannen door vrouwen) moet men op de hoede zijn. Ontelbaar zijn de beelden, ontleend aan krijgsbedrijf en jacht, die op de liefde worden toegepast.’

 

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 14-16 (nr. 4, 68 verzen). Zot-erotisch rederijkersrefrein dat de coïtus beschrijft in boogschutterstermen. Een voetboogschutter spreekt een vrouw aan: segghende hi soude haer bystant behoeuen / dat is dat hi een scoet of twe mocht proeuen / opten doil die voer onder stont (verzen 4-6). Het ‘doel(wit) dat vooronder staat’ = de vagina. De vrouw antwoordt: Proeft dick genoech sydi anders speels cont / mer hout den doil vast wat ghi doet / schiet niet besyden ic segt v goet ront / men soude v scelden ic bens wel vroet (verzen 9-12). Voor het doelwit (= vagina) worden ook de termen pinne (vers 14) en steec (vers 20) gebruikt. Naar de vagina wordt verder verwezen met de termen rinck (= strijdperk, plek waar de boogschutters hun wedstrijd houden, vers 13) en gaetken (vers 37). De penis/fallus wordt aangeduid als coker (pijlkoker, verzen 18/60), pijl (verzen 19/64/66) en boog (vers 65). De boogschutter presteert overigens zeer matig en komt bovendien te vroeg klaar: Hy scoot achternae mit die loeghepeese / Dat speet haer meer dan enich dinck / Sciet ghi mitter loghepeesen naden rinck / sprac tvrouken snoy vuyl kalant (verzen 54-57). ‘Loog’ is een soort vloeistof, maar kan ook urine, of in dit geval dus blijkbaar sperma betekenen, en ‘pees’ is de pees van een boog (in dit geval de fallus). Vergelijk over dit refrein Coigneau II 1982: 77-78. Vergelijk over de ‘loeghepeese’ ook Bijns ed. 1902 (hieronder).
  • 64 (nr. 31, verzen 38-40). Zot rederijkersrefrein. Een welgeminde vrouw is een huis vol vrede want die elders loopt ten spele / syn peese faelgiert hem tot inder not / Die hem scietens verstaende is die weet die waerheyt. De ‘not’ (noot) is de nootvormige haak waarachter de boogpees blijft opgespannen.
  • 239 (nr. 118, verzen 14-15). Zot rederijkersrefrein over dwaas gedrag van allerlei personen, op de stok ‘Dees syn werdich in die gilde ghescreuen’: Scutters die tallen spelen nae conroots spien / Vroukens die elcken haren schoot bien.

Vigelie ed. 1920 (1526/27)

  • 78 (verzen 44-45). Rederijkersklucht. Een vrouw verdenkt haar man van overspel: By Lode man ghy hebt uwen coker ghescut / yeuwers el eer ghy comt thuus. De coker is hier waarschijnlijk een pijlkoker.

Aelwarich ed. 1980 (1527/28)

  • 113 (regels 98-101). Gedrukte spotprognosticatie. Over de maand mei: ’t Sal in den meye conjunctie sijn met veel personen. Dan sullen die scutters tot veel plecken geneicht sijn opwaerts na den papegay te schieten. Venuskinderen sullen liefst schieten tusschen twee staken [bedoeld worden: de benen of dijen van een vrouw], also lange als si pilen hebben in haren coker. Deze passage wordt in verband met de erotische connotaties van ‘pijlen schieten’ ook vermeld in Ethan Matt Kavaler, “Erotische elementen in de markttaferelen van Beuckelaer, Aertsen en hun tijdgenoten”, in: Paul Verbraeken e.a., Joachim Beuckelaer – Het markt- en keukenstuk in de Nederlanden 1550-1650. Tentoonstellingscatalogus, Museum voor Schone Kunsten, Gent, 1986, pp. 18-26, meer bepaald p. 21.

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 32 (nr. 12, verzen 27-29). Amoureus rederijkersrefrein over de ‘struggle for love’: Al coemter dan een verwaent capiteyn / en meent van verre ooc schieten na tdoelken / mer lasen hi mist, tsit een ander int stoelken.
  • 230-231 (nr. 128, 58 verzen). Zot rederijkersrefrein, dat de de coïtus beschrijft in boogschutterstermen. Het gaat over horenneers (hoornen bogen), die naar verluidt uit de mode zijn, maar de ouden schutters kennen ze nog wel. De jonge schutters verkiezen bogen van stale. Op die manier zinspeelt dit refrein op de toenemende impotentie van oude mannen. De dubbelzinnigheid blijkt onder meer uit de verzen 32-36: Maer condi aen oude horenneers gheraken / proeftse eer ghise coopt, hoet si, / ende gaeter mede schieten tusschen twee staken / ende eest dat ghi dwitte (het doelwit) cont ghenaken / driewerf achter een, so staet hi schoon vri.
  • 254 (nr. 142, verzen 10-11). Zot-erotisch rederijkersrefrein. De man heeft geen succes: Doe peisdic: ho ho, hier verschiet ic mijn bouten / sonder gheraken, dats cranck bediet.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 93 (nr. 25, strofe b, verzen 1-5). Amoureus rederijkersgedicht, liefdesklacht van vrouw. Ghij weet wel, ghij moetet mij zelver kinnen, / datter veele uwen persoon beminnen, / die met allen sinnen u bijsijn begeeren. / Eest wonder, al twijfelt mijn herte binnen, / daer veel schutters schieten nader pinnen? De ‘schutters’ zijn hier dus vrouwen die allemaal dezelfde man (‘pinne’ = doelwit van een staande wip) begeren.

Bijns ed. 1902 (XVIA)

  • 346 (tussen nrs. 40 en 41, verzen 19-20). Zot rederijkersgedicht over soorten dronkaards. Die veerthienste wil met vrouwen wesen: / dan schiedt hy metter loghen pesen. Vergelijk hierboven bij Stijevoort I ed. 1929.

Sorgheloos ed. 1980 (1540)

  • 129 (regels 95-97). Spotprognosticatie. Over de maand april: Onder dit teeken sullen die jonge gesellen bouten vergaderen om aertmusschen te schieten op die kuylen, want men overmits die ghenuechlijcheit des tijts veel aertmusschen ende veltduyven vinden sal. Met ‘aardmussen’ en ‘veldduiven’ worden meisjes van lichte zeden bedoeld.
  • 133 (regels 144-147). Over de maand augustus: In dese maent sullen dye planeten vergaderen in ’t Schutters Hof met groter triumphen, daer Venus d’opperste af zijn sal: daer veel heymelijcke houwelijcken ghemaect sullen worden, daer luttel priesters mede ghemoeyt sullen worden. Schuttershof: astrologische toespeling op het teken van de Boogschutter, met als erotische connotatie een kroeg/bordeel die Het Schuttershof heet.

Cristenkercke ed. 1921 (kort na 1540)

  • 53 (verzen 1257-1258). Rederijkersspel. Een sinneke in een verleidingsscène nogal plat tot de christelijke maagd Uprecht Simpel Gheloven: Ia, en soudmen v dus niet moghen ghenieten / ende na tswerteken schieten, eer wij scheijen hier? Het ‘zwarteken’: het middelste (zwarte) gedeelte van het doelwit, met connotatie ‘zwartharige pubis’?

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 251 (fol. 295v, verzen 10-11). Zot-amoureus rederijkersrefrein. Ongelukkige minnaar tot zijn ontrouwe geliefde (in erotische context): Een ander schynt iont ghy te bezittene tstoelken / zyn schichten te schietene int amoureux doelken.

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 213 (fol. 443r, verzen 27-28). Rederijkerslyriek, de bekende ‘Adieu’. Tot mannen die impotent zijn geworden door te veel seks: adieu venus slutsepesen int voorghespan / te wulpschelick huuthebbende gheschoten hu schichten.

Katmaecker ed. 1932 (vóór 1578)

  • 70 (verzen 227-228). Rederijkersklucht. En dees mans, die haer pilen in die vreemde doelen verschieten / Dat sal noch Godt ende die werelt verdrieten. Aantekening van tekstbezorger op pp. 148-149: ‘Zich schuldig maken aan overspel’.

Verlaten Kennisse ed. 1992 (XVIB)

  • 113r (vers 1050). Rederijkersspel. Een sinneke over de afloop van het met een hoer boeleren van Verlaten Kennisse: Jae ja, als hij sijn pijlen al heeft verschoten. Erotisch bedoeld.

Veelderhande Geneuchlijcke Dichten ed. 1977 (1600)

  • 106-107. Teksten rond marginalen. De rijmtekst ‘Vanden jonghen Aernout, ende hoe hy eerst inde werelt comt’. Van zijn 4 tot zijn 8 jaar schuimt Aernout met zijn moeder (een mosse, bargoens voor ‘verlopen vrouw’) de straten af: Noch vier iaren is Aernout metten wijue / ende en leyt hem niet meer by der hant / maer zy doet hem loopen daer ‘tis rijve / daeghs vier straten oft vijve / Dan wort hy eerst een recht Truwant / Hy draeght den Boghe diemen hem spant / onder sijn Ocxsel nae sijn gherief / om daer mede te schieten na der Voghel kant / Gheraeckt hy hem dickwils, so comt hy t’huys wat eer / maer als hy overleest zijnen brief / dat hy wel schieten kan, ende raecken ook seer / soo en blijft hy by den wijve niet meer / En Aernout heeft gheleeft, verstaet het gheringh / volle acht jaren als een Vondelingh / totter tijt dat hy wel schieten kan. Dat dit boogschieten van de jonge zwerver scabreuze referenties bevat, is niet onmogelijk, maar blijft toch onzeker. De jonge leeftijd (acht jaar!) van de knaap spreekt tégen een dubbelzinnige betekenis.

Amoreuse Liedekens ed. 1984 (circa 1600)

  • 63 (strofe 3, verzen 1-8). Amoureus lied. Over mannen die makkelijk van lief verwisselen: Schutterkens die den boge hantieren / coopen twee peesen tot haren boghe / Breecken sy d’een na speels manieren / sy stellen een ander ten selven toghe / Desgelijckx wil ick te doene pogen / want vrouwe sinnekens zijn als stof / Gelijck den wint quamdy my aengevlogen / hier mede schoon lief neem ick oorlof.

 

5b Schieten in coïtus-context (zonder expliciete vermelding van pijl of boog)

 

Zie voor ‘schieten’ in de neutrale betekenis van ‘klaarkomen’ in een artestekst: Der Vrouwen Heimelijcheit ed. 2011: 64 (verzen 49-55): Die medicine segghen sum, / ende hebbent in haere boeke bescreven, / dat sij te male  haer zaet gheven, / man ende wijf, alsij ghenoeten, / so dat te gader comt ghescoten / in die poerte, ende beghint dan daer / hem te mingene, dat es waer. Of nog ibidem: 120 (verzen 1276-1278): Daer sperma comt uut den man ghescoten, / so eist int wijf alsoe saen / dat zij gheene lucht en mach ontfaen. Tekstbron uit 1405.

 

Voor vindplaatsen van ‘schieten’ als erotische metafoor in zotte rederijkersgedichten, zie ook: Dirk Coigneau, Refreinen in het zotte bij de rederijkers, deel II, Gent 1982, p. 285 (noot 88).

 

Gruuthuse-handschrift I ed. 2015 (circa 1400)

  • 322 (II.16, vers 22). Zot liedje over een slonzige vrijage. Soe leerde mi scieten na de ka (kauw, kraai). Pleij verklaart: ‘Ze leerde me de kraai schieten, zegt hij, een volks alternatief van het papegaai schieten op de schuttersfeesten dat eveneens als beeldspraak dient voor geslachtsgemeenschap’ [Herman Pleij, De sneeuwpoppen van 1511, Amsterdam-Leuven, 1988, p. 139].

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 31 (nr. 12, vers 29). Zot rederijkersrefrein. De ‘ik’ verliest zijn geld aan een hoerig meisje: Sy leerden my properlyc nae tmesken schieten. Betekent ‘mesken’ (meese) hier mees (de vogel) of doelwit? In Proverbia communia ed. 1947: 56 (nr. 197, tekstbron uit 1480) leest men: Den bout vint die meese wel. Dezelfde vraag kan hier gesteld worden. De Latijnse variant luidt in elk geval: sepe (saepe) licet parua sit auis perit illa sagitta (al is de vogel vaak klein, de pijl doodt hem wel). Wordt met ‘vogel’ hier ook het doelwit bij schuttersfeesten bedoeld (vergelijk ‘de hoofdvogel afschieten’)? K. ter Laan, Nederlandse spreekwoorden/spreuken en zegswijzen, Amsterdam-Brussel, 1984 (15), p. 48 noteert: ‘Op de schilderij van Brueghel vindt men de voorstelling van een schutter met een meisje achter zich, dat hem schijnt aan te moedigen [op het Berlijnse Spreekwoorden-schilderij van Bruegel is dit detail nochtans niet terug te vinden, en Ter Laan vermeldt nergens over welk schilderij hij het precies heeft]. Prof. Dr. P. de Keyser heeft in Volkskunde van 1948, 57 betoogd, dat deze figuur het oude spreekwoord voorstelt: De bout vindt de kerf wel. Dit spreekwoord komt nog voor bij Harrebomée, maar hij geeft er geen verklaring bij. In de Proverbia communia leest men: Den bout vint die meese wel. De Keyser legt uit, dat dit nu verdwenen woord [‘meese’ dus] zoveel betekent als het merk, het teken, het doel, en dat het spreekwoord wil zeggen: geen meisje zo lelijk of ze vindt wel een man; alles komt terecht in de wereld. In modern Nederlands zeggen beide spreekwoorden dus: de pijl vindt zijn doelwit wel.’ In het Stijevoort-vers, dat te vergelijken is met het Gruuthuse-vers hierboven (soe leerde mi scieten na de ka) wordt ‘meesken’ in elk geval in erotische zin gebruikt en is er in elk geval sprake van schieten met een pijl, of het nu om een mees of om een doelwit gaat.
  • 66 (nr. 33, vers 12). Zot-erotisch rederijkersrefrein, dat de coïtus beschrijft in schoenlapperstermen. Een oude vrouw tot een schoenlapper: het leer is droog, gij moet het begieten, meesterlic nayen ende een stuck in schieten.
  • 159 (nr. 82, vers 47). Zot-erotisch rederijkersrefrein, dat de coïtus beschrijft in scheepvaarttermen. De schipper zegt: Dmijn heb ick lacen meest in ghescooten.
  • 231 (nr. 115, verzen 9-10). Vroed rederijkersrefrein op de stok ‘Bedrieghende is die tytelike vruecht’: Dansen, houeren, caetsen, schieten, scaken / in tytlyken vruechden my seluen regerende. ‘Schieten’ (boogschieten) hier toch eerder een algemene verwijzing naar het zich overgeven aan aardse ijdelheden.

Joncheyt ende Redene ed. 1920 (XVIA)

  • 479 (verzen 68-71). Rederijkersspel, tafelspel. In een opsomming van handelingen die met de aardse ijdelheden te maken hebben: Want Joncheyt jn houen van conynghen princhieren / met Zinnelycke Ghenouchte zietmen anthieren / alle vruechden naer tsins behaeghen / caetsen, scieten, vlieghen, jaeghen.

Wellustige Mensch ed. 1950 (XVIb)

  • 122 (verzen 631-632). Rederijkersspel. Het sinneke Vleyschelick Sin geilt op de hoer Luxurie: Daer sou ick een stuck van mijn siel in schieten, / al sou sij vlieten in arnouts badt.

Leenhof der Ghilden/Parafrase ed. 1950 (XVIB)

  • 44 (regel 275). Satirisch-allegorische prozatekst. Over seks in het bordeel: want sij allen haeren arbeyt daer in schieten. Letterlijk wordt bedoeld: zij verkwisten er hun geld aan, maar met de dubbelzinnige connotatie van ‘ejaculeren’.

 

5c Pijl = penis

 

Gruuthuse-handschrift I ed. 2015 (circa 1400)

  • 418 (II.71, verzen 20-21). Zot-erotisch liedje. Een meisje suggereert dat haar minnaar impotent is: Vermeit u niet up uwen bout, / ghi ne waert een lettel stouter!

 

6 Boogschieten = zich ontlasten (schijten), waarbij ‘pijl’ (bout, ruggenbout) = drol

 

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 259 (nr. 146, verzen 27-30). Zot rederijkersrefrein. Mijn keelken was ick daer vast asende / en dranck vanden wijne wit en root, / so dat mijn maghe wert poffende en blasende / dat ick nalijckx naden coninck schoot. Bedoeld wordt hier: naar de ‘koning van Engeland’ schieten. Met het ‘enge land’ wordt het toilet bedoeld.

Bijns ed. 1902 (XVIA)

  • 346 (tussen nrs. 40 en 41, verzen 17-18). Zot rederijkersgedicht over soorten dronkaards. Die derthienste es een vuyl plavant: / hy schiedt na den coninc van Enghelant.
  • 359 (nr. 45, strofe I, verzen 5-6). Zot rederijkersrefrein, lofdicht op het achterwerk, met als stok ‘Dit vermach den eers meest tallen tyen’: Scutterlyck schytende ronde bouten / de de zemelen stuyven lancx den billen.

Leenhof der Ghilden ed. 1950 (1564)

  • 30 (vers 723). Satirisch-allegorisch rederijkersgedicht. Over vrouwen die niet poortvast en zijn voor den ruggebout. Een voetnoot geeft hier: bout = bargoens voor een stuk drek. De proza-parafrase (XVIB) van deze tekst heeft hier: die liever op straet kijven dan in huyse en niet soe poertvast en sijne [Leenhof der Ghilden/Parafrase ed. 1950: 38 (regel 66)].

 

7 Pijlen schieten = iets negatiefs, onvriendelijks of vijandigs verrichten

 

Hildegaersberch ed. 1981 (circa 1400)

  • 16 (nr. VII, verzen 9-17). Didactische lyriek. Men sel die waerheit laten rusten. / Die daer off woude te dichten lusten, / die mocht sijns arbeits wel verdrieten. / Nu wil ic gaen ende leren schieten / naden witte ende niet daer in, / soe mach ic dichten nuwen sin; / want ic wil nu smeken leren / ende twaer ontbinden voerden heren, / machmen dit ghelycke deelen. Hildegarsberch wil dus niet in de roos schieten, maar in de buurt ervan: hij zal indirecte kritiek geven op de ‘heren’, geen rechtstreekse.

Der Minnen Loep I ed. 1845 (1411-12)

  • 184 (boek II, verzen 1669-1672). Moraliserend rijmtraktaat, ars amandi. Over de reactie van geliefden op nijders: Si bliven vro ende en achten niet / die stralen die die clapper schiet. / Al heeft die clapboghe grote macht, / die reyne liefte en slaets gheen acht.

Der Minnen Loep II ed. 1846 (1411-12)

  • 121 (boek IV, verzen 1963-1965). Moraliserend rijmtraktaat, ars amandi. Over vrouwen die hun man controleren maar zelf niet deugen: Wye dat schiet mit enen boghe / ende raect hem selven in sijn oghe, / die hadde schietens bet ontboren.

Pastoor te Kalenberghe ed. 1981 (XVIa)

  • 48 (regels 264-270). Gedrukt volksboek. Een oude pastoor discussieert met de pastoor van Kalenberg: Ende als hy den ouden sach, seyde hy: ‘Nu heere, ontsluyt uwen coker ende nemet pillen ende schiet met conste. Ende wie niet antwoorden en can, die sal ’t verliesen.’ Doe seyde die oude: ‘Nu schietet ghy vooren, ick schiete na.’ Doe seyde die van Kalenberge die kerckheere: ‘Ghy sijt de oudste ende zijt van buyten, dus soude ick u eeren. Maer niettemin, omdat ghy ’t begeert so sal ic voer schieten.’ Pijlen schieten = argumenten naar voor brengen in een discussie of debat.

Sinte Pieter ghecompareirt byder duve ed. 1920 (1531)

  • 346 (verzen 37-38). Rederijkersspel. Lange prologen zijn naar verluidt niet goed: Groote prologhe hier gheen spel biet / nichte meer dan den pyl die buter vloghe sciet.

Testament Rhetoricael I ed. 1976 (1561)

  • 80 (fol. 31r, verzen 33-34). Vroed rederijkersrefrein. Tot de slechte gelovigen: Wee hulieden dan, diet alsoo niet en oorboort / maer liefuer schiet bewimpelt met Lueterpesen.

De Bruyne I ed. 1879 (1579-83)

  • 175 (nr. 41, strofe 5, verzen 3-4). Rederijkerslytiek, ABC-gedicht. Over de ketters: Sy spannen haer bogen, secreet, bysondere, / haer schutten nydich op myn siele geset.

De Bruyne II ed. 1880 (1579-83)

  • 209 (nr. 87, strofe 4, verzen 3-4). Vroed rederijkersrefrein. Hou stand tegen de ketters: al siedy de nydige haer bogen spannen, / strydt vroom int geloove, als ridderlycke mannen.

 

8 Bundel pijlen of boog als beeld van ‘eendracht maakt macht’

 

Der Leken Spieghel III ed. 1848 (1325-30)

  • 96-97 (boek III, hoofdstuk 4, verzen 357-382). Didactisch rijmtraktaat. Het verhaal van een ridder die twaalf zonen had. Vóór hij sterft, laat hij hen een bundel met twaalf roeden Dat lukt niet, behalve wanneer ze één voor één gebroken worden. Eendracht maakt macht, is de les. In dit fragment wijst niets erop dat het om pijlen gaat: het betreft waarschijnlijk toch eerder stokken (roeden).

Reis van Jan van Mandeville ed. 1908 (XIVB)

  • 194 (regels 21-38) – 195 (regels 1-19). Reisverslag. De Grote Khan voelt dat hij gaat sterven: Doe seyde hi tot sinen xij zonen, dat hem een yghelijc brochte een van sinen ghescutten ende si dedent staphants. Daerna seide hi, dat mense te gader bonde met drien banden ende alsi alle xij te gader ghebonden waren, gaf hise sinen outsten zone ende seide, dat hise te gader brake. Ende die zone pijndes hem, mer hi en constes doe niet ghebreken. Doe seyde die can, datmense gave den andren sone ende dan den derden ende hem allen deen na den andren, mar haer ne gheen van hem allen en conste ghebreken. Daer na seyde die can totten jonxsten zone: scheetse deen van den andren ende breect een yghelijc bi hem ende hi deedt. Ende daer na seyde die can totten outsten ende totten anderen: waer om en hebdise niet tebroken? Ende si antwoorden, datsise niet en consten ghebreken, om dat si te gader ghebonden waren. Doe seyde hi hem: waer om heefse u joncste broeder te broken. Ende si antwoorden hem: omdat deen van den andren ghescheden waren. Ende doe seyde hem die can: Alre liefste kinder, aldus ist van u, want also langhe als ghi te gader ghebonden sult sijn met drien banden, dats met minnen, met getrouwicheden ende mit eendrachticheden, niement en sal u moghen deren, mar sidi van densen banden ontbonden, dat deen den andren niet en helpt in sinre noot, ghi sult gedestrueert worden ende te niete ghebrocht worden, waer bij jc u bidde, dat u des ghedencke ende mint deen den andren; so suldi heren ende overste sijn van al desen lande ende van andren landen.

Hildegaersberch ed. 1981 (circa 1400)

  • 229-230 (nr. CVII, verzen 20-30). Didactisch gedicht met als titel ‘Vanden boghe’. Men can volprisen niet in goude / vanden boghe die weerdicheit; / want als dat schut is toegheleit, / ende die boghe staet ter scote, / soe wijst ons pese entaer toe note, / slot, tellier ende oec die roede, / eendrachticheit, als ic bevroede; / want waer dat enich tander loeghe, / tsoude dat schut in sijnre vloghe / doen faelgieren, als ic waen, / ende verre buten mercke gaen. Alle onderdelen van een boog werken dus samen en zijn een beeld van de eendracht. Op dezelfde wijze moet men met vrienden samenwerken en niet met ‘schalken’ om iets te bereiken.

 

9a Pijl // snelheid (spreekwoordelijk)

 

Walewein I ed. 1957 (circa 1250)

  • 63 (verzen 2013-2014). Arturroman. De knaap aan wie Walewein zijn paard heeft geleend, komt heel snel teruggereden van Arturs hof: Sijn paert adde onder hem die vloghe / alse een pijl uut enen boghe.

Der Minnen Loep I ed. 1845 (1411-12)

  • 110 (boek I, vers 2949). Moraliserend rijmtraktaat, ars amandi. Over een riviertje met snelstromend water: Dat water liep ghelijc enen pijl.

Mars en Venus ed. 1991 (1551)

  • 266 (verzen 546-547). Rederijkersspel. Mars is Venus aan het versieren: En keert u liefde te mijwerts snel / Met eenen vlooghe, als den schicht uijten booghe. Hier: snelle liefdesgunsten.

De Bruyne ed. 1925 (1579-83)

  • 16 (nr. 4, strofe 2, vers 16). Zot-erotisch rederijkersgedicht. En liep te bedde wt, gelyc de pyle wt de bogen.

 

9b De boog kan niet altijd gespannen staan

 

Tafel van den Kersten Ghelove IIIa ed. 1938 (1404)

  • 34 (Somerstuc, hoofdstuk 3, regels 28-31). Theologisch compendium. Over de zondag in midvasten die de vasten even onderbreekt: Want het en heeft ghien langhe dueren, dat in sijn arbeit somwijl niet en rust. Men moet oec somwijl een ghespannen boghe van sijnre note ontsetten, anders soe beghint die pees te slappen.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 1-4 (nr. 1, 5 strofen van telkens 16 verzen). Vroed rederijkersrefrein op de stok ‘Den boghe en mach altijt niet gespannen staen’. De boodschap is dat (religieuze) ernst mag afgewisseld worden met (profane) luim en dat men de anderen niet voortdurend moet bekritiseren. De laatste acht verzen luiden: Eet en drinct, danst en springt, houdt wel den tort, / tsotken moet altemet ooc zijn ghescheerdt. / Tes beeter metten meelbuydel wat bestort, / dan in hate oft nijde het bloet verteerdt. / Al eest dat u iemandt zijnen sin vercleerdt, / ghij en sult niet segghen, dat heeft die gedaen; / alsoo zeldij alomme werden begeerdt. / Den boghe en mach altijt niet gespannen staen [ed. 1886: 4 (nr. 1, strofe e, verzen 9-16)].

Nyeuwen Priestere ed. 1920 (circa 1530)

  • 430 (verzen 271-274). Rederijkersspel, tafelspel. Verontschuldigend omtrent het wangedrag van sommige priesters (Inwendeghe Redene spreekt): Den boghe en mach niet altyts ghespannen staen. / Al zynder eeneghe die buten heessche / ongheregelt leuen naerden vleessche / ghy en zultse niet versmaeden. Godt heuet verboden.

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 88 (fol. 365r, vers 19). Rederijkerslyriek. De ghespannen boghe dient zomtyds tontpesene. De Dene voegt dan een ontspannend refreintje toe, om zijn verzameld werk naar verluidt niet te saai te maken.

Prieelken der Gheestelyker Wellusten ed. 1927 (1587)

  • 29 (regels 13-17 van de opdracht). Geestelijke lyriekbundel. Ende considererende dat den boghe niet altijt (soomen ghemeynlijck seet) en mach ghespannen staen / ende dat het herte ende die zinnen der menschen moeten altemet wat recreatien nemen / yegelijck naer zynen roep ende condicie (…).

Amoreuse Liedekens ed. 1984 (circa 1600)

  • 175 (strofe 4, verzen 5-8). Amoureus lied, bruidslied. Den booch mach niet ghespannen staen / Ick hoope het sal ons wel vergaen / Tis nu geen tijt van scheyden / Wy willen ons gaen vermeyden.

 

9c Pijl / boog : andere zegswijzen en spreekwoorden

 

Proverbia communia ed. 1947 (1480)

  • 84 (nr. 528). Spreekwoordenverzameling. Men moet den pijl dick schieten naden boute / Post pilum pila mittantur non sine causa.
  • 84 (nr. 529). Men schiet tsommels met loghen peesen / Cum laxa zona iacitur quandoque sagitta. Letterlijk betekent dit: men schiet soms met een slappe (boog)pees. Betekent het figuurlijk ook: men gebruikt soms leugens (zie loghen)?

Heynken de Luyere ed. 1920 (circa 1540)

  • 31. Kluchtig rederijkersgedicht. Hy schoot daer al verloren zijn bouten. Betekenis: het lukte hem niet.

sMenschen Gheest van tVleesch verleyt ed. 1953 (circa 1550)

  • 628 (vers 444). Rederijkersspel. Vreese van Plaeghen zegt tegen sMenschen Gheest: Nu wild ghy schieten dan reect eenen pijl. Betekenis: wil je eraan beginnen (aan je bekering), doe er dan iets voor.

Loterijspel ed. 1941 (1596)

  • 285 (vers 733). Rederijkersspel. ’t Is een goed schutter, die nimmermeer en mist.

Krimpert Oom ed. 1932 (XVI)

  • 46 (vers 54). Rederijkersklucht. Ick dencker een pijlken na te schijeten. Betekent: ik ga er een poging toe wagen (aldus een aantekening van de tekstbezorger).

 

10 Woordspelingen met ‘bout’ (= pijl en andere dingen)

 

Maurits Smeyers, Dirk Bouts, schilder van de stilte, Leuven, 1998. Op pagina 135 een kleurenafbeelding van: Albrecht Bouts, Drieluik met de Tenhemelopneming van Maria, Brussel, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België. Bovenaan op het rechterzijluik een engel met een wapenschild. Smeyers (p. 138) legt uit: ‘De drie schildjes van zilver op een blauw veld refereren aan de Sint-Lucasgilde, en de twee pijlen of bouten in het schildhoofd zouden zinspelen op de naam Bouts.’ De knielende figuren zouden Albrecht Bouts zijn en zijn moeder Elisabeth van Voshem, weduwe van Dirk Bouts.

 

Dryakelprouver ed. 1920 (1528)

  • 201 (verzen 92-93). Rederijkersklucht. Een kwakzalver zegt naar aanleiding van het trekken van een tand: Tant vut al lachghende, eenen baut jnt ghat / omde vloet vanden bloede te stelpene. ‘Baut’ betekent hier zoiets als ‘stop’ en ‘ghat’ is het gat in de mond nadat de tand getrokken is. De klucht bevat echter heel wat erotische dubbelzinnigheden. Zo ook hier: de ‘baut’ kan dan dubbelzinnig opgevat worden als de fallus, en het ‘ghat’ als de vagina. Zelfs het stelpen van het bloed werkt dubbelzinnig, want als de vrouw zwanger is, menstrueert ze niet meer. Bax [1956: 109 (noot 10) en 1983: 268 / 270] gebruikt onder meer deze passage om de pijl in het achterwerk van een duivel op het rechterluik van Bosch’ Tuin der Lusten te verklaren. Maar in Dryakelprouver betekent het woord ‘baut’ zeker niét ‘pijl’. Het is één van de voorbeelden die aantonen dat men soms moet opletten met Bax’ interpretaties.

Loterijspel ed. 1941 (1596)

  • 254 (vers 132). Rederijkersspel. Bouwen zegt: Wat schelmser, logenachtiger bout mag onze koster wezen. ‘Bout’ betekent hier dus: iemand waar wat op aan te merken valt.

 

11 Pijlen in het werk van Bosch en Bruegel (enkele notities)

 

In Margarethe Poch-Kalous, Hieronymus Bosch in der Gemäldegalerie der Akademie der bildenden Künste in Wien, Wenen, 1973, p. 18, lezen we over de zondige ziel die met een pijl door zijn hals aan een stok wordt meegedragen door een duivel op het voorplan van het middenpaneel van Bosch’ Laatste Oordeel-drieluik (Wenen), dat deze kan gezien worden ‘als “Bout”, was im niederländischen Sprachgebrauch des 15. und 16. Jahrhunderts nicht allein die Bedeutung “Pfeil”, sondern auch die eines “Tunichtgutes” hatte, der seine ganze Habe für irdische Genüsse (hier wohl für den Alkohol!) verschwendet hat.’ Een eindnoot verwijst naar Bax, echter zonder enige bibliografische referentie. Duidelijk is echter dat de Oostenrijkse haar mosterd gehaald heeft bij Dirk Bax, Ontcijfering van Jeroen Bosch, ’s-Gravenhage, 1948, p. 24, waar we lezen: ‘Bout, een synoniem van pijl, betekende echter in de 16de eeuw ook verlopen kerel en het voorwerp kan dientengevolge bij Jeroen een symbool van de losbandigheid zijn of de drager typeren als een doordraaier.’

 

Bax [1948: 171 (noot 49)] verwijst voor bewijsplaatsen enkel naar het WNT (III, 1, 751). Het MNHW [1981: 113] geeft voor ‘bout’ vier betekenissen: ijzeren of houten bout / pijl / voor- of achterschenkel van een dierlijk lichaam / teellid. En op p. 153 ook nog de term ‘dronkenbout’ voor dronkaard. Dat ‘bout’ in het Middelnederlands de betekenis kon hebben van ‘losbandig iemand’ staat dus helemaal niet vast, laat staan dat een pijl naar deze betekenis kon verwijzen. De enige bewijsplaats die ik tot nu toe ben tegenkomen en die enigszins in de door Bax voorgestelde interpretatierichting van bout/pijl gaat, is die in het Loterijspel uit 1596 (zie onder nummer 10). Maar daar kan de term even goed gebruikt zijn als triviaal scheldwoord met de betekenis van teellid (te vergelijken met het hedendaagse ‘lul’ of  het Engelse ‘prick’). De term ‘dronkenbout’ blijft ondertussen wel merkwaardig. Het woord komt voor in Des Coninx Summe ed. 1907: 282 (par. 118) (voor zover ik zie betreft het overigens een hapax, andere handschriften van dezelfde tekst hebben ‘droncken boeven’ en ‘dronckaerts’). Over de betekenissen van ‘bout’, zie ook Dirk Bax, Hieronymus Bosch and Lucas Cranach – Two Last Judgement triptychs, 1983 (vooral pp. 396-397 met een bespreking van het motief ‘arrow through part of body’, en p.428 met een overzicht van andere vermeldingen van ‘bout’ in Bax’ boek).

 

***

 

In Sueños ed. 1992: 163 (noot 34), noteert de vertaalster Barber van de Pol naar aanleiding van een bepaalde passage in ‘De droom van de dood’: ‘Ingewikkelde zinsnede vol woordspelingen met onder andere een verwijzing naar een regionale gewoonte van de Spaanse politie vóór Quevedo’s tijd om misdadigers als zij werden betrapt met een pijl te doorboren.’ Was dit gebruik ook bekend rond 1500 in de Nederlanden? Het zou een mogelijke verklaring kunnen bieden voor de met pijlen doorboorde figuren in het werk van Bosch. Dit verdient nader onderzoek.

 

***

 

In Roger H. Marijnissen, Bosch – Het volledig oeuvre, Antwerpen, 1987, p. 141, lezen we als commentaar bij een detailafbeelding van de duivel die een ladder naar het inwendige van de Boommens beklimt op het rechterluik van de Tuin der Lusten: ‘Het personage dat met een pijl in het achterwerk de ladder opklautert is een gedroomd onderwerp voor commentaar met psychoanalytische inslag. De historicus moet evenwel de aandacht vestigen op een zegswijze die onder nr. 504 vermeld wordt door de Proverbia communia (1480): “Menich maect een roede tot sijn selfs eers”. Niet bepaald fatsoenlijk als beeldspraak, is ze weinig bekend, maar men vindt ze wel degelijk in Van Dale’s Groot Woordenboek der Nederlandse Taal (…) en nog steeds met de betekenis die ze in Bosch’ tijd had, namelijk iets doen dat later tot eigen straf en schade dienen zal, zijn eigen straf voorbereiden. De scène levert dus een fraai voorbeeld van Bax’ interpretatiemethode. Het ziet ernaar uit dat Bosch hier een man heeft uitgebeeld die door zijn zondig gedrag voor eigen verdoemenis heeft gezorgd.’ Deze Middelnederlandse zegswijze komt inderdaad een aantal malen voor in teksten rond 1500…

 

Proverbia communia ed. 1947 (1480)

  • 82 (nr. 504). Spreekwoordenverzameling. Menich maect een roede tot sijn selfs eers. De Latijnse variant luidt: Sepe suum proprium fecit [lees: facit?] puer ipse flagellum (vaak maakt het kind zelf zijn eigen zweep).

Der Sotten Schip ed. 1981 (1548)

  • s3v (hoofdstuk 66). Satirisch-moraliserend traktaat. Over personen die misbruik maken van hun macht en zo veel vijanden maken: Wa(n)t die veele liede(n) misdoe(n), hebbe(n) veel tontsien, en(de) veel liede(n) plucke(n) en(de) make(n) een roede tot hare(n) aerse.

Gemeene Duytsche Spreckwoorden ed. 1959 (1550)

  • 56 (regel 18). Spreekwoordenverzameling. Hy maeckt een roede tot sijn selfs eers.

 

Toch moet de interpretatie van Marijnissen afgewezen worden. Ten eerste is de figuur in de Tuin geen zondige ziel, maar een duivel. En ten tweede betekent de term ‘roede’ in de uitdrukking niet ‘pijl’ maar ‘stok’. Wellicht zinspeelt de pijl op de term ‘ruggebout’ voor drol (zie supra).

 

***

 

In Pieter Bruegel de Oude’s Aanbidding der Wijzen (paneel, 1564, Londen, National Gallery) zien we bovenaan links een soldaat-boogschutter met een pijl door zijn hoed. Zou daar een symbolische betekenis mee gemoeid zijn? Zie een duidelijke detailafbeelding in Roger H. Marijnissen, Bruegel – Het volledig oeuvre, Antwerpen, 1988, p. 234.

 

[explicit 15 maart 2022]

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram