Jheronimus Bosch Art Center

WOUD (bos, warande)

 

1 Woud, warande = de wereld waarin wij mensen leven (vaak met de connotaties zondigheid, slechtheid, onbetrouwbaarheid)

 

P.G.J.M. Raedts, “Het aards paradijs – De tuin als beeld van het geluk”, in: R.EV. Stuip & C. Vellekoop (red.), Tuinen in de Middeleeuwen, Hilversum, 1992, p. 36: ‘In de Middeleeuwen was de ongerepte natuur eerder een beeld van de chaos. Kronieken uit die tijd wemelen van rampzalige droogtes en overstromingen, hagelbuien en zandstormen, natuurgebeurtenissen die het leven van de mens direct bedreigden. De weerslag daarvan vinden we ook in de literatuur, waar het woud niet gold als de plaats van de idylle, maar van dreigend gevaar, de woonplaats van wilde dieren en boze geesten. De ongerepte natuur was de duidelijkste uiting van de ongeordendheid van de in zonde vervallen schepping en bovendien, overdrachtelijk gebruikt, beeld van het ongeregeld driftleven van de gevallen mens.’

 

Rik Van Daele, Ruimte en naamgeving in Van den Vos Reynaerde, Gent, 1994, pp. 314-316. Het woud is in de Middeleeuwen een gevaarlijke plek en wordt verbonden met negativiteit (maar niet altijd: het kan ook een uitwijkplaats voor heremieten zijn bijvoorbeeld). Zie ook de noten voor interessante literatuurverwijzingen.

 

Zie over de negatieve connotaties van bossen en wouden in fabels en dierenepiek: Hans Rijns, “Oh, wat is het donker in de bosjes – Over de betekenis van het bos in de fabels en de ‘matière renardienne’”, in: Tiecelijn – Jaarboek 12 van het Reynaertgenootschap, jg.. 32 (2019), pp. 52-69.

 

Dialogus miraculorum I ed. 2003 (1219-23)

  • 245 (afdeling 4, hoofdstuk 53). Geestelijk prozatraktaat (Latijn). Over het woud dat optreedt in een visioen van een novice wordt uitgelegd: Het woud is het tegenwoordige leven waarin de mensen als bomen groeien en door de dood worden omgehakt.

Vierde Martijn ed. 1958 (1299)

  • 61 (verzen 146-148). Didactisch tweegesprek. Jacob waarschuwt tegen kwaad doen: Aldus sijn wi in een hout, / in een neder donker wout / onder felle gebuere.

Boec van Gods Wraken ed. 1869 (1346-51)

  • 318-319 (boek I, hoofdstuk 12, verzen 920-925). Leerdicht. Daer die rechtere van ene stede / onwttich es ende die scepene mede / dats alse een wout, des gheloeft, / daer men die liede in beroeft. / Ende sulke stede so sal / elc goet mensche scuwen over al.
  • 327 (boek I, hoofdstuk 14, verzen 1164-1169). Een wijs man maect ons vroet: / stat daer men gheen recht en doet / die es als een wout, des ghelooft, / daer men die menschen in beroeft / ende lijf ende goet nemt dan: / die stat sal scuwen elc wijs man.

Marien voerspan ed. 1944 (XVB)

  • 41 (zonder regelnummering). Geestelijk proza. Binnen een ‘eenhoorn = Christus’-allegorie: in desen diepen nederen walde meniger sonden.

Maria Hoedeken ed. 1920 (1509)

  • 27 (verzen 707-709). Rederijkersspel. Sober Regement, Quaet Beleedt en Cleen Achterdyncken (negatieve personages) gaan zich als rovers verstoppen in een ‘busch’ (waarmee duidelijk een bos bedoeld wordt, zie vers 733): Jn desen busch gheheeten sweerels Onsekerheyt / hier gheseyt wilt ghys hebben te bet / moet tvolc ghewacht zyn. Het bos heet dus allegorisch ‘Onzekerheid (Onbetrouwbaarheid) van de Wereld’.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 113 (nr. 59, verzen 5-6). Vroed rederijkersrefrein over begeerte: die rycheyt begheren in swerlts warande / en tytelyke eere syn sonder ghetal.
  • 229 (nr. 114, verzen 11-13). Vroed rederijkersrefrein. Aij wi diendic u werlt, veninighe beeste, / ijdel glorie heeft mij bij uwen foreeste / verblynt dus bin ick verdoolt misgaen.
  • 232 (nr. 115, vers 46). Vroed rederijkersrefrein. O mensche verdoolt in swerlts foreest.

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 51 (nr. 160, vers 7). Vroed rederijkersrefrein. Over het geld dat ‘nu’ meest geprezen wordt: Men steeltse [besteelt hen, namelijk deugdzame personen] int wout der werlts verwaetheit.

Sinte Pieter ghecompareirt byder duve ed. 1920 (1531)

  • 356 (verzen 430-433). Rederijkersspel. Over de duivel: Want hu partye svyants bewynden al / es ommerynghende wien hy verslynden zal / als een briesschende leeu in sweerels foreest ziet / den mensche.

Meesene: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 138 (verzen 347-348). Rederijkersspel. Ic gheloove wel dat Christus es gheboren / vander maghet Maria in swaerels foreest.

Nieuwpoort: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 212 (verzen 30-37). Rederijkersspel. Over een pelgrimstocht naar het Heilige Land: [Goddelicke Waerheyt:] Waer light de reyze? / [De mensche:] Ten helighen lande, / daer ic ghaerne ware; stranghe es tpassage, / vul van oultrage, een wilde bosschage. / Zal ic noch moghen Ierusalem anschauwen, / noyt gheen zo blyde. / [Wtvloyende Claergye:] Hebt goet betrauwen / en wilt niet flauwen, tzijn swaerels perijckelen.

Tielt: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 268 (verzen 545-547). Rederijkersspel. Origines zeght: niemant bemoeden can / zonder Iesum, den troost int staervens tempeest, / payzelic te latene swaerelts foreest.

Tienen: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 354 (vers 225). Rederijkersspel. Christus is geboren binnen swaerels foreeste.

Loo: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 531 (verzen 448-450). Rederijkersspel. Twelc zijn alle menschen noch in dit foreest [op deze aarde], / die met een crachtigh gheloove levende / hueren gheest Christo zijn anclevende.

Cristenkercke ed. 1921 (kort na 1540)

  • 71 (verzen 1631-1634). Rederijkersspel. Een sinneke zegt: tJan, hij soude ons temuijsmele ghemaelt hebben, Scriftuerlijcke hoede, noijt afgrijselijcker beeste, / bouen alle vianden ons den alder meeste / in tswerlts foreeste, dat moghen wij sweren wel.

Refreinen ed. 1950 (circa 1550)

  • 57 (nr. 5, vers 1). Vroed rederijkersrefrein. Hoort alle die benaut in tswerelts foreest leeft.
  • 59 (nr. 6, vers 28). Vroed rederijkersrefrein. God zegt dat hij gezegend zal zijn die myn looyen bemint int swerelts foreest.

Van Vinckenroye ed. 1960 (vóór 1557)

  • 15 (nr. 3, verzen 24-25). Vroed rederijkersrefrein. Ick bem binnen desen ertschen foreeste / by ydele glorien verdoolt mesgaen.

Meestal die om Paijs roepen ed. 1941 (1559)

  • 39 (vers 208). Rederijkersspel. Gratie Goods tot de Hemelse Wijsheid die in ’s werels foreest die harten geneest.

Testament Rhetoricael II ed. 1979 (1561)

  • 61 (fol. 183r, verzen 29-30). Vroed rederijkersrefrein. De geestelijke herders moeten hun schapen hoeden eer datse de wulfuen in tbusch forreestelick / van deser weerelt briesschiende omrynghen.
  • 244 (fol. 291v, verzen 1-2). Amoureus rederijkersrefrein over de dood van een geliefde: Lief in des weerelts forreest / puer hert ionstelick schynct hu adieu den gheest.

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 131 (fol. 391v, verzen 16-17). Vroed rederijkersrefrein. Dit raed ick hu quaet waert dat ict verzweghe / die noch dolende wandelt in tsweerelts forreest.
  • 204 (fol. 437v, vers 23). Vroed rederijkersrefrein. Tot Christus: myn hope en stercte zyt ghy in tsweerelts warande.
  • 222 (fol. 448v, verzen 28-29). Vroed rederijkersrefrein. Want een boom die hoopt, al es hy afghehauwen / zyn tacxkens spruten weder, tblyct in tsweerelts forreest.

De Bruyne I ed. 1979 (1579-83)

  • 4 (nr. 1, strofe 4, vers 8). Vroed rederijkersrefrein. Christus spreekt: ic en come nietom vrede, int sweirels foreest.
  • 126 (nr. 29, strofe 2, verzen 4-6). Vroed rederijkersrefrein. De zondige ik over Christus die hem redt: my siende liggen seer derlyck benout, / is neder gedaelt in dit besneden woudt, / daer ick verloren lach vol allenden.

De Bruyne II ed. 1880 (1579-83)

  • 7 (nr. 43, strofe 4, verzen 1-2). Vroed rederijkersrefrein. Godt heeftse lieff die hem vreesen alleene meest, / & met synder wysheyt woonen in dit foreest.
  • 43 (nr. 53, strofe 1, verzen 1-2). Vroed rederijkersrefrein. Hertneckich volck, die hier int eerts foreest / syt gaende ingnorant.

De Bruyne III ed. 1881 (1579-83)

  • 20 (nr. 93, strofe 2, verzen 9-10). Vroed rederijkersrefrein. Ick ben dwarachtich broot gedaelt in dit foreest, / u lieden ten leven, dats Christus vermonden.
  • 63 (nr. 102, strofe 3, verzen 14-15). Vroed rederijkersrefrein. Nooyt meerder blyschap versiert / tegen alle dlyen vant sweirels foreeste.
  • 143 (nr. 122, strofe 4, verzen 1-4). Vroed rederijkersrefrein. Loff, eere, weerdicheyt sy Godt alleyn, / die ons geschapen heeft nae syn beelde reyn, / ingeblasen certeyn eenen levenden gheest, / in sweirels foreest.

Jesus onder die leeraers ed. 1941 (1580)

  • 134 (verzen 399-400). Rederijkersspel. Jezus zegt: ’t Verloren schaapken moet werden gezocht / in die wilde woestijn, tswerlds warand’.

Verlooren Zoone ed. 1941 (1583)

  • 112 (verzen 516-518). Rederijkersspel. Want tgheloove zonder wercken men over al doot telt, / ghelyck dat een lichgame doot es zonder den gheest / bin swerels foreest.
  • 168 (verzen 222-224). Een sinneke over de Verloren Zoon die in armoede is vervallen: Nu moet hy hem houden ten wilden foreeste / als onredelicke beeste vul drucx eenpaerlick / int lyden zwaerlick.
  • 208 (verzen 1272-1275). Met eenen goeden wille nu zegghende: o Heere, / in u alleene betrau ick en laet my nemmermeere / naer twoordt des psalmisten commen ter schanden / bin swerels waranden.

Prieelken der Gheestelyker Wellusten ed. 1927 (1587)

  • 104 (strofe 34, vers 2). Geestelijke lyriek. In swerelts foreest, daar is volbracht wat over Christus was geschreven.

Machabeen ed. 1992 (1590)

  • 36r (vers 1101). Rederijkersspel. Eleaser zegt: als ick nu moet scheijen uuijt swerelts foreest.

Lijs en Lippen Harman ed. 1997 (XVI)

  • 66r (verzen 179-180). Rederijkersklucht. Jan Vleermuijs tot zijn gehuwde minnares: dies ghij geresen in mijnen geest blijft / boven allen diemen in swerrelt foreest schrijft.

Voorleden Tijt ed. 1932 (XVI)

  • 36 (verzen 529-530). Rederijkerspel. Er wordt gevraagd waar Elck Een zich bevond. Magere Tijt, die hem ontmoet heeft, zegt: Int Bos van Ondanckelijchede. / Daer jaecht hij, daer weunt hij, daer vliecht hij. Het bos is hier allegorisch de zondige, ondankbare wereld die omwille van de zondigheid gestraft wordt met oorlog en magere tijden.

Paulus ende Barnabas ed. 1992 (XVIB)

  • 60v (vers 1052). Rederijkersspel. Siet onbedeest, in dit foreest wilt doch schrijven.

Verlaten Kennisse ed. 1992 (XVIB)

  • 115v (verzen 1268-1269). Rederijkersspel. Deuchdlijck Vermaen tot God over de hoofdpersoon: So mach hij vercrijgen u hemels broot / om in sijn noot door swerrelts foreest te lijden.
  • 118v (verzen 1583-1584). Schriftuerlijcke Troost zegt: so sal versteent hart ons niet mogen raeden / om gods woort te versmaeden in swerrelts foreest.

Wie haer op troost verlaeten ed. 1992 (XVIB)

  • 122r (verzen 27-29). Rederijkersspel. Beswaerde Consiencie zegt: en dencke wie datse mogen wesen delicaet / die haer op den toecomenden troost aldermeest / mogen verlaeten in swerrelts foreest.
  • 134r (verzen 1148-1149). Post der Genaden zegt: dees menschen moogen haer hier in swerrelts foreest / op den toecomenden troost verlaeten aldermeest.

Seven wercken der barmherticheijden ed. 1993 (XVIB)

  • 28v (verzen 310-311). Rederijkersspel. De Reden zegt: Maer den heijlighen geest / die sal u in dit foreest wel te vreden maecken.
  • 34r-bis (verzen 993-994). Twaerachtich Woort Goots zegt: O simpele mensch wilt u fonderen aldermeest / in dit foreest op goods woort onverschoven.

Huisvader ende huismoeder ed. 1994 (XVIB)

  • 37r (vers 430). Rederijkersspel. Om hem te voldoen verschoolen in swerelts foreest.

Afval vant gotsalige wesen ed. 1996 (XVIB)

  • 124r (verzen 1138-1139). Rederijkersspel. Die Mensch zegt: Ick heb gedoolt als een scaepken en lelick gedwaelt / in alle onnacksaemheijt [onachtzaamheid], dat seer bijstere foreest.

Geslacht der Menschen ed. 1996 (XVIB)

  • 128v (verzen 144-145). Rederijkersspel. Een neefke zegt: Wij willen nu tsaemen op een leest mingen / en nae tswerlts foreest springen, daer is nu te doen wat.

 

2 Woud (het helse foreest), warande = de Hel

 

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 119 (nr. 190, verzen 54-56). Vroed rederijkersrefrein, vermaning aan een hoerige vrouw: Peyst venus ende alle amoruese geesten / wordi [lees: worden?] van god int ordel int vuer ghesmeten / daer sy ligghen in swaerder foreesten.

Testament Rhetoricael III ed. 1980 (1561)

  • 177 (fol. 419v, verzen 23-24). Rederijkerslyriek, Paasliedje. Tlam heeft de schaepen verlost zeer coen / huut die vyandeghe warande.
  • 223 (fol. 449v, verzen 23-25). Vroed rederijkersrefrein. Tot Christus: en bidde gheeft my cracht ieghens huwe vyanden / met recht en rene / dat zy my niet en vanghen in huere waranden.

Goetheijt, Lijefde en Eendracht ed. 1994 (1579)

  • 154r (vers 442). Rederijkersspel. Het ene neefke tot het andere over de zielen die doer u moeten dalen int helsche foreest.

Reyne Maecxsele ed. 1906 (1571-83)

  • 38 (vers 766). Rederijkersspel. Maria zal een kind baren diet alle vernielen zal ten helschen foreeste.

Verlooren Zoone ed. 1941 (1583)

  • 92 (verzen 17-18). Rederijkersspel. Een sinneke zegt: Wy hebben hedent feeste / ten helschen foreeste zoo ghy emmers mueght weten snel.

Christum liefde bewijsen ed. 1993 (XVIB)

  • 84r (vers 3202). Rederijkersspel. Straffe Goods over de straffen van de zondaars: die sullen int helssch foreest eeuwelijcke dueren.

 

3 Woud (foreest) = de Hemel

 

Bekeeringe Pauli ed. 1953 (circa 1550)

  • 85 (verzen 619-621). Rederijkersspel. Gericht tot Paulus: Want gy syt blent van dijns oogen gesichte, / dwelck u verleent is vanden hemelschen lichte / deur tgoddelyck gesichte [lees misschien; gerichte?] binnen shemels foreeste. Vergelijk Sincte Paulus bekeringe ed. 1992: 10v (vers 942).

Van Vinckenroye ed. 1960 (vóór 1557)

  • 14 (nr. 2, vers 79). Vroed rederijkersrefrein. Ende laet my commen int hemels foreest.

Menic Bedruct Hart aen een droege chijsterne verleijt ed. 1994 (1577)

  • 145v (vers 1098). Rederijkersspel. Tot het opperste goet int hemelsche foreest.

 

4 Woud = Maria

 

Stijevoort II ed. 1930 (1524)

  • 35 (nr. 152, vers 26). Vroed rederijkersrefrein, lof op Maria: lof maechdelic foreest.

 

5 Woud = het territorium van de Dood

 

Axel: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 321 (verzen 297-299). Rederijkersspel. Over een ongerust geweten: Ooc genereirtse qwa desperacye, / den meesten ontroostin tstaervens stacye / diemen pynzen magh binnen sdoodts foreesten.

 

6a Woud, bos // erotiek

 

Roel Zemel, “De hoofse wereld in de Beatrijs”, in: Spektator, jg. 12, nr. 5 (maart 1983), pp. 349-354, heeft het naar aanleiding van de ‘foreest’-scène in de Beatrijs (verzen 328-397) over de tegenstelling woud (woeste natuur, ruwe seks) / prieel (geciviliseerde natuur, liefdevolle erotiek) in een hoofse context: ‘Keren we nu terug naar de scène uit de Beatrijs, dan kunnen we in het licht van het boven staande vaststellen, dat de daarin beschreven “locus amoenus” als “locus amoris” van het onhoofse type is. Het gaat immers om een “ongeciviliseerd”, in de vrije natuur gelegen “foreest”-landschap. Het is dan conform daarmee, dat Beatrijs, “hovesche ende subtijl van zeden” (vs. 19) als ze is, het van de hand wijst om daarin de liefde te bedrijven en in plaats daarvan haar partner een ander inzicht bijbrengt aangaande de functie van het natuurdecor’ (p. 351).

 

Lanseloet van Denemerken ed. 1979 (circa 1408)

  • 95 (verzen 164-166). Toneelspel (abel spel). Lanseloet over Sanderijn: Wat ic kerme of wat ic claghe, / sine wilt niet gaen met mi int wout, / si mint ere voer enich gout.

Pyramus ende Thisbe ed. 1965 (circa 1520)

  • 191 (verzen 404-406). Rederijkersspel. De moeder van Thisbe tot het sinneke Fraudelic Schijn over het meisje Thisbe: O fraudelic schijn, ic mene ghi sout / haer gheerne jaghen int wilde woudt / met venus dienaers sonder bestier.

Stijevoort I ed. 1929 (1524)

  • 77 (nr. 40, verzen 4-6). Amoureus rederijkersrefrein, een aansporing tot zuivere liefde. Hoert dan ghi amorueskens wy maect ghi feeste / als ghi susanna hebt binnen uwen foreeste / mit cathyuighe listen laet ghi v berinnen.
  • 158 (nr. 82, vers 8). Zot-erotische refrein. Een wellustige vrouw zegt tot een schipper: ic hebbe duerwandert menich stout foreest.

Stove ed. 1944 (XVIa)

  • 158-159 (verzen 300-301). Strofisch rederijkersgedicht. Een ongelukkig gehuwde vrouw zegt: moet ik dronkaards bij mij thuis ontvangen en verdragen, ick hadde veel lieuer datse waren / int bosch daer den harinc wort gheuanghen. Onduidelijke betekenis. Is het ‘bos waar de haring wordt gevangen’ wellicht een verwijzing naar een bordeel?

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 191 (nr. 51, strofe a, vers 4). Vroed rederijkersrefrein. Over de gevaren van de liefde, meer bepaald over losbandige ‘geestkens’ en ‘ghildekens’ die in groene foreestkens loopen wildekens. ‘Wild in groene woudjes rondlopen’ wijst dus op losbandig gedrag, vooral op erotisch gebied.

sMenschen Sin en Verganckelijcke Schoonheit ed. 1967 (1546)

  • 157 (vers 700). Rederijkersspel. Het ene sinneke tot het andere over sMenschen Sin en Verganckelijcke Schoonheit die gaan vrijen: Liefken, sij sijn nu beijde in Venus foreeste.

Const van Rhetoriken ed. 1986 (1555)

  • 193 (strofe B1, verzen 9-10). Vroed rederijkersrefrein. Hy en hadde nooit hongher die nooit en at, / in Cupidoets foreest.

Leenhof der Ghilden ed. 1950 (1564)

  • 16 (verzen 286-289). Satirisch-allegorisch strofisch rederijkersgedicht. In een passage over geslachtsziekten: By de keerondere daert volc neemt zijnen aert / in een warande die alomme is bewaert. / Dese warande is vol wreeder dieren, / vol cleyns wiltbraets wit ende root, onder een doyleeghe [drassig stuk grond] gequelt metten mieren. Het gaat hier over schaamluizen en vlooien.

Ontrouwen rentmeester ed. 1899 (circa 1587)

  • 103 (vers 691). Rederijkersspel. Tgroot Getal zegt tot Venus: Ick wandele veel te gerne in u waerande.

Amoreuse Liedekens ed. 1984 (circa 1600)

  • 187 (strofe 2, verzen 6-7). Bruiloftslied. Set mont aen mont en gaet terstont / int bosch der minnen rijen.

 

6b Woud, bos, bosje, warande = vagina en/of pubis

 

Hans van Straten, Razernij der liefde – Ontuchtige poëzie in de Nederlanden van Middeleeuwen tot Franse tijd, Amsterdam, 1992, pp. 139-141. Het erotisch gedicht ‘Van een visser die uit vissen ging’ uit De vermakelijcke Buysman (1703). De zesde strofe luidt: Ik ging haar borstjes voelen, / die vond ik zeer amoureus, / mijn oogjes wat lager doelden, / daar vond ik de rechte lust. / Dat was een vijvertje al zo net, / al met een bosschage rondom bezet. / Zij zeide zeer blij: / ‘Hier geef ik u uw wille vrij’. ‘Bosschage’ betekent hier waarschijnlijk eerder ‘struikgewas’ dan ‘bos’.

 

Rubben ed. 1999 (circa 1408)

  • 1220 (nr. 211, verzen 235-237). Klucht. Het gheeft die selke een wijf sijn trouwe / ende wense hebben voer maeght / bi gode si [lees: si sin = zij zijn] doer haer boschlkijn geiaecht.

Plaijerwater ed. 2009 (XVIa)

  • 60 (verzen 116-117). Rederijkersklucht. Een hoenderkoopman vertelt Werenbracht dat zijn vrouw overspel pleegt met de pastoor: U wijf plecht den blijndeman te leijen / int foereest van Venis palen. ‘Blindeman’ is een metafoor voor ‘penis’.

Doesborch II ed. 1940 (1528-30)

  • 70 (nr. 29, verzen 18-22 / 29). Amoureus-erotisch rederijkersrefrein waarin de coïtus wordt beschreven in jachttermen. De ‘ik’ zou niet graag hebben dat een ander zijn geliefde (het ‘hert’) ‘ving’. Hij wil dat namelijk zelf doen. Sou mi ooc yemant sulc hert ontsteken, / dach, huere, oft weken in mijn bosch breken / en mijn warande mi geheel ontrecken / na sijn begheeren / ende opden haerdries iaghen steken / (…) sou yemant mijn foreest so duer veeren.

Tien esels ed. 1946 (1558)

  • 22 (regels 4-7). Volksboek. Een hoofdstuk over dwaze mannen die hun vrouwen overspel laten plegen: Want als daer een vrouwe een ander wilt laet haer waranden opbreken, ende laetet loopen ter rouwer schueren, sulcke vrouwen stellen hun mans hoornen aent hooft.

De Bruyne ed. 1925 (1579-83)

  • 16 (nr. 4, strofe 3, verzen 11-12). Zot-erotisch rederijkersgedicht. Mannen denken vaak dat ze een maagd huwen, maar ze is al zwanger: Maar, serteyn, als ic de waerheid schrijve, / soo sijnse dicmaels duer den bosch gejaecht.

 

7 Woud (foreest) = landstreek, gebied met pejoratieve bijklank

 

Hildegaersberch ed. 1981 (circa 1400)

  • 102 (nr. 51, verzen 48-51). Lang gedicht. Over de situatie onder slechte heren: Tghinc soe wonderlijc int lest, / dat nyemant en wiste waer onthouden, / die buten slote wonen souden: / dus wast een wout sonder ghenade.

Bijns ed. 1886 (vóór 1529)

  • 247 (nr. 65, strofe f, vers 19). Vroed rederijkersrefrein. Over de nijd: Noeyt arger gespuys en quam uut foreeste.
  • 283 (nr. 77, strofe b, verzen 4-6). Vroed rederijkersrefrein. Over de tegenstanders van Retorica: Vruecht duer u vermeerdt in menighe feeste, / maer waer dat verkeerdt eenighe botte beeste, / in zelcken foreeste gheen conste en blijcke.

 

8 Woud (foreest) = een landstreek, een gebied (als topisch epitheton, vaak met positieve bijklank, soms ook neutraal)

 

Esmoreit ed. 1977 (circa 1408)

  • 125 (vers 39). Abel spel. Robberecht noemt Sicilië een edel foreest.

Diversche liedekens ed. 1943 (XVIb)

  • 74 (nr. 30, strofe 1, vers 10). Vroed rederijkersrefrein. Het is vrede in Vlaanderen: Druc is gheweert uut ons foreest.

Brugge: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 116 (vers 518). Rederijkersspel. Hier binnen den ghendtschen foreeste. Plaatsaanduiding (hier dus Gent).

Axel: spel van sinne in Gent 1539 ed. 1982 (1539)

  • 310 (vers 24). Rederijkersspel. Zonder Aergh zegt: Ic moet nu ook zijn bin dezen foreeste. Betekent ‘hier’ (neutraal cliché dus).

Const van Rhetoriken ed. 1986 (1555)

  • 212 (strofe 1, vers 5). Rederijkersrefrein. Dies ghy, myn heere vander Edijngscher warande.

9 Restmateriaal

 

In de inleiding bij Ferguut ed. 1994 (p. 26) noteert Norbert De Paepe: ‘In de Arturepiek symboliseert het woud, als localisering van het gebeuren, vaak het teruggeworpen zijn van de “held” op zichzelf, de zelfreflectie die uiteindelijk moet leiden tot het anders-worden’. Vergelijk in dat verband ook Jozef Janssens, De middeleeuwen zijn anders, Leuven, 1993, pp. 172-173, over de woudsymboliek in Karel ende Elegast.

 

[explicit 18 mei 2024]

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram