Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90

STOEL (drievoetstoel)

1 Drievoetstoel gebruikt door vrouw of man om mee te slaan tijdens een ruzie (het ‘spotkroon-motief’)

 

In het Ira-segment van het vaak aan Bosch toegeschreven Tafelblad met de Zeven Hoofdzonden (Madrid, Prado) zijn twee mannen aan het ruziën en vechten. Eén van hen draagt een drievoetstoel (een soort krukje) op het hoofd: blijkbaar heeft de andere man hem daarmee geslagen.

 

W.M.H. Hummelen, “Toneel op de kermis, van Bruegel tot Bredero”, in: Oud Holland, jg. 103 (1989), nr. 1, pp. 1-45, meer bepaald p. 34. Hummelen signaleert dat in de laatmiddeleeuwse literatuur een als wapen gebruikte stoel niet ongebruikelijk is bij huwelijkstwisten.

 

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 181 (nr. 223, verzen 32-36). Zot rederijkersrefrein. Een vrouw klaagt over haar wispelturige, hyperpotente echtgenoot: Dan seijt hij wijfken ic salt v noch lonen / ghij sijt die liefste die ic beminne / ende tsanderdaechs gaet hij mij cronen / mit eenen drijvoet als een coninginne / dan vloict hij mij dat ic niet en spinne.

De Stove ed. 1944 (XVIa)

  • 152 (verzen 146-149). Strofisch rederijkersgedicht. Een vrouw vertelt een andere vrouw over haar huwelijksperikelen: So greep ic eenen drijpickelstoel / Doen hij dat sach, so viel hij coel / want ha hij mij te smijten gheweest so dom / ick sou hem verset hebben sinen doel.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 258 (nr. 69, strofe b, verzen 11-13). Zot rederijkersrefrein, gericht tegen het huwen van bazige vrouwen: Geeft haer eenen slach, zij en zal u niet honen / maer dobbel lonen / met stoelen cronen.

Colloquia familiaria ed. 1967 (1533)

  • 146-147. Latijnse dialoog (‘Uxor mempsigamos’). Xantippe vertelt Eulalia over een ruzie met haar man: [Xantippe:] Imo vicissim ego corripiebam tripodem: si contigisset me digito, sensisset mihi non deesse manus. [Eulalia:] Novum clypei genus. Deerat colus lanceae vice. Vertaling: [Xantippe:] Integendeel, ik pakte een drievoetstoel (tripodem). Als hij mij ook maar met een vinger aangeraakt had, zou hij gemerkt hebben dat ik ook handen heb. [Eulalia:] Een nieuw soort schild! Had je geen spinrokken als lans? Zie ook Colloquia familiaria ed. 2001: 132. De Stove (zie supra) is een Middelnederlandse bewerking van deze Erasmus-tekst.

Gemeene Duytsche Spreckwoorden ed. 1959 (1550)

  • 54 (regel 16). Spreekwoordenverzameling. Men sal hem croenen mit een drijstoel.

Const van Rhetoriken ed. 1986 (1555)

  • 157. Zot rederijkersrefrein over pantoffelhelden. Er wordt geadviseerd om bazige vrouwen hun zin te geven: Laet haer douerhand zyn, oft u naeckt gheschillekin, / ende sal hu thoofd kemmen met eenen stoele.

Ulenspieghel ed. 1980 (1560)

  • 71 (vers 177). Spotprognosticatie. D’ wijf sal ’s mans hooft met eenen stoele kammen.

Knollebol ed. 1980 (1561)

  • 85 (verzen 29-32). Spotprognosticatie. Wanneer ick tsavonts thuyscome ende ben wel ghedroncken, / en meyn op mijn bedde te gaen ligghen roncken, / so coemt mijn wijf met eenen drijvoetstoele / en ’t wort clypsis ontrent mijnen doele.

 

2 Lopen van banken tot stoelen = her en der lopen, geen vaste zitplaats (partner) hebben

 

De interpretatie is ontleend aan Dirk Coigneau, Refreinen in het zotte bij de rederijkers, deel II, Gent, 1982, p. 360 (noot 275).

 

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 169 (nr. 216, verzen 28-29). Zot rederijkersrefrein. Een geile, overspelige vrouw zegt: Teghen stoilen ende bancken soudic mij betrouwen / enen eers camp te doen sonder flouwen.
  • 194 (nr. 232, verzen 5-6). Zot rederijkersrefrein. Een vrouw probeert haar man ervan te overtuigen dat ze niet overspelig is: Soudick slachten die dobbel ghecleet sijn / ende gaen lopen van bancken tot stoilen.

 

3 Op het stoeltje zitten = een meisje afgesnoept hebben van een ander

 

Over de stoel als symbool van welkomst en gastvrijheid: Dirk Coigneau, Refreinen in het zotte bij de rederijkers, deel II, Gent, 1982, p. 263 (noot 43).

 

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 201 (nr. 235, verzen 49-50). Zot rederijkersrefrein. Een afgedankte minnaar zegt: Een ander sit daer nu opt stoelken / of ghepeerlt oft vergult was.

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 32 (nr. 12, verzen 27-29). Amoureus rederijkersrefrein. Twee geliefden laten zich niet storen: al coemter dan een verwaent capiteyn / en meent van verre ooc schieten na tdoelken, / mer lasen hi mist, tsit een ander int stoelken.

Antwerps Liedboek I ed. 1983 (1544)

  • 91 (nr. 78, strofe 3, verzen 1-4). Zot-erotisch liedje. Een man verliest zijn geld aan de hoertjes: Die alder leepste dille / si sette hem eenen stoel / Nv doet hier uwen wille / ghi zijt mijn liefste boel.

 

4 Tussen twee stoelen in de as zitten = niet meer weten wat men moet doen

 

Deze zegswijze wordt ook uitgebeeld op Bruegels Spreekwoorden-schilderij (1559).

 

Groot Labuer ende Sober Wasdom ed. 1920 (1530)

 

  • 273 (vers 314). Rederijkersspel. Saten wy niet tusschen twee stoelen jn dasschen?

 

5 Stoel: restmateriaal

 

Sancti Hieronymi Epistulae ed. 1991 (385)

  • 176-179 (nr. XLIV). Latijnse brief. Hiëronymus schrijft aan de maagd Marcella, die hem geschenken heeft gezonden, onder meer stoelen. Hiëronymus interpreteert deze stoelen symbolisch en schrijft wat een stoel betekent voor een maagd en voor hemzelf: sellae, ut foras pedes virgo non moveat (stoelen waarschuwen ons dat een maagd niet buiten komt). (…) sedere aptum est otiosis (op een stoel zitten is goed voor wie niets te doen heeft).

Nieuwpoort: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 218 (verzen 185-186). Rederijkersspel. Goddelicke Waerheyt zegt: Daeromme laet ons toe gaen met groot betrauwen / tot den stoel zijnder gracyen, als wy staerven. Stoel = de troon van God, de Hemel.
  • 220 (verzen 230-236). Uutvloyende Claergye zegt: En psalmo belijdt; / Daer staet: die heere heift David toe ghezworen / de waerheyt, ende hy, o mensche vercoren, / en zal hem niet bedrieghen (dit es tghevoel) / vande vrucht zijns buucxs te zetten op zynen stoel, / twelc de vader beloofde; o troostelic woordt, / hier in vast rustende. Idem.

Cranckheijt des Vleijsch ed. 1992 (XVIB)

  • 88v (vers 118). Rederijkersspel. Een slachtoffer van de neefkes moet op een stoel gaan zitten. Het ene neefke tot het andere: Neve tis den stoel genaempt wanckelbaerheijt.

 

[explicit 11 mei 2022]

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram