Jheronimus Bosch Art Center

ROOK

 

1 Rook = het vergankelijke menselijke, aardse leven

 

Dit is een bijbelse topos, gebaseerd op Psalm 102 (101), 4.

 

De civitate Dei ed. 2014 (412-426)

  • 311 (boek VII, inleiding). Theologisch traktaat. Het gaat hier om een uiterst belangrijke kwestie; wij betogen namelijk met nadruk, dat het ware en waarlijk goddelijke wezen ons weliswaar de noodzakelijke hulpmiddelen verleent voor het broze bestaan dat wij hier nu leiden, maar dat het desondanks niet gezocht en vereerd moet worden, vanwege dit sterfelijke leven, dat slechts een vluchtige rook is, doch vanwege het waarlijk gelukkige leven, dat niet anders dan eeuwig kan zijn.

Dietsche doctrinale ed. 1998 (1345)

  • Boek I, verzen 423-424. Stichtelijk rijmtraktaat. Die lichame nes maer een stanc / Die alse een roec ouer drijft.

Die Spiegel der Sonden ed. 1900 (XIV)

  • 138 (boek V, hoofdstuk X, verzen 10.841-10.848). Berijmd stichtelijk traktaat. Hoverdich mensche, den roke gi slacht, / Die up climt met zijnre cracht / Ende clymmende den mensche ontoocht. / Hier up ons David wale toocht: ‘Terstond als die viande des heeren / Verheven zaten ende in eren, / So quam hem een gebreken an, / Ende als een roec so schieden si dan’.

Die Spiegel der Sonden ed. 1901 (1434-36)

  • 188 (regels 7-13). Stichtelijk prozatraktaat. Die hoverdighe slacht den roeck, die mit sijnre cracht op climt ende den minsche climmende ontrecht; hier op seet David: ‘Staphandes doe die duvelen verheven saten ende in eren Ende hem quam een twivel an der verheffingen, ende als een roeck schieden si en wech’.

Navolghinghe ons Heren Jhesu Christi ed. 1954 (XVA)

  • 121 (boek III, hoofdstuk 12, regel 12). Stichtelijk prozatraktaat. Want siet, also die roke vergaet, also sellen si ghebreken die nu overvloeyen inder werlt ende daer en sel gheen ghedenckenisse wesen der voirledenre blijscappen.

Der Byen Boeck ed. 1990 (XVB)

  • 92 (boek II, hoofdstuk 15, regels 8-9). Stichtelijk traktaat. Der byen kijf wort oeck veryaghet mit roke, want wat is der menschen leuen dan een wasem die corte tijt gheseen wort.

Scone leeringe ed. 1985 (1500)

  • 80 (regels 1179-1180). Stichtelijk traktaat. Ghelikerwijs als die roock te niet gaet, so moeten si [de vijanden van God] te niete gaen.

Een sAnders Welvaren ed. 1920 (1511/1512)

  • 71 (verzen 644-645). Rederijkersspel. Ghelyc den roock clemt jnde lucht / So clemt ghy houeerdich, zonder vreese of ducht.

Ieper: spel van sinne te Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 154 (vers 20). Rederijkersspel. Cleynmoedighe is bang, nu hij gaat sterven: Want als roock zo zijn vergaen mijn daghen!

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 272 (fol. 306v, verzen 8-9). Als Roock zo Lydt / hier ons cranck broossche leuen.

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 155 (fol. 406r, verzen 20-21). Rederijkersvertaling van Psalm 102 (101): Want myne daeghen sie zyn verghaen / ghelyck een Roock wech henen.
  • 186 (fol. 425v, vers 24). Rederijkersrefrein. Als Roock ende wyndt gheel ons Leuen verghaet.
  • 193 (fol. 430r, verzen 25-26). Rederijkerslyriek. Wat zoud ons hier om blyfuen dan mueghen trecken / Daer alle ghenouchte als Roock passeert.

Groote Hel ed. 1996 (1564/65?)

  • 34r (verzen 1320-1322). Rederijkersspel. De berouwvolle Waerlick Rigement zegt: deese tijtelijcke eer als een hant vol sonnen / is wech geronnen als een verbranden Doeck / tis al verlooren gelijck een roock.

Bijns ed. 1875 (1567)

  • 235 (boek III, refrein IV, strofe d, verzen 1-2). Vroed rederijkersrefrein. Ons daghen vergaen gelijc eenen roock / En ons leven en is niet dan eenen wint. Vergelijk Psalm 102 (101), 4: Want als rook gaan mijn dagen voorbij.

De Bruyne I ed. 1879 (1579-83)

  • 177-178 (nr. XLI, strofe 8, verzen 9-10). Vroed ABC-dicht. Al siet mense nu hoochelyc triompheren, / gelyck den roock siet mense verdwynen. Hetzelfde in Crul ed. 1954: 50 (verzen 100-101): Al ziet men ze nu hoghelijck triumpheren, / Ghelijck den roock ziet men ze verdwijnen.

De Bruyne III ed. 1881 (1579-83)

  • 79 (nr. CVI, envoi, verzen 7-8). Vroed rederijkersrefrein. Als rook & gras sullen haer namen minderen, / die tegen Godt & syn volvk hier vueren strydt.

Verlooren Zoone ed. 1941 (1583)

  • 104 (verzen 276-277). Rederijkersspel. Rechtverdicheyt Gods zegt: De zondaeren die werden alle in mynen toorne / Als eenen inckelen roock voor elcken te bespoorne.

Amoreuse Liedekens ed. 1984 (circa 1600)

  • 163 (strofe 9, verzen 7-11). Lied. Och wat is ’s menschen ent / Men siet hem snel verdwijnen / Ghelijck den roock vergaen / Met droefheyt en vol pijnen / ’t Is hier seer haest ghedaen.

Nieuwe Nederduytsche Gedichten ende Raedtselen ed. 1972 (1624)

  • 7 (voorrede). Het leven der menschen is vol ellendicheyt, ende is om zijn kortheyt van veel Wijsen by een roock ofte schaduwe vergheleecken.

 

2 Rook = zonden

 

De Bruyne II ed. 1880 (1579-83)

  • 93 (nr. LXIV, strofe 3, verzen 9-11). Vroed rederijkersrefrein. & selve soo syt totter quaetheyt gewent, / dat den roock dynder sonden tfirmament / & den hemel duerclimt Godts aenschouwen by.

 

3 Rook = de hoogmoedige mens

 

Fasciculus morum ed. 1989 (XIVa)

  • 58-59 (pars I, cap. vi, regels 22-30). Latijns hoofdzondentraktaat. And notice that pride must be despised because it harms the eyes of the soul, as smoke (fumus) harms the eyes of the body. It is fittingly likened to smoke because as smoke condenses near the ground and evaporates when it rises up, so the proud person is great in his own estimation, but in the future he comes to nothing; the Psalmist declares: ‘I have seen the wicked highly exalted’; and further: ‘They shall come to nothing, like smoke.’ [Psalm 36 (35), 20] Similarly, smoke is born of fire but does not inherit light; likewise pride is born from a good substance, just as a moth from clothing, a worm from fruit, and tarnish from gold, and yet it spoils and consumes what it is born of. Similarly, the higher smoke rises, the swifter it will fall.

 

4 Rook: restmateriaal

 

Der Minnen Loep I ed. 1845 (1411-12)

  • 48 (boek I, verzen 1242-1243). Ars amandi. Vrouwen veranderen snel van mening en humeur: Het waeyt wel menigherleye wint, / Eer die roeke uutgancg heeft.

Jesus onder die leeraers ed. 1941 (1580)

  • 155-156 (verzen 859-860). Rederijkersspel. Jezus zegt tot de Schriftgeleerden: Uw harten zijn blind, daerom is mijn sprook / Bij u als een smook, die vanzelfs verdwijnt. Rook = iets waaraan men geen aandacht schenkt (hier: de leer van Jezus).

 

[explicit 18 juli 2019]

 

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram