Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90

Taalkundige toelichting bij het hooi en den hooiwagen

Grauls 1938
Grauls, Jan
Genre: Non-fictie, kunstgeschiedenis
Uitgave datum: 1938
Bron: Gentsche Bijdragen tot de Kunstgeschiedenis, V (1938), pp. 156-177

Grauls 1938

 

“Taalkundige toelichting bij het hooi en den hooiwagen” (Jan Grauls) 1938

[in: Gentsche Bijdragen tot de Kunstgeschiedenis, V (1938), pp. 156-177]

[Ook vermeld in Gibson 1983: 98 (E150)]

 

Het Middelnederlandse woordje hooi betekent: gedroogd gras, maar ook: gras dat op het veld staat en geschikt is om gemaaid te worden. Het woordje werd in het Middelnederlands gebruikt om het bekende zinnetje omnis caro foenum (alle vlees is hooi) uit Isaïas te vertalen. Grauls attesteert een aantal Middelnederlandse uitdrukkingen met hooi uit de zestiende en zeventiende eeuw: ‘niet een hooi’ (= niet het minst, niets), ‘een/iemands kaproen met hooi vullen’ (= bedriegen, misleiden of vleien), ‘het is al hooi’ (= het is allemaal verloren, niets waard) en ‘om het lange hooi plukken’ (= hebzuchtig zijn, zoveel mogelijk willen verwerven). Hooi had in deze uitdrukkingen een ongunstige betekenis. Ook in het Frans had foin een vergelijkbare pejoratieve betekenis. Grauls attesteert ook de uitdrukking ‘de hooiwagen drijven (met iemand)’ die betekent: met iemand spotten, iemand bedriegen. In deze uitdrukking heeft de term ‘hooiwagen’ dus ook een ongunstige betekenis.

 

Verder bespreekt Grauls de Middelnederlandse onderschriften bij de etsen Al Hoy van Bartholomeus de Mompere (1559) en van J. Horenbault (1608). Daaruit blijkt dat een hele reeks gebreken, ondeugden en zonden metaforisch in verband werden gebracht met hooi. De term ‘hooi’ had dus in de zestiende en zeventiende eeuw heel wat meer pejoratieve connotaties dan onze woordenboeken laten vermoeden. Grauls bespreekt ook de Middelnederlandse en Franse onderschriften bij de burijngravure Den Dans des Werelts. Het hooi en de rook uit deze onderschriften (die beide wijzen op de vergankelijkheid van het wereldse) komen in de gravure terug in de vorm van een busseltje hooi met het opschrift vanitas en van een brandende fakkel.

 

Als liefhebber van de volkstaal zal Bosch de bovenstaande uitdrukkingen met hooi wel gekend hebben. Maar welke zegswijze heeft hij nu precies in beeld gebracht? Grauls gelooft niet dat één enkele zegswijze ten grondslag ligt aan het middenpaneel van de Hooiwagen-triptiek. De woorden van Isaïas alle vlees is hooi, die in dit verband vaak genoemd worden, waren rond 1500 waarschijnlijk niet mondgemeen in de volkstaal en het spreekwoord dat Tolnay aanbracht (de wereld is een hooiberg, elk plukt ervan wat hij kan krijgen) is slechts gedocumenteerd vanaf 1823. Uit 1727 kennen we wel een gelijkaardige zegswijze: Die aan de hooiberg staat, plukt. Maar waarom moeten wij in de Bijbel en in de moderne taal gaan zoeken, als we met zekerheid een half dozijn zegswijzen en spreekwoorden kunnen aanduiden die onmiddellijk aansluiten bij Bosch’ tijd? Grauls is er van overtuigd dat alle voorstellingen op Bosch’ schilderij berusten op een uitdrukking of spreekwoord in verband met ‘hooi’ en dat de verschillende door hem vermelde zegswijzen daarvoor in aanmerking mogen komen. Wat de personages op het middenpaneel verrichten, t’ is al hoy, de groep rond de hooiwagen pluckt om tlange hoy (zoekt eigen gewin) en de duivels vooraan rechts dryven den hoywaghen met (bedotten) de hebzuchtige mensheid.

 

Zonder ook maar enigszins afbreuk te willen doen aan de manifeste waarde van dit artikel, toch een tweetal bezwaren tegen Grauls’ visie. Ten eerste: het is niet omdat de bijbelse uitspraak alle vlees is hooi nooit doordrong tot de volkstaal, dat Bosch ze niet heeft uitgebeeld. Bosch maakte veel gebruik van de volkstaal, maar zeker niet altijd. Zie bijvoorbeeld het psalmcitaat op de buitenluiken van de Tuin der Lusten en vergelijk de citaten uit Deuteronomium op het zogenaamde Tafelblad.

Ten tweede: het is zeer de vraag of de bijbelse zegswijze alle vlees is hooi inderdaad zo onbekend was, ook bij het gewone volk. De uitdrukking wordt in laatmiddeleeuwse teksten zo vaak geciteerd dat alles erop wijst dat het hier om een zeer bekende bijbelplaats gaat. Ook analfabeten konden er frequent mee in contact komen, via het beluisteren van preken. Bij dit tweede bezwaar sluit Vandenbroeck 1987c: 123, zich aan: “Duidelijk is, dat deze oudtestamentarische visie op het ‘hooi’ in de Nederlanden tijdens de 15de en 16de eeuw welbekend was, zoals ook uit het volgende zal blijken (hetgeen de mening van Grauls 1938, p. 173, weerlegt)”.

 

[explicit]

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram