Jheronimus Bosch Art Center
(+31) (0)73 612 68 90

Jheronimus Bosch - Biografie van een Bosschenaar

Weidemann 2017
Weidemann, Siggi
Genre: Nonfictie, kunstgeschiedenis
Aantal pagina's: 382
Uitgever: Omniboek, Utrecht
Uitgave datum: 2017
ISBN: 978 94 0190 816 0

Weidemann 2017

 

Jheronimus Bosch – Biografie van een Bosschenaar (Siggi Weidemann) 2017

[Omniboek, Utrecht, 2017, 382 blz.]

 

Aangezien de vaststaande gegevens over het leven van Jheronimus Bosch vrij schaars zijn, verbaast het enigszins dat iemand in staat is een biografie van 382 pagina’s over deze laatmiddeleeuwse schilder te schrijven. De term ‘biografie’ uit de ondertitel dient dan ook met een korreltje zout genomen te worden. Het betreft hier veeleer een poging om Bosch breed- cultuurhistorisch te situeren in zijn tijd en omgeving. Weidemann onderneemt die poging in 34 hoofdstukjes, die voorafgegaan worden door een proloog.

 

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat deze proloog een niet al te beste indruk maakt. Hij bevat namelijk nogal veel wollige formuleringen en oppervlakkige, vaak nergens op slaande mededelingen. Een voorbeeldje daarvan is de volgende passage: ‘Jheronimus Bosch werd geboren op het juiste moment en op de juiste plek. De Reformatie bracht de hele wereld in beroering, omdat duidelijk werd dat de wereld niet slechts een schouwtoneel was’ [p. 14]. Nog een voorbeeld: ‘Daarbij maakte hij [Bosch] taferelen waarop veel te zien was, met veel lichtzinnigheden en overdrijvingen, die hij gebruikte om nieuwsgierigheid en bepaalde andere gevoelens op te wekken als een déjà vu’ [p. 15]. Of nog: ‘Hij was iemand die erdoor geobsedeerd was om het onbegrijpelijke moment tussen geboorte en dood vast te houden’ [p. 16]. Als bovendien op pagina 15 beweerd wordt dat tijdens het leven van Bosch in ’s-Hertogenbosch een ‘prachtige kathedraal’ gebouwd werd (de Sint-Jan werd pas een kathedraal in de tweede helft van de zestiende eeuw), en dat op het rechterluik van de Tuin der Lusten twee reusachtige oren door een mes ‘van elkaar worden gescheiden’, dan klinkt dat op zijn zachtst gezegd niet erg veelbelovend voor wat nog gaat volgen.

 

De 34 hoofdstukken waaruit de eigenlijke tekst bestaat, bevatten heel wat correcte dingen, maar nieuwe inzichten of tot nu toe onbekende gegevens hoeft men niet te verwachten. Op zich is dat niet erg, ware het niet dat Weidemann regelmatig hoogst subjectieve en historisch compleet uit de lucht gegrepen passages in zijn boek verwerkt, waarbij men zich de vraag kan stellen of dat wel verantwoord is in een biografie die wetenschappelijk ernstig wil genomen worden. Ik geef hiervan een aantal voorbeelden:

 

  • In hoofdstuk 1 wordt de Bossche omgeving van de schilder besproken. Het gaat onder meer over de Markt: ‘Bosch keek om zich heen in deze drukte en vond zijn modellen. Uit ervaring wist hij: keek hij een fractie van een seconde beter om zich een gezicht of een situatie in te prenten, dan voelde hij dat de ander dit onaangenaam vond en zag hij dat hij of zij nerveus werd. De markt als eldorado voor volkenkundigen van het dagelijks leven en schilders’ [p. 29].
  • ‘De vader van Bosch zou hebben gewenst dat een van zijn zonen een academische loopbaan na zou streven. De keuze viel daarbij op de jongste. Bosch-onderzoekers nemen aan dat Jeroen theologie heeft gestudeerd…’ [p. 41].
  • ‘Als een schilderij, een grafisch kunstwerk of een fresco mislukte, dan kwam dat niet door de smaak van de klant of de omstandigheden, maar doordat het niet goed was. Dat was de boodschap die vader Anthonius zijn zoon inprentte’ [p. 48].
  • ‘Bosch geloofde duidelijk zelf niet in een hel’ [p. 161].
  • ‘Daarvóór [voor zijn huwelijk] was Jheronimus in elk geval een paar jaar werkzaam geweest in het buitenland. Het “buitenland” was alles wat buiten het hertogdom Brabant lag’ [p. 173].
  • ‘Mogelijk moest Bosch bij het ontstaan van sommige van zijn figuren zelf meesmuilen of lachen. “Je moet met humor schilderen, dan vinden de mensen de schilderijen mooier en kijken ze beter,” zou hij van zijn in 1478 gestorven vader hebben geleerd’ [p. 186].
  • ‘Wanneer hij – de man die aan de Markt woonde – zeker wist hoe het thema moest worden uitgewerkt en het werk in grote lijnen vorm kreeg, werd het een of andere tafelblad van “In Sint Thoenis” – het atelier van de familie – naar de andere kant van de Markt gebracht, waar het werk werd voortgezet’ [p. 187].
  • ‘Kennelijk had hij er lol in om samen te werken met vrouwen, omdat ze complexer en gevoelvoller waren en directer hun mening uitten’ [p. 189].
  • ‘Zo had bijvoorbeeld koopman Beys een exemplaar van Petrarca en leende hij dat uit aan zijn buurman Jheronimus’ [p. 202]. Waar háált hij het!
  • ‘Zo kreeg hij van Hendrik III van Nassau en de Spaanse edelman Diego de Guevara opdracht voor de drieluiken De Hooiwagen, Tuin der Lusten en Ecce Homo’ [p. 217].

 

Bovendien treft men vaak (in feite te vaak om goed te zijn) ook weer wazige, moeilijk te begrijpen zinnen aan, net als in de proloog. Aangezien de tekst regelmatig taalfouten bevat, zou dit in sommige (maar zeker niet alle) gevallen kunnen te wijten zijn aan het feit dat er uit het Duits vertaald werd. Hieronder enkele voorbeelden:

 

  • ‘Aangezien hij geen nakomelingen had, restte Jheronimus Bosch – van wie geen levensloop bestaat, maar wel een biografie – slechts de roem als triomf over de dood en de vergankelijkheid’ [p. 31]. Geen levensloop maar wel een biografie?
  • ‘Hij legde het vuur als gewaagde kleurenvisies vol virtuoze glans vast in aangezichten met felle kleuren’ [p. 73].
  • ‘In Den Bosch en omgeving was de wijnteelt in de vijftiende en zestiende eeuw nog in zwang, volgens een studie in Spiegel Historiael’ [p. 108]. Blijkbaar wordt hier het tijdschrift Spiegel Historiael bedoeld…
  • ‘Het was in elk geval zinvol dat hij de hel – net als het leven op aarde – beschouwde als een door de tijd begrensd tussenstation, waarin de mens getest en gelouterd werd’ [p. 238].

 

Gewoonweg foutief ten slotte zijn de volgende beweringen:

 

  • ‘Men is het reeds lang eens over het jaar 1450 als het jaar van zijn geboorte’ [p. 37].
  • Over de koperen doopvont van Aert van Tricht in de Sint-Jan: ‘Het werd beroemd omdat het op schilderijen van Bosch te zien is. Zo doen de kreupele en de blinde op de voet van het vont denken aan de landloper die op zijn schilderij Marskramer te zien is, en het bekken staat afgebeeld op het drieluik De Hooiwagen’ [p. 96].
  • ‘In de optochten reden ook hooiwagens mee. Hooi werd gezien als het symbool voor materiële welstand en de levensweg die moest worden afgelegd. Bosch werd erdoor geïnspireerd voor zijn drieluik De Hooiwagen, waarin hij het mythologische thema van zijn tijd dienovereenkomstig moderniseerde’ [pp. 106-107].
  • In 1478 toonde Maria van Bourgondië haar pasgeboren zoon Filips de Schone aan het volk, ‘waarbij ze zijn “piemeltje” (culleken) in de hand nam’ [p. 117]. Maar culleken betekent ‘teelballetje’ (enkelvoud!) en niet ‘piemeltje’.
  • ‘Bouts (…) had in opdracht van de raad van de stad [Leuven] Het laatste oordeel Dit drieluik uit 1468 zou Bosch geïnspireerd kunnen hebben voor de Tuin der Lusten’ [p. 127]. Waar slaat dit op?
  • Over het Lam Gods-veelluik (Gent): ‘Van Eyck bracht de rode, blauwe en groene kleurenpracht zo puur mogelijk aan op het doek’ [p. 130]. Het Lam Gods is niet geschilderd op doek, maar op panelen.
  • ‘Zijn [Bosch’] drieluiken waren niet bedoeld als altaarstuk met zijpanelen of als religieus schilderij voor de kerkelijke ruimte, maar versierden net als Tuin der Lusten, De Hooiwagen of Verzoeking van de heilige Antonius de paleizen van zijn opdrachtgevers’ [pp. 133-134]. Alleen voor de Tuin der Lusten is dit aannemelijk te maken.
  • ‘Een van die vijf rederijkerskamers in Den Bosch was de “Passiebloem”, waar ook Bosch actief in was’ [p. 145].
  • Over het Tafelblad met de Zeven Hoofdzonden (Prado): ‘Onder in de goudgele rand rond deze afbeelding staat de verkorte oudtestamentische inscriptie uit Deuteronomium 32: 19: Cave cave dominus videt’ [p. 156]. Die tekst komt helemaal niet uit Deuteronomium, de inscripties bovenaan en onderaan wél.
  • ‘De huwelijken van de twee broers van Jheronimus bleven ook kinderloos’ [p. 175].
  • Dat de auteur vaak niet weet waar hij het over heeft, blijkt zijdelings ook uit pagina 217, waar het gaat over rederijkersrefreinen: ‘Aan het eind van elke strofe zat een refrein’. Refreinen zijn rederijkersgedichten die bestaan uit strofen, met aan het eind van elke strofe eenzelfde versregel (de stok of stokregel).
  • Op de pagina’s 245-246 gaat het over de titels die ooit aan de Tuin der Lusten werden gegeven. Eén van deze titels is naar verluidt ‘Het oordeel van Paris’. Waar háált hij het? Enkele bladzijden verder lezen we (in verband met Hendrik III van Nassau): ‘Indertijd heette Tuin der Lusten nog ‘Het oordeel van Paris’… [p. 249].
  • Over de uil op de Rotterdamse Marskramer-tondo: ‘Vanuit de levensboom in De verloren zoon kijkt hij op naar de in vodden geklede landlopers’ [p. 309]. Levensboom? De verloren zoon? Opkijken? De uil kijkt net naar beneden. Landlopers? Het is er maar één.
  • Op pagina 313 wordt de Het veld heeft ogen-tekening (Berlijn) een ‘schilderij’ genoemd.

 

Conclusie: Jheronimus Bosch – Biografie van een Bosschenaar bevat een aantal links en rechts opgeraapte correcte feitjes, vaak onhandig want onsamenhangend en soms foutief aan elkaar geknoopt, en overgoten met veel fantasie. Als ‘biografie’ is dit boek in hoge mate onbetrouwbaar.

 

[explicit 20 augustus 2019]

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

searchclosebarssort-desc linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram