Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90

Hiëronymus Bosch - Het volledig oeuvre

Marijnissen 1987
Marijnissen, Roger H. m.m.v. Peter Ruyffelaere
Genre: Non-fictie, kunstgeschiedenis
Aantal pagina's: 513
Uitgever: Mercatorfonds, Antwerpen
Uitgave datum: 1987
ISBN: 90-6153-182-9

Marijnissen 1987

 

Hiëronymus Bosch. Het volledig oeuvre (Roger H. Marijnissen met de medewerking van Peter Ruyffelaere) 1987

[Mercatorfonds, Antwerpen, 1987, 513 blz.]

 

Dit prachtig uitgevoerde kunstboek met talrijke verzorgde en duidelijke afbeeldingen bevat enkele hoofdstukken waarvan de tekst reeds eerder in Marijnissen e.a. 1972 verscheen. Dit laatste werk behandelde echter alleen drie Bosch-triptieken (de Hooiwagen, de Tuin der Lusten en de Verzoekingen van de H. Antonius), terwijl nu het volledige oeuvre van de schilder besproken wordt. De Bosch-benadering van Marijnissen is na al die jaren niet veranderd: Bosch is een religieus-moraliserende schilder in wiens werk wellicht een aantal magische elementen te ontdekken zijn, maar die toch het best kan begrepen worden via een nauwkeurig onderzoek van het Brabantse milieu waarin hij thuishoorde. Veel in het oeuvre van Bosch is nog onduidelijk, maar anderzijds: niet alles is enigma.

 

De structuur van de tekst is gebaseerd op de uiterlijke verschijningsvorm van de besproken werken: aan bod komen eerst de triptieken en de fragmenten van triptieken, vervolgens de zelfstandige schilderijen en de betwiste toeschrijvingen en ten slotte de tekeningen. De eerste bedoeling van deze publicatie is een status quaestionis te geven van het onderzoek en bij de afzonderlijke schilderijen verwijst Marijnissen dan ook regelmatig en uitvoerig naar de (vaak tegenstrijdige) bevindingen van de vakliteratuur. Zoals één recensent (Huvenne) aanmerkte, wordt daarbij wel eens te veel aandacht besteed aan buitenissige verklaringen en visies uit het verleden die niemand nog ernstig neemt. Een mooi voorbeeld daarvan is de zowel Bosch-kenner als –leek radeloos stemmende opsomming van verwarrende en elkaar tegensprekende symbolische detailinterpretaties naar aanleiding van de Rotterdamse Marskramer-tondo [pp. 412-413]. Anderzijds dient toegegeven dat Marijnissen er cum laude in slaagt de lezer te doordringen van de hilarische dimensies die (zwart op wit gedrukte) schrijfsels over Bosch soms aannemen. Tegelijk krijgt men volop gelegenheid om te proeven van de typische, naar het aforistische neigende stijl van de auteur, wanneer hij met welhaast diabolisch genoegen de zoveelste doortrappende Bosch-exegeet door middel van één kort, ironisch zinnetje buitenspel zet. Na een tien regels tellend citaat van Wilhelm Fraenger waarin deze het – bijzonder vergezocht en verwijzend naar de kerkvader Ambrosius – heeft over de symbolische betekenis van de (waarschijnlijk honderden jaren na Bosch’ dood verzaagde) achthoekige Marskramer-tondo (Rotterdam), merkt Marijnissen enkel droogjes op: ‘Is de octogonale vorm het resultaat van een latere verzaging van het paneel, dan kan men Ambrosius er buiten laten’ [p. 413]. Op die manier worden de soms wat saaie overzichten van de vroegere literatuur dankzij Marijnissens zin voor relativerende humor toch nog genietbaar.

 

Aan deze overzichten voegt de auteur steevast zijn eigen visie op iconografische, stilistische en technische problemen toe. Hij blijft daarbij constant hameren op de noodzaak van een doorgedreven laboratoriumonderzoek van het hele Bosch-oeuvre. Wat de iconografische twijfelgevallen betreft, houdt hij zich vaak wijselijk op de vlakte of stelt hij een richting voor in verband met mogelijk verder navorsingswerk. Af en toe werkt hij een eigen hypothese uit die steeds gebaseerd is op de teksten en afbeeldingen van minder bekende laatmiddeleeuwse drukken en handschriften. Deze persoonlijke bijdragen tot de Bosch-iconografie vormen zeker niet het minst interessante onderdeel van het boek.

 

Een heel enkele keer laat Marijnissen een steekje vallen. Wanneer hij bijvoorbeeld op pagina 302 schrijft dat het Aards Paradijs-paneel (één van de vier bewaarde Laatste Oordeel-panelen in Venetië) een verkeerde naam draagt omdat dit onderwerp ‘uit de context’ valt, blijkt hij niet op de hoogte te zijn van de middeleeuwse opvatting waarbij het Aards Paradijs de functie had van wachtkamer vóór de Hemel. Dat in de bibliografie het postuum verschenen boek van Dirk Bax (Bax 1983) ontbreekt, is een ander minpuntje. Uiteraard gaat het in deze gevallen manifest slechts om detailkritiek. In zijn geheel is deze Mercatorfonds-uitgave een standaardwerk van een in de Bosch-studie al bij al zeldzaam niveau.

 

Van dit boek, dat overigens in verscheidene talen – waaronder het Frans, Engels, Duits, Spaans en Russisch – vertaald werd, verscheen in 1999 een identieke reprint (Marijnissen 1999) en in 2007 verscheen een reprint waaraan een voorwoord van Jos Koldeweij, enkele afbeeldingen en een appendix met een overzicht van de Bosch-studie sinds 1987 werden toegevoegd (Marijnissen 2007).

 

Recensies

 

  • Jan Van Hove, “Wat weten wij over Bosch? Kunstboek wordt standaardwerk”, in: De Standaard der Letteren, 30 oktober 1987. Marijnissen en Ruyffelaere hebben een moderne Bosch gemaakt. Zij gaan de tegenstrijdigheden niet uit de weg, maar leggen ze bloot. Waar nodig verkiezen zij twijfels boven twijfelachtige onzekerheden. Vooral ademt hun tekst klaarheid. Eerlijke inleving in de tijd ‘toen de wereld vijf eeuwen jonger was’ gaat hier gepaard met een scherp besef van de grenzen van onze kennis.
  • Jan Braet, “De grote weg naar de hel”, in: Knack, 16 december 1987, pp. 162-166. De auteur werpt zichzelf zeker niet op als de enige juiste interpretator. Wél wijst hij voortdurend op de onmogelijkheden en ongerijmdheden van anderen, en voegt er voortdurend aan toe dat het grootste part van het fantastische ikonenuniversum van Jeroen Bosch alsnog niet ontsluierd is. Anderzijds haalt hij, zelfs bij de meest buitenissige Bosch-auteurs (Fraenger bijvoorbeeld) de bruikbare argumenten naar voren om ze beetje bij beetje samen te brengen tot wat uiteindelijk een koherent verklaard stuk van de Bosch-puzzel mag heten.
  • Roger Pierre Turine, “La méthode Bosch”, in: Le Vif / L’Express, 18-24 december 1987, pp. 82-83. Sans prétendre – puisqu’il se garde bien de le faire – que Marijnissen a trouvé la seule clé valable du mystère Bosch, reconnaissons que sa vision des faits et de leur réalité semble bien incontournable, et c’est le premier mérite de ce livre inestimable.
  • Paul Vandenbroeck, “Het (denk)kader van de middeleeuwen was religieus, maar het schilderij erin? Bij een nieuw werk over Jheronimus Bosch”, in: Bijdragen tot de Geschiedenis, jg. 71 (1988), afl. 1-2, pp. 77-81 [zie een aparte samenvatting hiervan bij Vandenbroeck 1988a].
  • Paul Huvenne, “Hiëronymus Bosch: het volledige oeuvre”, in: Ons Erfdeel, jg. 32, nr. 4 (september-oktober 1989), pp. 608-609. Samengevat zou men het boek kunnen omschrijven als een kritische status quaestionis met een uitgesproken aandacht voor de iconologische problematiek, verstandig opgezet en luxueus uitgegeven. En toch stelt dit boek in zekere zin teleur.

 

[explicit]

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram